In haar inmiddels klassieke tekst, De lach van de Medusa, plaatst de Franse denker, schrijfster en feministe Hélène Cixous (1937) de Medusa in het centrum van haar argument over de kracht van ‘vrouwelijk schrijven’. In het centrum, maar grotendeels onzichtbaar. Want Cixous’ tekst, die Medusa – of, om precies te zijn, haar lach – als leidraad neemt, gaat niet in op de rol of het verhaal van deze gekwelde vrouw uit de Griekse mythologie. Medusa is aanwezig, maar ze zwijgt.
In het veelzijdige oeuvre van Cixous – dat, sinds haar eerste boek, Le prénom de Dieu uit 1967, uit bijna negentig boeken bestaat, waaronder wetenschappelijk werk, autobiografische romans, toneelstukken en essays – is De lach van de Medusa de tekst met de meeste, of de meest diepklinkende, echo’s. Cixous publiceerde dit manifest in 1975, een onstuimige tijd aan de Franse universiteiten en binnen het feminisme; een periode die zij zelf een ’tussentijd’ noemde, toen alles – in politieke en maatschappelijke zin, maar ook binnen de theorie en wetenschap – werd bevraagd. In 1976 verscheen de Engelse vertaling en sindsdien is het manifest niet meer weg te denken uit de culturele en feministische kritiek. Medusa’s lach – ik stel me een hoge, volle klank voor, met een scherp randje – reist, raast en vliegt door de tijd.
Cixous’ manifest ontstond uit haar bewustzijn dat zij, als vrouw en hoogleraar in de academische wereld, een uitzondering was. ‘De vrouwen in mijn familie waren sterk,’ zei ze hier later over. ‘Zij waren het fundament van hun gezin. En in Frankrijk realiseerde ik me plotseling dat de wereld in tweeën was gesplitst en geregeerd werd door pretentieuze idioten die deden alsof ze hoogleraren waren. Toen wist ik dat het ontmantelen van de fallocratie de belangrijkste strijd zou worden.’ Dat niet alleen – Cixous moest zich, in intellectueel, theoretisch en taalkundig opzicht, steeds verhouden tot een taal die al eeuwenlang de mannelijke stem en visie als uitgangspunt nam (net zoals in de medische wetenschap het mannelijk lichaam ook nog steeds als uitgangspunt wordt genomen, waardoor veel andere lichamen, met hun eigen, kenmerkende realiteiten, onzichtbaar blijven). Een beklemmende en uitsluitende taal, waarin het niet mogelijk was om de levens of ervaringen van vrouwen en anderen die niet in het domein van het mannelijk passen, goed, of überhaupt, weer te geven.
Die uitwissing – het continue risico onzichtbaar, of erger nog, dood te worden gemaakt door het patriarchaat – speelt een centrale rol in het manifest. Maar eerst, zodat we haar echo’s goed kunnen horen – echo’s die door de tekst dwalen als stille wegwijzers – is daar het verhaal van Medusa, de vrouw die ‘zeer befaamd was om haar schoonheid’ en eindigde als banneling. Volgens de vertelling van Ovidius in Metamorfosen wordt Medusa verkracht door Neptunus in de tempel van de godin Minerva waarop Minerva, voor deze schaamteloze daad, haar strafte door haar lange, golvende haar in slangen te veranderen en haar te verbannen naar de uiterste marges van de maatschappij. Alsof dat niet bestraffend genoeg was, wordt ze onthoofd door Perseus, die haar ontlichaamde, angstaanjagende hoofd gebruikt om vijanden te verjagen (die in steen veranderen als ze haar aankijken). Medusa wordt – zoals later de ‘vrouw’ van Simone de Beauvoir – tot monster gemaakt.
Dit is een bewerkt fragment uit de inleiding van Ilse Josepha Lazaroms bij het boek De lach van de Medusa van Hélène Cixous, dat op 15 mei 2026 is verschenen bij Athenaeum.
De lach van de Medusa
Hélène Cixous
vert. Christa Stevens, inl. Ilse Josepha Lazaroms
Athenaeum
72 blz.
€ 15,-

