Home Historisch Profiel: Descartes

Historisch Profiel: Descartes

Door Han van Ruler op 26 november 2018

Historisch Profiel: Descartes
Cover van 12-2018
12-2018 Filosofie magazine Lees het magazine

De Fransman René Descartes vernieuwde de filosofie. Maar deed hij dat wel helemaal alleen? Het verhaal van een vriendschap die begon met een toevallige ontmoeting in Breda.

Op 10 november 1618 – dit jaar precies 400 jaar geleden, en net als dit jaar op een zaterdag – vond er op straat in Breda een gedenkwaardige ontmoeting plaats tussen een Fransman die wereldberoemd zou worden en een Nederlander die vandaag de dag veel minder bekend is, maar die wel een cruciale rol heeft gespeeld in de intellectuele ontwikkeling van zijn nieuwe vriend.

Die Fransman was René Descartes. Hij was in Breda omdat hij in dienst was getreden van het leger van prins Maurits, dat door het bestand met de Spanjaarden werkeloos ingekwartierd lag aan de grens met de Zuidelijke Nederlanden. De man die Descartes die zaterdag ontmoette, was Isaac Beeckman (1588-1637), een Zeeuwse ingenieur van Zuid-Brabantse afkomst die in Breda een herfst lang aan het werk was bij zijn oom en bovendien op zoek was naar een vrouw.

Tekst loopt door onder afbeelding

Illustratie: Maartje de Sonnaville

Iemand had die dag op straat een quasiwiskundig probleem opgehangen, en Descartes vroeg aan omstanders of er iemand was die het raadsel voor hem kon vertalen. Beeckman stond er toevallig ook. Hij was afgestudeerd zowel in theologie als in medicijnen en vertaalde het vraagstuk zonder problemen voor Descartes in het Latijn. De twee raakten aan de praat, en tijdens de korte periode waarin ze elkaar vervolgens bleven opzoeken (eind 1618, begin 1619), bespraken Beeckman en Descartes allerlei natuurkundige problemen, zoals over de aard van licht en de vrije val van lichamen, vraagstukken over vloeistoffen in evenwichtstoestand en kwesties uit de muziektheorie. Een deel daarvan ontleende Beeckman aan het werk van Simon Stevin (1548-1620). Beeckman wakkerde hiermee bij zijn jongere vriend de interesse voor een nieuwe natuur­filosofie aan.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Vaderfiguur

Als nieuwjaarsgeschenk bood Descartes Beeckman begin januari 1619 zijn eerste werkje aan: een in handschrift opgestelde Samenvatting van de muziekleer, die hij op verzoek van Beeckman had geschreven. Toen die laatste nog dezelfde maand Breda weer verliet, bleven de twee per brief corresponderen over muziek, mechanica en methodenleer.

Op 24 januari 1619 schreef Descartes aan Beeckman: ‘Ik had je brief verwacht en heb hem nu gekregen. Ik verheugde me al bij de eerste blik toen ik de muzieknoten zag staan. Hoe had je beter blijk kunnen geven van je herinnering aan mij? Maar er was nog iets anders, waar ik nog meer naar uitkeek: waarmee je bezig bent geweest, wat je nu doet, hoe het met je gaat. Je moet namelijk niet denken dat ik alleen om de wetenschap geef. Jij gaat mij evenzeer ter harte en niet alleen om je verstand, al mag dat dan het beste van je zijn, maar om de hele mens.’

