Home De stad Goed leven in de moderne stad
De stad

Goed leven in de moderne stad

Door Ivana Ivkovic op 31 maart 2008

03-2008 Filosofie magazine Lees het magazine

De stad markeert een sprong die de mensheid heeft gemaakt toen ze de barbarij achter zich liet en de beschaving ontdekte. De stad is de plek waar mensen elkaar treffen, spreken en tegenspreken – het hart van het goede leven en de democratie. Maar tegenwoordig word je in de binnenstad meer als consument aangesproken, dan als burger. Staat het goede leven onder druk?

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

‘Het platteland hoort donker te zijn. Onder dit motto trekken eind oktober 2005 meer dan tienduizend mensen in de nachtelijke uren naar de donkere plekken buiten de stad om daar het duister te beleven. Duisternis is immers een van de oerwaarden, goed voor mens en natuur’. Zo opent een onlangs verschenen essay van het Sociaal en Cultureel Planbureau, waarin een onderzoek wordt gepresenteerd naar datgene wat de stedelingen in het platteland waarderen. De stedeling trekt naar het platteland als een ware duisternistoerist, om ruimte en stilte te beleven. Weg van het tumult van de stad, ver van de dagelijkse perikelen, voorbij de waan van de dag, omhuld door de baarmoederlijke donkerte, komt de stedeling tot zichzelf en voelt zich – al is het maar voor één nacht in zijn drukke bestaan – één met het heelal.

Het romantische verlangen om de stad te ontvluchten op zoek naar authenticiteit en een meer zuiver, ongeschonden bestaan, heeft blijkbaar nog niets aan kracht ingeboet. Oorspronkelijk was dit verlangen een reactie op de modernisering aan het einde van de achttiende eeuw: industrialisering en massaproductie deden de steden explosief groeien. De steden en ‘het moderne leven’ dat zij vertegenwoordigen, stonden voor de vernietiging van de traditie, en werden gezien als een bedreiging van alles wat oorspronkelijk, eerlijk en authentiek is. Door de industrialisering werden steden symbool van de mechanisering van het leven: zij zijn ontzielend. Ze zijn de plaatsen van het grootkapitaal, materialistisch en niet spiritueel. Het echte leven, het goede leven lag in de belevenis van de stedeling elders, buiten, weg van de stad.
 

Huishouden en economie

Het idee dat het goede leven zich juist buiten de stad zou bevinden staat in schril contrast met de opvatting van Aristoteles: juist door te leven in een stad, een polis, kan de mens een goed en volwaardig leven leiden. De mens leeft niet alleen, maar samen met anderen, schrijft Aristoteles, anders zou hij een beest of een god zijn. Maar de stad is er niet alleen omdat we anderen nodig hebben om te overleven, of omdat deze in een behoefte voorziet. Zolang we over de behoeftes spreken, hebben we het nog steeds over het óverleven. De stad bestaat niet omwille van het (over)leven, maar omwille van het góede leven, aldus Aristoteles. Een goed leven is alleen in een stad, een polis, mogelijk. De stad – zo wil de intuïtie van de Grieken – is een plek waar iets dat aan de mens ten diepste eigen is, pas volledig tot zijn recht kan komen, waar de mens pas volwaardig mens kan zijn. De stad markeert een sprong die de mensheid heeft gemaakt toen ze de barbarij achter zich liet en de beschaving ontdekte. Waar bestaat dat goede leven dan in? Voor Aristoteles is het goede leven een leven waarin de mens zijn capaciteiten ten volle kan ontplooien. Het goede leven is ‘ten volle’ leven. Daarvoor moet je je – welgesteld en goed opgeleid, gewapend met moed maar ook met prudentie – in de maalstroom van het publieke leven wagen. De mens kan iets voor de gemeenschap betekenen, hij kan zijn sporen in de geschiedenis nalaten, en daarmee eer en, wie weet, zelfs onsterfelijke roem behalen.

Ook de filosofe Hannah Arendt (1906-1975) beschouwt dit leven in de gemeenschap als hoogste vorm van leven. Zij bekritiseerde fel het in de filosofische traditie gebruikelijke voortrekken van het beschouwelijk leven – vita contemplativa – ten opzichte en ten koste van het actieve, publieke leven – vita activa. Arendt houdt een hartstochtelijk pleidooi voor het belang van leven en handelen in de ‘publieke sfeer’, dat pas in de stad een gestalte krijgt. Het publieke leven is niet alleen van het grootste belang voor de vitaliteit van de gemeenschap, het is ook belangrijk voor het individu. Arendt verbindt het publieke leven niet alleen met het goede leven, maar ook met vrijheid. De mens vindt zijn vrijheid alleen door zich te begeven in de publieke ruimte, waarin een veelheid van mensen elkaar ontmoet, elkaar spreekt en weerspreekt en zich inzet voor hun gemeenschap. Alleen daarin ontsnapt de mens aan het leven dat in een teken staat van de noodzakelijkheden van het huishouden en de economie. Thuis ben je privé – gericht op eten, werken, geld verdienen, slapen. Het dwingende ritme van het overleven. Maar het werkelijke leven is elders, aldus Arendt. Dat is het publieke leven, in de gemeenschap waarin je wordt aangesproken als burger. En net als bij Aristoteles, zou het leven in de stad meer dan overleven moeten bieden. Maar Arendt constateert ook dat onder sociale en economische omstandigheden van de moderne stad deze dimensie verloren dreigt te raken.
 

