Home Niet-westerse filosofie Henk Oosterling: ‘Glimlach eens als je woedend bent’
Niet-westerse filosofie Waanzin

Henk Oosterling: ‘Glimlach eens als je woedend bent’

Door Nele Goutier op 31 januari 2017

Henk Oosterling: ‘Glimlach eens als je woedend bent’
Cover van 02-2017
02-2017 Filosofie magazine Lees het magazine

Woede roept al snel een negatieve associatie op. Ten onrechte, vindt Henk Oosterling, die betoogt dat woede niet per definitie slecht of goed is. De oosterse filosofie leert ons dat woede constructieve energie kan opleveren.

Wat woede kan doen, ontdekte Henk Oosterling al op jonge leeftijd. Toen zijn moeder de hoofdonderwijzeres op de basisschool vroeg of haar zoon naar het gymnasium zou kunnen, was haar antwoord: ‘Uw soort gaat niet naar het gymnasium.’ ‘Mijn zucht naar erkenning is daardoor heel groot’, vertelt Oosterling. ‘Ik wil mezelf altijd bewijzen. En dat heeft veel opgeleverd: boeken, projecten zoals Rotterdam Vakmanstad. Zo kun je woede transformeren naar iets positiefs.’ 

We zitten in het Rotterdamse appartement van de filosoof – kendozwaarden aan de muur en schuifdeuren van hout en papier. Als ik het uitzicht op de Erasmusbrug wegdenk, waan ik me even in Japan. Onder het genot van een Hollands stukje boterstaaf praat ik met de voormalig kendokampioen en universitair hoofddocent filosofie (Erasmus Universiteit) over woede in het Westen en Oosten.

Fotografie: Bram Budel

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Voor we dat kunnen doen, moeten we vaststellen wat woede eigenlijk is, vindt Oosterling. ‘Dan zeg ik: het is een gemoedstoestand die groter is dan het ik. Anders zou het een emotie zijn, maar dat is het niet. Het is niet puur iets in jou, maar juist iets dat mensen verbindt. Een affect dat jou op een bepaalde manier situeert in het relationele veld.
 

Woede ontstaat als er iets is buiten onszelf dat niet aan onze verwachtingen voldoet’, gaat Oosterling verder. ‘En – heel belangrijk – woede heeft iets waardoor je in het geweer komt. We zijn geneigd woede als iets negatiefs te zien, maar het kan een heel positieve aandrift zijn. Woede mobiliseert. Ik zie het als energie die je tot daden aanzet, die je helpt recht te zetten wat kromgetrokken is.’

Maar het pakt natuurlijk niet altijd goed uit. Wat ziet u als u om u heen kijkt? 
‘Je ziet veel politieke woede op dit moment. Ik denk dat die alles te maken heeft met ons verwachtingspatroon. We hebben bepaalde opvattingen over fundamentele behoeften. De grote vraag is of die wel zo terecht zijn. Dat jij van Amsterdam naar Rotterdam bent gekomen met de trein lijkt zo vanzelfsprekend als wat. Dat je even belde omdat je trein vertraagd was ook. Dat is een vorm van rijkdom die is ingedaald in onze cultuur. 

Paradoxaal genoeg kan rijkdom voelen als armoede wanneer je verwachtingen stijgen. We zien onze rijkdom niet meer en raken gefixeerd op wat we niet hebben. Onze woede is symptomatisch voor een gefrustreerd welvaartsniveau dat we bang zijn te verliezen. Ons welvaartsniveau is tot het uiterste gegaan. Veel verder dan hier komen we niet, dat heeft iedereen nu wel door. Eigenlijk zijn we het meest boos op onszelf. Er is iets gebeurd dat over de top was – de industriële revolutie en de effecten ervan – en we willen er geen verantwoordelijkheid voor nemen. We willen het niet zien. Uiteindelijk kun je die woede terugvoeren op een blinde vlek.’

Hoe kunnen we ervoor zorgen dat die woede toch positief uitpakt?  
‘Als je het filosofisch bekijkt, is woede in eerste instantie een symptoom van een frustratie die je ergens hebt opgedaan en die je niet verwerkt hebt. Die hoopt zich op en gaat zich hechten aan één specifieke zaak. Woede vraagt daarom altijd om zelfreflectie. Je moet kijken waar je woede vandaan komt. Dat is heel paradoxaal, want als je eenmaal woedend bent, zul je jezelf die vraag niet snel stellen. Je moet het voor zijn. 

In de oosterse benadering is het idee: accepteer je woede. Probeer die niet weg te drukken – dan kwadrateer je het probleem alleen maar –, maar laat de woede je ook niet opslokken. Oosterlingen gaan in dat middengebied zitten. Dat is een belangrijke term voor mij. Daar ontsluit zich iets dat we inter-esse noemen. Daarin accepteer je dat je gevoel er is en dat het ook van jou is, zonder dat je erin meegaat. Inter-esse betekent letterlijk: “het zijn van het midden.” Het tussen-zijn. Vanuit die positie doe je iets met je woede zonder die tot een emotie te maken. Je probeert het ego op een andere manier te laten resoneren met je woede. 