Descartes maakte indruk op Beeckman met zijn wiskundige talent, maar Beeckman lijkt voor Descartes zowel wetenschappelijk als psychologisch van betekenis te zijn geweest. In zijn brieven geeft de 22-jarige Descartes blijk van een grote affectie voor zijn acht jaar oudere vriend. Nu weten we dat René Descartes lange tijd een zwak had voor loensende meisjes en dat hij in het najaar van 1634 de huishoudster van zijn Amsterdamse kostbaas zwanger maakte. Het is dan ook niet zo gek dat commentatoren die affectie niet hebben geïnterpreteerd als een verliefdheid, maar eerder als het zoeken naar een vaderfiguur. Descartes’ moeder stierf toen hij net één jaar oud was en met zijn vader had hij nooit een hechte relatie onderhouden. Hoewel hij in Poitiers een rechtenstudie achter de rug had, weigerde hij pertinent om in diens voetsporen te treden met een carrière in het landsbestuur. Isaac Beeckman deed precies wat Descartes’ vader had nagelaten: hij stimuleerde Descartes zijn wetenschappelijke en natuurfilosofische passie te volgen.
 

Paranoia

Descartes vertrok algauw weer uit Breda. Hij reisde door Duitsland en Italië en woonde jarenlang in Parijs. Maar na tien jaar nam hij de naar eigen zeggen ‘weloverwogen’ beslissing om terug te keren naar Nederland. Tot eind 1649 zou hij in Nederland blijven wonen en hij zou er al zijn beroemde werken schrijven. De enige persoon die voor hem een reden kan zijn geweest om in 1628 naar Nederland terug te gaan, was Isaac Beeckman, maar al snel liep het helemaal mis tussen de twee vroegere vrienden.

Kort nadat hij zich in Nederland had gevestigd, begon Descartes tekenen van achterdocht tegenover Beeckman te vertonen. Hij vertrouwde niet wat die anderen vertelde over hun relatie. Beweerde Beeckman nu echt dat Descartes van alles van hem had geleerd? We kennen niet alle details over wat er mis is gegaan tussen de twee, maar we weten wel dat Descartes een gevecht aanging over wie er nu wat van de ander had geleerd – en dat hij zich daarbij niet alleen erg ondankbaar toonde tegenover zijn vroegere vriend, maar hem ook uiterst neerbuigend bejegende.

Die poging om Beeckman het zwijgen op te leggen heeft Descartes bij kenners een slechte naam opgeleverd. Klaas van Berkel, de biograaf van Isaac Beeckman, noemt Descartes ‘snoeverig, achterdochtig, lichtgeraakt, onredelijk, onoprecht, egocentrisch, leugenachtig’ – kortom: ‘Hij leed aan paranoia.’ Naast de smet op zijn persoonlijkheid zijn er door deze actie twijfels gerezen over Descartes’ status als denker. Want hoe zat het nou werkelijk met die kwesties van prioriteit? De Canadese wetenschapshistoricus Richard Arthur concludeerde in 2007 dat Descartes ‘een belangrijk deel van wat later bekend werd als de cartesiaanse natuurfilosofie’ eenvoudigweg had ‘geplagieerd’ – Descartes had, met andere woorden, allerlei ideeën van Beeckman gestolen.
 

Plagiaat

Moeten we ons beeld van de geschiedenis bijstellen? Moeten we misschien niet René Descartes, maar Isaac Beeckman beschouwen als de vader van de moderne filosofie? Dat zou veel te ver gaan; Descartes heeft lang niet alles aan Beeckman te danken gehad, maar zijn woede-uitbarsting heeft het indirect nog moeilijker gemaakt om vast te stellen wat nou eigenlijk Descartes’ filosofische erfenis is en hoe hij zich wetenschappelijk en filosofisch heeft ontwikkeld.

