Home De stad ‘Je ziet de straat, je denkt de stad’
De stad

‘Je ziet de straat, je denkt de stad’

Door Erno Eskens op 14 juni 2001

06-1998 Filosofie magazine Lees het magazine

‘Waarheid is niet alleen een ideaal waar je naartoe werkt; ver daarvoor is het al een aanname. Je vertrouwt erop dat de ander de waarheid wil spreken, dat de taal in staat is de waarheid te dragen en dat jezelf in staat bent de waarheid te bevatten. ‘Interview met de Franse filosoof Paul Ricoeur

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De Koninklijke Landmacht raadt jonge mensen aan het leven zo spannend mogelijk te maken. Vlak voor je dood, zo vertelt een militair in een tv-spotje, trekt je leven als een film aan je voorbij. ‘En je kunt er maar beter voor zorgen dat die film een beetje de moeite waard is.’ De 85-jarige Franse filosoof Paul Ricoeur heeft het script van zijn levensfilm bijna rond, maar hij kan niet accepteren dat leven wordt gereduceerd tot het voorprogramma in zijn eenmalige privé-bioscoop. Hij weigert pertinent aan de dood te denken, laat staan dat hij er zijn bestaan voor wil herinrichten.

‘Die mensen die onze verhouding tot de dood belangrijk vinden, begrijp ik niet. Martin Heidegger bijvoorbeeld. Hij heeft zo’n tragisch wereldbeeld, waarbij de dood als een zwaard van Damocles boven ieders hoofd hangt. Het hele be-staan wordt gekleurd door dit noodlot. De mens is een Sein zum Tode, zegt hij. Ik zie daar niets in. Dat gedoe over de eindigheid van het bestaan verziekt alles; het verziekt onze verhouding met de gemeenschap, met de tijd en met ons-zelf. Het maakt ons tot eenling, in onszelf gekeerd. Heidegger is niet voor niets zo afstandelijk over zijn medemens. Hij spreekt altijd maar over “men”. Maar nooit heeft hij het over “ons”. Geen woord. Dat zegt alles. Wie de eigen dood centraal stelt, vervreemdt van de ander. En die ander – de samenleving, het politieke, de zorg voor elkaar, de vriendschap – daar gaat het mij nu juist om.’
 

Buitenbeentje

Een constante in Ricoeurs leven zijn de sobere, grijzige vesten die als juten zakken over zijn Giacometti-lichaam hangen. Hij is lang en mager. Zijn ogen kijken vriendelijk door een net iets te grote bril. Meer dan een halve eeuw is hij nu actief in het Parijse intellectuele leven. Het existentialisme ging, het structuralisme kwam, het postmodernisme volgde en in geen enkele stroming kon hij zich vinden. Hij zette zijn eigen koers uit, laverend tussen protestantisme, sociale betrokkenheid, psychoanalyse en taalfilosofie. Het zorgde ervoor dat bij altijd het buitenbeentje bleef. Door zijn harde opstelling in mei ’68 bleef hij dat. Linkse studenten probeerden destijds de verbeelding aan de macht te brengen; collega’s flirtten met het communisme, universiteitsgebouwen werden bezet. Ricoeur, hoogleraar aan de universiteit van Nanterre, stuurde de politie erop af. Er volgde een kleine veldslag, eindigend in een overwinning voor het gezag. De studenten sloegen terug door Ricoeur het leven onmogelijk te maken. Ze keerden vuilnisbakken over zijn hoofd leeg. Ricoeur vluchtte naar het rustige Leuven. In Leuven is het Husserl-archief gevestigd. Ricoeur bestudeerde er de veelal onuitgegeven manuscripten van de Duitse filosoof. Tijdens zijn gevangenschap in de Tweede Wereldoorlog vertaalde hij al een boek van Edmund Husserl naar het Frans. Nu werkte hij Husserls methode, de fenomenologie, verder uit. ‘Dat woord fenomenologie is veel te lang, vind je niet?’ zegt hij lachend. ‘Iedereen struikelt erover. Maar goed, de term is afgeleid van het woord “fenomeen”. Een fenomeen is een object zoals het aan ons verschijnt en zoals we het ervaren. De fenomenologie stelt die ervaring centraal. En daardoor bindt het de strijd aan met iedereen die theorie hoger aanslaat dan de ervaring. Het niveau van theorievorming, de reflectie en de gestileerde taal van de cultuur, is letterlijk van de tweede orde. Eerst is er de ervaring, dan pas de theorie.’ Ricoeur houdt zich bezig met la vigilance conceptuelle, het bewaken van woorden. De woorden mogen niet met ons op de loop gaan.