Fotografie: Bram Budel

Seneca schrijft trouwens net zoiets. Glimlach eens als je woedend bent, zegt hij, en kijk dan eens wat er gebeurt. Dat is heel merkwaardig, want je kunt alleen maar glimlachen als je heel even een fractie van distantie neemt. Dat is al de eerste stap in de richting van inter-esse. Als je samenvalt met je woede kom je daar niet.

Maar dan ben je er nog niet. Als je woede wilt omzetten in productieve energie, dan móét je die delen. Je moet er iets mee doen, niet blijven hangen op je eilandje waar jij je misschien wel prettig voelt. Natuurlijk pakt het delen van woede niet per definitie goed uit. In nazi-Duitsland werd ongetwijfeld ook veel woede gedeeld. Omdat woede twee kanten op kan – die kan destructieve en constructieve energie opleveren – is het belangrijk om continu te reflecteren op je eigen woede én op het delen ervan. Dat is mogelijk in dat middengebied.’

Hoe kom je daar?   
‘Boeddhisten komen daar door te mediteren en ademhalingsoefeningen te doen. Bij Rotterdam Vakmanstad beginnen we de filosofielessen ook met een meditatie in de hoop dat we een bepaalde openheid creëren bij kinderen. Doordat ze even stilstaan, leren we ze hun frustraties te herkennen en erkennen voordat ze erdoor worden meegesleurd. 

Vechtsporten als aikido en judo zijn ook een goede oefening. Het werkt niet als je gaat judoën terwijl je woedend bent. Dan ben je alleen bezig met je eigen ontlading. Je raakt gefixeerd, onoplettend, en voor je het weet lig je op je rug. Als je tegenover iemand staat en denkt: o, die dwerg heb ik zo plat, werkt dat ook niet. Je verwachtingspatroon nekt je. Sporten als judo en aikido zijn erop gericht om zo’n ontvankelijkheid te creëren dat je in een volstrekte alertheid kunt reageren, ter plekke, vanuit een open houding. Je moet je woede weten te doseren en omzetten in alertheid.’ 

Woede lijkt voor een belangrijk deel cultureel bepaald. Wat is de invloed van oosterse filosofie op woede in Japan? 
‘Als we stellen dat woede ontstaat op het moment dat jij het gevoel hebt dat je onrecht aangedaan wordt, dan betekent dat 1) dat er een gekwetst ego is, en 2) dat er iemand moet zijn die in actie komt om de boel te veranderen. In het boeddhisme zijn die twee dingen er niet. Ze zíjn er wel – ook boeddhisten zijn mensen met handen en voeten die een alledaags leven leiden –, maar het ego en het individu zijn er niet als funderende instanties. In Japan is de gemeenschapszin primair; het ego wordt ingewebd. Heel anders dan bij ons dus; hier heeft de gemeenschapszin plaatsgemaakt voor emancipatoir individualisme. Wij worden geacht ons kritisch te verhouden tot de groep. Dan krijg je dat gevoel van onrecht algauw. 

In Japan is de harmonie van de groep juist de maatstaf voor zelfreflectie. Zelfrespect betekent: je helemaal overleveren aan de vormen die de groep bijeenhouden. Natuurlijk bestaat er woede, maar als individuele aandrift die jou positioneert ten aanzien van de groep zie je dat daar veel minder.’

Wat kunnen wij daarvan leren? 
‘Dat opgepepte ego van ons kan wel wat minder. Wat je nu vaak ziet, is dat oosterse technieken gebruikt worden om ons ego nog wat meer te strelen. Mindfulness en meditatietechnieken worden vaak gebruikt om je helemaal terug te trekken. Dan vind ik het niet interessant meer. 

Er zijn eigenlijk twee punten waarop het mis kan gaan met woede. Je kunt je er volledig in laten meeslepen; dan pakt het vaak destructief uit. Dat kun je opvangen door je woede te observeren en accepteren. Doordat je afstand neemt, kun je zorgen dat je woede je niet opslokt. Maar vervolgens is er het risico dat je zelfgenoegzaam blijft zitten op je eigen eilandje, dat je die houding alleen aanneemt om je zelf prettig te voelen. Dan investeer je enkel in jezelf, zonder de energie van de woede relationeel in te zetten. Dat is een van de belangrijkste kritieken van Slavoj Žižek op het neoboeddhisme.  

Maar in mijn boek Waar geen wil is, is een weg laat ik zien dat dit wel degelijk politiek kan zijn. Thich Nhat Hanh bijvoorbeeld – een Vietnamese monnik en geleerde die nu in Frankrijk werkt – gaat de wereld in en vindt dat er dingen gedaan moeten worden. De Tibetaanse Shambhala-boeddhisten doen dat ook. Zij tonen hoe je woede kunt opvangen vanuit inter-esse én die vervolgens als constructieve energie kunt inzetten. Dan wordt het interessant. Rotterdam Vakmanstad vertaalt dat door naar schoolprogramma’s. Want daar moet je beginnen, wil je iets bereiken.’