De plagiaatkwestie lijkt namelijk te bevestigen dat Descartes in 1629 een crisis doormaakte. Aangenomen wordt dat wat hij in Parijs had geprobeerd was mislukt. Hij had een methodologie willen bedenken waarmee alle problemen in de wiskunde en de wetenschap konden worden opgelost. Toen dat niet lukte, moest hij iets anders verzinnen, en daar zouden, net als bij veel andere filosofen, eigenlijk twee Descartes uit zijn voortgekomen: de Parijse Descartes, de Descartes die allerlei wetenschappelijke problemen had opgelost, en de latere Descartes, die van de jaren 1630 en 1640, de filosofische systeembouwer. Descartes zou naar Nederland zijn teruggekomen om helemaal opnieuw te beginnen. Hij was in die moeilijke periode extra prikkelbaar. Juist Beeckman zat hem ook nog eens psychologisch in de weg, omdat het hele filosofische systeem dat Descartes rond 1629 begon te ontwikkelen gebaseerd was op ideeën die hij aan Beeckman had ontleend, met name de gedachte dat alle processen in de natuur op een mechanistische manier verklaard zouden kunnen worden, en dat de natuur dus werkt als een machine – een idee dat Descartes inderdaad zou uitwerken in de periode 1630-1633.

Tekst loopt door onder afbeelding

Illustratie: Maartje de Sonnaville

Kortom, Descartes raakte in paniek. Alles was mislukt, hij moest opnieuw beginnen en hij haatte Beeckman, simpelweg omdat alles wat hij vooralsnog te bieden had van hem kwam. De ruzie duurde gelukkig niet lang. In het vroege najaar van 1631 gingen Beeckman en Descartes alweer samen lunchen in Amsterdam. Ze schijnen vrede te hebben gesloten.

Maar zat Descartes wel echt in een crisis? Daar zijn helemaal geen aanwijzingen voor; en dat hij ruziegemaakt zou hebben met Beeckman omdat hij in 1629 intellectueel nog steeds totaal afhankelijk was van de Zeeuw, klopt eenvoudigweg niet met de feiten. Bijna niemand neemt Descartes’ eigen verhaal nog serieus, maar waarom eigenlijk niet? In Discours de la méthode kijkt hij terug op zijn eigen intellectuele ontwikkeling. Uit die autobiografische passages ontstaat het beeld van een Descartes zonder crisis, een Descartes die al in 1619 een methode had gevonden, die hij vervolgens bleef toepassen op telkens andere disciplines. Maar wat was die methode? In zijn Discours geeft hij vier ‘regels’, maar daarmee blijft zijn methode nogal vaag, omdat het stuk voor stuk zuiver formalistische regels zijn, die niet echt duidelijk maken wat er nu zo nieuw was aan zijn aanpak. Als we proberen te reconstrueren wat inhoudelijk de kern van zijn inzicht van 1619 moet zijn geweest, is daar maar één kandidaat voor: het idee dat we aangeboren vermogens bezitten om op een analytische manier problemen op te lossen op allerlei verschillende gebieden.

Veel filosofen vóór Descartes hadden al beweerd dat er aangeboren noties bestaan. Maar die pasten dan altijd naadloos op de wereld van de dingen om ons heen, of liever: op de ‘dingen’ en hun waarneembare ‘eigenschappen’. Descartes kwam in tegenstelling tot zijn voorgangers met het idee om de aandacht eens weg te leiden van het waarneembare en die te richten op gemeenschappelijke ‘aspecten’ die van toepassing kunnen zijn op hele klassen van objecten tegelijkertijd. Zijn manier van probleem-oplossen was dan ook iets heel anders dan wat filosofen vóór hem hadden gedaan. Het was een methode gebaseerd op het idee dat we over een aangeboren vermogen beschikken om intuïties te ontwikkelen over een veelheid aan onderwerpen: de intuïties van ‘materie’ en ‘beweging’ zijn toepasbaar in de fysica, terwijl we met heldere intuïties als die van ‘twijfel’ en ‘zekerheid’ onze mentale binnenwereld kunnen begrijpen.

