Home Het verlangen naar echtheid

Het verlangen naar echtheid

Door Ivana Ivkovic op 28 mei 2014

Cover van 06-2014
06-2014 Filosofie magazine Lees het magazine

Het boek The Fountainhead van filosoof Ayn Rand was de basis voor het gelijknamige toneelstuk dat deze zomer te zien is. Een stuk over vrijheid en authenticiteit, en over leven zonder compromissen.
 
Ayn Rands roman De eeuwige bron (The Fountainhead) uit 1943 gaat over de strijd tussen individu en collectief. Een strijd die zich niet afspeelt in de politieke arena, maar in de ziel van de mens. De hoofdpersoon, Howard Roark, is larger than life: een gepassioneerde, briljante architect, die zijn droom najaagt en zich weigert te voegen naar de eisen van de middelmaat. In juni wordt een toneelbewerking van de roman op de planken gebracht door Toneelgroep Amsterdam, met Ivo van Hove als regisseur en Ramsey Nasr in de hoofdrol.
 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De eeuwige bron werpt veel actuele vragen op. Hoe blijf je integer in een wereld die continu vraagt om compromissen? Kunnen de krachten van de markt en creativiteit in balans zijn? Hoe verhoudt de zuivere individuele expressie zich tot de maatschappij? Bovendien is De eeuwige bron filosofisch een belangrijk boek. Volgens filosoof en kenner van Rands werk Hans Achterhuis komt dat doordat het boek een portret is van de mens als maker. ‘Deze dimensie is fascinerend. We bewonderen niet voor niets kunstenaars, architecten en uitvinders. En toch kent de zuiverheid en de compromisloosheid van de maker vele nadelen – denk alleen al aan de problematische omgang met anderen.’

Achterhuis kent het werk van Ayn Rand (1905-1982) vanuit zijn belangstelling voor politieke utopieën, een belangrijk thema in zijn werk. In zijn recent verschenen boek De utopie van de vrije markt beschrijft Achterhuis van hoeveel belang de rol is van een andere roman van Rand, De kracht van Atlantis (Atlas Shrugged), voor de ontwikkeling van het neoliberalisme in de Verenigde Staten. Zo is Rand de muze van, onder anderen, Alan Greenspan, de voormalige voorzitter van de FED, de Amerikaanse centrale bank. Achterhuis: ‘Ik leerde het werk van Rand kennen toen ik naar een congres over utopieën in Memphis ging. Een collega vertelde me dat ik De kracht van Atlantis moest lezen als ik geïnteresseerd was in utopieën. We reden samen door een deel van Amerika dat in het boek ook een belangrijke rol speelt. Ik las zijn exemplaar en vond het ontzettend spannend. Op het congres bleken alle Amerikanen met Ayn Rand bezig te zijn; de Europeanen kenden haar nog nauwelijks. De kracht van Atlantis is een belangrijk boek, omdat het een groots opgezet beeld is van een ideale samenleving volgens Rand, gebouwd op sterke individualiteit en autonomie.’

De eeuwige bron is vooral bekend als een boek dat een persoonlijke indruk op mensen maakt, en niet vanwege de politieke of maatschappelijke visie. ‘Het is opvallend hoe vaak mensen het als hun favoriete boek noemen – en zelfs zeggen dat het hun leven heeft veranderd. Een vriendin van me wist zich hele zinnen uit de roman te herinneren jaren nadat ze het boek had gelezen. Ze wist aanvankelijk niet meer wie Rand was, maar tijdens ons gesprek borrelden de herinneringen op, en plots zei ze: “Howard Roark stond naakt op een rots.” Ze had het gelezen in haar studententijd. Iemand als Roark blijft je bij, want hij is helemaal puur en authentiek, hij is compromisloos. Dat is erg aantrekkelijk. En in de jaren zestig en zeventig wilde iedereen natuurlijk authentiek zijn. Het is geen wonder dat dit boek werd gelezen in studentenverenigingen.
Het is ook niet moeilijk om je in het hoofdpersonage Howard Roark te verliezen. Hij is helemaal zichzelf – een getalenteerd architect die wordt gedreven door bezieling; zijn eigen visie is veel belangrijker dan de eisen van de markt. Hij zet zich af tegen de “second handers”, mensen die geen eigen ideeën bezitten, maar anderen nadoen. Zijn individualiteit steekt af tegen de kuddegeest. Dat is ook typisch Rand; zij zette zich als vluchtelinge uit de Sovjet-Unie altijd af tegen elke vorm van collectiviteit. Alles wat het vrije individu inperkt, ziet ze als beklemmend. Roark is haar ideale mens.’

Maar die ideale mens is wel ingevuld vanuit een specifieke kijk, stelt Achterhuis: ‘Howard Roark is een voorbeeld van wat filosofe Hannah Arendt een homo faber, een makende mens, noemt. Arendt beschrijft drie activiteiten, bepalend voor drie sferen van het menselijk bestaan: arbeid, werk en handelen. Arbeid is de laagste activiteit, gericht op levensonderhoud en consumptie. Denk bijvoorbeeld aan koken of poetsen. De producten van de arbeid worden snel verbruikt en verteerd. Daarom heeft arbeid een cyclische structuur: we moeten telkens weer koken en poetsen. Werk is een scheppende activiteit, zoals een timmerman bijvoorbeeld een stoel maakt. Werk is voor Arendt verbonden met planning, beheersing en maakbaarheid. Maar werk geeft ook vorm en bestendigheid aan onze levens, want in tegenstelling tot arbeid zijn de vruchten van het werk wel blijvend. Een huis, bijvoorbeeld, biedt beschutting en een plek om in te wonen, en is niet zomaar “op”. Het type mens dat bij de sfeer van het werk hoort, noemt Arendt homo faber, de makende mens. Als derde activiteit noemt Arendt het handelen, want de mens is voor haar – en dat is ook het belangrijkst – een politiek wezen. Door te spreken en te handelen beweegt de mens zich in het netwerk van menselijke betrekkingen. De mens maakt zichzelf zichtbaar voor zijn medemensen door zijn woorden en zijn daden.’
 