‘In het dagelijkse leven zien wij dat de zon opkomt en ondergaat. Natuurlijk weten we sindsde theorie van Galileï dat in werkelijkheid de aarde om de zon draait. Betekent dat nu dat onze dagelijkse ervaring verkeerd is? Ik denk het niet, want die naïeve wereld met zijn opkomende en ondergaande zon is voor ons, wat de wetenschap ook zegt, de reële wereld. Daarmee wil ik natuurlijk niet zeggen dat de wetenschappelijke visie onjuist is. Integendeel. Ik zeg alleen dat het een herinterpretatie is van een oorspronkelijke ervaring die zich niet zomaar laat vervangen. Wetenschap is niet mogelijk zonder die naïeve ervaring. De fysicus, chemicus, bioloog neemt waar met zijn ogen. Dus vanuit de naïeve wereld. Je kunt de naïeve ervaring niet afschaffen. Dat moet je ook niet willen. Er is zoiets als een vitale band niet de wereld, via de ervaring. Fenomenologie probeert die band met de wereld zo veel mogelijk te herstellen.’

Alle kennis berust uiteindelijk op de naïeve, alledaagse ervaring. Maar onze eigen ervaring is beperkt. ‘We hebben zelf maar een paar ogen en oren en we zijn afhankelijk van de ogen en oren van anderen. Leibniz legt dat mooi uit met die beroemde metafoor van de stad. De stad, zegt hij, zie je steeds van één kant, vanuit een perspectief, maar als je over “de stad” praat, heb je het natuurlijk niet over dat ene perspectief van waaruit jij toevallig die stad beziet. Je hebt het dan over iets wat min of meer van alle kanten tegelijkertijd wordt bekeken. Je denkt niet aan die paar straten in je omgeving, maar aan een geheel. Klaarblijkelijk neem je aan dat de stad los van je directe waarneming bestaat. Zowel qua plaats als in de tijd. Die aanname is interessant. Het laat zien dat je vertrouwt op de waarneming van anderen.’
 

Balans

‘Wij zijn samenwerkende wezens, we bundelen onze ervaringen. Dat “samen” is fundamenteel voor onze kennis.’ Hij peinst over een definitie: ‘Het werkelijke is dat wat door meerdere mensen tegelijkertijd van allerlei kanten en op allerlei tijdstippen wordt waargenomen. Het is dat wat we gemeenschappelijk zien, waar we samen over praten. Kennis is alleen mogelijk als je vertrouwen hebt in elkaars oordeel.’

Van de ervaring van anderen kun je alleen indirect kennis nemen. Kijken door andermans ogen is alleen figuurlijk mogelijk. Maar de ander kan uiteraard vertellen over zijn of haar ervaringen. ‘Onze kennis is dus bemiddeld door de taal. De ander vertelt een verhaal over zijn ervaringen. En dat verhaal is nodig om zicht te krijgen op de dingen. Wij kennen de stad Parijs via onze eigen ogen, maar vooral ook uit de verhalen van anderen.’ ‘Omdat je eigen ervaring beperkt is, kun je jezelf in je eentje nooit goed leren kennen.’ Ricoeur schreef er een boek over: Soi-même comme un autre (het zelf als een ander). ‘Wij kennen onszelf voornamelijk via de verhalen van anderen, via de taal, via de vergelijking met anderen, via de verhalen die we zelf vertellen. Ieder van ons is een personage in een groter sociaal verhaal. Daarom kun je de balans van je leven ook nooit opmaken, want de weegschaal waarop je de gebeurtenissen meet, is niet van jou. Die weegschaal blijft bestaan als je allang dood bent.’