Traditioneel hadden filosofen gekeken naar de wereld van de dingen om ons heen. Op basis van die ervaring hadden ze een metafysische invulling gegeven aan de manier waarop God alle dingen in de vorm van ‘soorten’ zou hebben geschapen, en wel op grond van de kant-en-klare ‘vormen’ of ‘ideeën’ in Zijn hoofd. Iets begrijpen werd daarmee voor de mens identiek aan het aanwijzen van de juiste ‘vorm’: “water is vochtig”, “vuur is heet” en “de mens is rationeel”. Descartes deed iets heel anders. Zijn methodologie was typisch de methodologie van een wiskundige: hij stelde voor om niet naar de dingen te kijken, maar naar concepten die we ons helder voor de geest kunnen halen, en die te gebruiken om ingewikkelde problemen terug te brengen tot eenvoudige problemen. We kunnen de werking van het licht begrijpen door de baan van een lichtstraal te vergelijken met die van een tennisbal, zolang we maar duidelijk voor ogen houden op grond van welk aspect we een intuïtief heldere vergelijking kunnen maken tussen twee verschillende fenomenen.

Deze methodologie vatte Descartes later samen in zijn vier regels, die er kort gezegd op neerkomen dat je, om problemen op te lossen, nooit bij de moeilijkste, maar net als in de wiskunde altijd bij de meest eenvoudige moet beginnen, dus bij de problemen die het best aansluiten bij je aangeboren vermogens. Descartes zegt in zijn Discours ook expliciet dat hij altijd al van plan is geweest om ook nog eens ‘de eerste filosofie’ of ‘metafysica’ helemaal opnieuw op te bouwen en daar was hij al in Nederland mee begonnen nog voordat hij ruzie begon te maken met Beeckman.

Regenboog

Als we alles op een rijtje zetten, is het niet nodig om Descartes te zien als iemand die in 1628 met zijn handen in het haar zat, Parijs daarom verliet en de brui gaf aan zijn vroegere wetenschappelijke interesses. Descartes hoefde zich in Nederland dus ook niet om te scholen tot filosoof. Hij was al in 1629 in Franeker begonnen zijn ‘wiskundige’ methode toe te passen op ‘de filosofie’, en dat project zou precies de kern vormen van wat later, in 1641, Descartes’ filosofische hoofdwerk zou worden: Meditaties over de eerste filosofie.

Tekst loopt door onder afbeelding

Illustratie: Maartje de Sonnaville

Ook in de Meditaties draagt onze mentale ervaring zelf de intuïtieve noties aan waarmee we begrijpen wat we zien en ervaren. Het idee dat we mentaal toegerust zijn om de wereld te begrijpen, is zelfs het hoofdthema van de Meditaties. Descartes geeft een dubbele betekenis aan onze mentale geschiktheid om te bevatten wat er om ons heen gebeurt. We worden volgens hem geboren met het vermogen om zintuiglijke indrukken te herkennen die relevant zijn voor ons overleven. Daarnaast heeft de menselijke geest een cognitief vermogen, waarmee we zowel de wereld buiten ons als onze binnenwereld kunnen begrijpen – tenminste, zolang we maar de juiste, aangeboren vermogens ontwikkelen om fysische dan wel mentale processen te analyseren. Descartes concludeerde dat het God moest zijn geweest die ons, naast hulpmiddelen voor het overleven, extra hulpmiddelen had verschaft om ons te helpen onze ervaring te interpreteren.

Descartes had de brekingswet al op zijn naam staan, de verklaring van de regenboog, de uitvinding van de analytische meetkunde en het idee van de biologische reflex. De Meditaties voegden daar nog het idee van het bewustzijn als filosofische uitvinding aan toe.