Compromisloos
Dat Roark een ultieme homo faber is, blijkt volgens Achterhuis uit zijn drang om te heersen over de natuur. ‘Het is de ambitie van homo faber om meester te zijn over de natuur. Daar is Arendt heel helder over. Eigenlijk is de natuur voor hem niets anders dan ruw materiaal dat vraagt om bewerking. En dat zie je heel duidelijk terug bij Roark. Wanneer hij op een rots staat, kijkt hij naar een steen en bedenkt hoe hij die kan bewerken. Hij kijkt naar een boom en ziet de balken die hij ervan zou kunnen zagen. Hij stelt zich het ijzer voor dat hij kan smelten van het erts. Alles lijkt klaar te liggen voor hem, wachtend om vorm te krijgen via zijn handen. Nergens denkt hij: wat een mooie natuur.’

Bij de makende mens hoort een specifieke mentaliteit. ‘De homo faber is compromisloos op het irritante af, maar dat is ook aantrekkelijk. Hij gaat helemaal voor wat hij maakt. En alles moet precies zijn zoals hij het heeft ontworpen. In de roman vernietigt Roark een woningbouwproject, omdat hij vindt dat er te veel compromissen zijn gesloten bij de bouw ervan. Op de campus van de Universiteit Twente staat een gebouw, Bastille, ontworpen door architect Piet Blom. Een onmogelijk gebouw, omdat je er altijd in verdwaalt. Maar toen ze het gebouw wilden veranderen, heeft Blom een rechtszaak gevoerd om dat te verhinderen. Dat hoort bij homo faber: zijn ontwerp gaat boven alles. Roark zegt ook dat hij van deze aarde houdt, maar niet zoals die is. Hij wil de aarde opnieuw maken. Daarmee komt Roark in opstand tegen God als de ultieme schepper. God heeft het niet goed gedaan, het moet opnieuw. Niet dat Roark daarmee zelf voor God wil spelen. Hij wil eerder net als Prometheus zijn, die in de Griekse mythe het vuur van de goden steelt om het aan de mensen te geven. Prometheus heeft de technische kennis die mensen in staat stelt om de vijandige natuur te bedwingen. En hij leert mensen de kunst van het smeden – hij staat aan de wieg van de homo faber.’

Wie via de bril van Hannah Arendt naar Howard Roark kijkt, ziet volgens Achterhuis heel duidelijk hoe talent, het vermogen om dingen te maken, het individu verheft boven het onbeduidende. Grootse projecten zijn meeslepend. Dingen kunnen maken is een machtig gevoel. Maar Arendt waarschuwt voor valkuilen. ‘Je ziet ook de mindere kanten van homo faber terug in Roark, zoals zijn onvermogen om relaties te hebben met anderen. Want wie schept, werkt graag alleen. Hij leeft voor zijn doel. Hij heeft anderen niet nodig, behalve als consumenten van de dingen die hij maakt. Een dialoog in De eeuwige bron is veelzeggend. Daarin vertelt Roark aan een vriend dat hij andere mensen nodig heeft, omdat iemand hem nu eenmaal zijn werk moet geven. Meer dan dat is er niet. Hij is een eenzaat. Hij is niet geïnteresseerd in anderen, en evenmin in politiek. Ik las onlangs hoe Leonardo da Vinci en Machiavelli een winter samen hebben doorgebracht, ingesneeuwd in het noorden van Italië. Je denkt dan: twee grote renaissancegeesten bij elkaar, wat moet dat bijzonder zijn geweest. Maar het blijkt dat ze nauwelijks in elkaar geïnteresseerd waren. Leonardo – de kunstenaar, de schepper – en Machiavelli – de politicus, de handelende mens – hadden elkaar bijzonder weinig te zeggen.’ Het vermogen om het heft in eigen handen te nemen en de natuur te beheersen, is natuurlijk aantrekkelijk. Maar Arendt waarschuwt dat deze drang naar beheersing niet alle aspecten van het menselijk leven moet overnemen, want in de politiek bijvoorbeeld is totale maakbaarheid gevaarlijk.
 

Niet realistisch
Achterhuis: ‘In De eeuwige bron draait het niet alleen om beheersing, maar vooral om vrijheid en authenticiteit. Rand verbindt de homo faber met het romantische ideaal bij uitstek: jezelf zijn. En dat spreekt ons aan. Een kunstwerk van je eigen leven maken, daarin ontmoet de homo faber het romantische ideaal van authenticiteit.

Natuurlijk is dat een ideaalbeeld en dus niet realistisch. Wij kunnen niet leven als
Howard Roark. Het is ons mensen niet gegeven om helemaal authentiek te zijn. Maar toch. Een bevriende kunstenares vertelde me dat zij onderschrijft dat zuivere authenticiteit onbereikbaar is, maar ze zou geen kunst kunnen maken als ze niet toch probeerde iets authentieks te scheppen. Dat is de belofte van De eeuwige bron: we willen graag geloven dat het mogelijk is om zonder compromissen leven, en helemaal jezelf zijn. Wanneer ik het lees, kan ik er, zolang ik in het verhaal zit, ook in geloven. Misschien ben ik ergens toch een romanticus.’