‘Ik heb kleinkinderen die tachtig jaar jonger zijn dan ik. En ik vertel ze de verhalen over mijn jeugd, zoals mijn grootvader mij vroeger verhalen over zijn jeugd vertelde. En ook die verhalen, over gebeurtenissen die 150 jaar geleden plaatsvonden vertel ik nu aan mijn kleinkinderen. Als ik die verhalen vertel, besef ik dat mijn leven eigenlijk helemaal niet mijn leven is. Het is niet het leven van anderen, hoor, maar het is een leven met anderen.’

‘Je kunt het pas niet elkaar oneens zijn als je elkaar eerst serieus hebt genomen. Eerst moet je vertrouwen hebben en de intentie van de ander serieus nemen. Je moet goedgelovig beginnen. Door er vanuit te gaan dat er waarheid schuilt in de woorden. Pas als je dat doet, kun je merken dat sommige woorden met elkaar op gespannen voet staan, dat er illusies bestaan. Pas dan kun je elkaar de oren wassen. Waarheid is niet alleen een ideaal waar je naartoe werkt; ver daarvoor is het al een aanname: je vertrouwt erop dat de ander de waarheid wil spreken, dat de taal in staat is de waarheid te dragen en dat jezelf in staat bent de waarheid te bevatten.’
‘Ik ga uit van de goede bedoelingen van mijn medemensen en probeer hun verhaal serieus te nemen. Ik probeer ervan uit te gaan dat ze menen wat ze zeggen. John Searle noemt dat de aanname van “sincerity”. You mean what you say, and I believe it. Ik geloof u, ik heb er vertrouwen in. Dit vertrouwen is de basis van onze taal en van onze kennis. Als je elkaars uitingen, elkaars tekens niet serieus neemt, waarom zou je dan überhaupt nog praten. Onze hele samenleving rust op dat vertrouwen.’

‘Natuurlijk, er zijn mensen die denken dat je de wereld in je eentje wel kunt kennen. Dat je het oordeel van de ander altijd moet wantrouwen. Zij beginnen bij de argwaan, het wantrouwen of de twijfel.’ Ze ondermijnen daarmee het gemeenschapsgevoel. En de waarheid brengen ze ook niet dichterbij. ‘Vertrouwen in het oordeel van anderen is fundamenteel voor al onze kennis. Twijfel kan alleen lokaal zijn en bepaalde zinswendingen betreffen. Totale twijfel is totaal onmogelijk.’
 


Paul Ricoeur (1913) is in het Franse Rennes geboren. Zijn vader stierf in 1915 bij de slag om de Marne. Ook zijn moeder verloor hij op jonge leeftijd. Zijn grootouders en een tante zorgden voor de strikt protestantse opvoeding. In 1933 studeerde Ricoeur af in de filosofie en tijdens de Tweede Wereldoorlog belandde hij in een gevangenkamp, waar hij de Ideeën van Edmund Husserl vertaalde. Op dat werk promoveerde hij in 1950. Twee jaar later volgde hij lean Hyppolite op als hoogleraar filosofie in Straatsburg.

In 1969 aanvaardde Ricoeur het rectoraat van de universiteit van Nanterre, waar de revolutionaire geest nog aanwezig was. Na een uit de hand gelopen politie-inval in de door studenten bezette universiteit, verliet Ricoeur ‘wegens gezondheidsredenen’ de universaliteit. Hij vluchtte naar Leuven en begon later ook in Amerika te doceren. Hij is inmiddels eredoctor van de universiteiten van Nijmegen en Tilburg.
Ricoeurs bekendste werken zijn Symbolique du mal en De I’interprétation en zijn driedelige Temps et Récit. In 1986 gaf Ricoeur de Gifford lectures in Edinburgh. Le problème du fondement de la morale is in Nederlandse vertaling verschenen als Het probleem van de grondslagen van de moraal bij Kok Agora. Réflection faite uit 1995 is Ricoeurs intellectuele biografie. La symbolique du mal gaat net als L’homme faillible over het kwaad en de verleiding.