Vandaag de dag zijn er mensen die betwijfelen of Descartes wel echt de belangrijke figuur is geweest waarvoor hij zo vaak is gehouden, maar het moge duidelijk zijn dat de filosofie die Descartes ophing aan zijn idee van ‘cognitieve geschiktheid’ veel verderging dan wat hij ooit van Isaac Beeckman had kunnen leren, of van welke tijdgenoot dan ook. Er zijn tegenwoordig zelfs mensen die beweren dat het idee dat Descartes een belangrijk denker was een negentiende-eeuwse uitvinding is geweest van Duitse filosofen. Dat geldt misschien voor de standaard-Descartes, de armchair philosopher die van hem is gemaakt. Maar als je goed kijkt naar wat Descartes zelf fascineerde, zie je algauw dat hij nooit echt geïnteresseerd is geweest in het lichaam-geestprobleem. Ook twijfelde hij nooit tussen een wetenschappelijke of een filosofische carrière en leed hij nooit aan een intellectuele burn-out die hem terugbracht naar Nederland. Hij maakte ook geen sceptische crisis door die hem van een wetenschapper plotseling in een metafysicus zou hebben veranderd. Nee, Descartes lijkt vanaf het eerste moment in beslag te zijn genomen door het ene, enkele thema dat onze mentale gesteldheid de aangeboren apparatuur levert voor het oplossen van problemen in alle wetenschappen. Volgens Descartes moeten we ons, om iets van de natuur te begrijpen, richten op de heldere begrippen die deze apparatuur biedt, en moeten we niet, zoals iedereen vóór hem had gedaan, de wereld simpelweg indelen en categoriseren op de manier zoals we haar horen, voelen en zien.

Dat was een grandioze doorbraak, een doorbraak die de filosofie uit de houdgreep van de metafysica bevrijdde en de weg opende naar de ontwikkeling van een wetenschappelijke methode. Onder historici van de filosofie is het al lang niet meer gebruikelijk de oude tijd bij Willem van Ockham te laten eindigen en bij René Descartes de nieuwe tijd te laten beginnen. Daarvoor is er in de tussenliggende drie eeuwen veel te veel gebeurd, ook op natuurfilosofisch gebied. Het is dus niet meer bon ton om de filosofische Middeleeuwen te laten eindigen rond 1350 en de nieuwe tijd pas veel later te laten beginnen bij Descartes. Toch blijft het ontegenzeggelijk waar dat er voorafgaande aan Descartes nooit een stabiel alternatief werd gevonden voor de filosofie van Aristoteles. Hoezeer Aristoteles in de tussenliggende periode ook werd bekritiseerd, hij bleef ondanks alles telkens weer overeind, en werd zelfs steeds intensiever bestudeerd. Met Descartes was er opeens sprake van een alternatief – en alleen in die zin is er nog steeds veel te zeggen voor de oude visie dat er met Descartes een nieuw tijdperk aanbrak in de Europese intellectuele geschiedenis.

Inspiratie

Beeckman heeft zijn rol van vaderfiguur voor Descartes uiteindelijk niet kunnen waarmaken. Hij reageerde waarschijnlijk van meet af aan te nuchter als zijn jongere vriend weer eens overenthousiast aankondigde dat hij de hele filosofie zou gaan veranderen. De vriendschap spatte tien jaar later op spectaculaire wijze uit elkaar, maar niettemin was Descartes’ ontmoeting met Isaac Beeckman een belangwekkende gebeurtenis in de intellectuele geschiedenis.

Descartes had lang niet alle onderdelen van zijn nieuwe filosofie aan Isaac Beeckman te danken en hoefde daarom ook niet bang te zijn volledig afhankelijk te zijn geworden van wat hij van Beeckman geleerd had. Maar Beeckman heeft hem wél geïnspireerd. We mogen best veronderstellen dat Descartes als salonmilitair in Breda nog geen enkel idee had wat hij met zijn leven moest aanvangen, en het is alleen al uit zijn eigen brieven zonneklaar dat zijn intellectuele ontwikkeling een flinke boost kreeg door de ontmoeting met zijn Zeeuwse vriend. Zo werd al in 1618 de basis gelegd voor de nieuwe manier van denken waarmee de filosofie van Aristoteles na bijna twee millennia plotseling terzijde zou worden geschoven. En dus begon de nieuwe tijd in de westerse filosofie niet in 1637 in Leiden met de verschijning van Descartes’ Discours de la méthode, maar al op 10 november 1618 – op een zaterdag, op straat in Breda.