Schreeuwerige reclameborden

Is de moderne stad, zoals wij die kennen, nog altijd dat oord van het goede leven? In de lijn van Arendt kunnen we stellen dat de bedrijvigheid van de grote stad gericht is op commercie en consumptie: winkels, shoppingcentra, schreeuwerige reclameborden. De stedeling wordt in de binnenstad meer als consument aangesproken dan als burger. Het leven in de gemeenschap lijkt plaats te hebben gemaakt voor het langs-elkaar-leven, een leven van anonimiteit, haast, minding your own business. Moeten we ons dan meer zorgen maken over de toekomst van de moderne metropolis? Misschien. Maar we moeten er zeker niet aan voorbijgaan dat een afstand van eeuwen de moderne metropool van de antieke polis scheidt, en dat het misschien mogelijk is om het goede leven langs andere wegen te vinden.

Het is niet eenvoudig om de aard van de moderne stad in woorden te vatten. Niet alleen omdat de moderne stad vele facetten en vele gezichten heeft – er is misschien een historisch centrum, winkelstraten, louche steegjes en daarbuiten de slaapsteden en de kantoortuinen. Hoe deze zo diverse plekken onder één noemer te scharen: Amsterdam, of Londen, of Parijs? Het probleem is niet alleen dat de moderne stad te divers en veelvormig is om nog een identiteit te hebben. Er is iets ongrijpbaars in de moderne stad, dat dieper verborgen ligt. De Groningse filosoof René Boomkens beschrijft in zijn Een drempelwereld. Moderne ervaring en stedelijke openbaarheid de ‘moderne ervaring’ die Franse dichters zoals Baudelaire en Rimbaud onder woorden probeerden te brengen. Dit is vooral een ervaring van aankomst, schrijft Boomkens, ‘de aankomst van de migrant of de provinciaal in een totaal nieuwe wereld: de stad, de ongekend nieuwe, onoverzichtelijke, snelle, labyrintische werkelijkheid van een op vluchtigheid en toeval gestoeld bestaan dat in niets deed denken aan de wereld die was achtergelaten. Een nieuwe werkelijkheid vol onvoorziene kansen, maar ook vol dreigingen, die zo pertinent waren dat het leven dat de migrant achter zich heeft gelaten, vrijwel onmiddellijk betekenisloos en al te klein scheen.’ Die moderne ervaring van het leven in een grote stad is een ervaring van het vluchtige, voorbijgaande en toevallige.

Wie als een stedeling opgegroeid is, zou deze beschrijving van grootstedelijkheid misschien wel overtrokken vinden. Maar het is niet toevallig dat de confrontatie met de stad juist in de migrant haar symbool vindt. Ontdaan van de beschermende lagen van zijn familie, vrienden, zijn baan, zijn stamkroeg, van alles wat het leven in de stad ook knus en aangenaam kan maken, staat hij naakt oog in oog met een veelkoppig monster. Geen wonder dat hij zich nietig voelt. Net zoals bij de Grieken de stad een plek is waar de menselijke conditie pas volledig tot zijn recht komt, lijkt de moderne stad een plek te zijn waar we ten volle, frontaal, worden geconfronteerd met het moderne bestaan: geld, roem, seks, verleden, geweld en schoonheid. Allemaal tegelijk, allemaal in één straatbeeld. En deze confrontatie is fascinerend en verpletterend tegelijkertijd. Je kunt er verliefd op worden, of er bang van worden, maar niet onaangedaan blijven. Het probleem is: je kunt er niet in wonen.

Ontheemding

Hoe om te gaan met dit gevoel van ontheemding dat in het hart van de moderne stad schuilt? Een eerste impuls is om te proberen de stad terug te veroveren, om een nieuw gevoel van gemeenschappelijkheid te kweken, dat de stad een humaan gezicht zou moeten geven. De impuls is om te proberen om de stad te beheersen, de onstuimigheid te reguleren. Maar op die manier proberen we de oude Griekse polis in ere te herstellen en miskennen we precies het karakter van de moderne, onoverzichtelijke stad. In plaats van terug te verlangen naar het oude Athene is een meer bescheiden ambitie beter op zijn plaats. We kunnen op z’n best een klein stukje aan de stad ontfutselen dat vertrouwd en leefbaar is. We kunnen een niche creëren, een manier om verlichting, afleiding, veiligheid of geborgenheid op te zoeken. Om ook in de stad, weg van de stad te zijn. Een eigen stad-in-de-stad. Misschien is de kunst om in de moderne stad niet zoals bij de Grieken ‘ten volle’ te leven, maar juist is het juist de kunst om níet ten volle te leven, om de mogelijkheden te beperken. Voor de een kan winkelen een welkome afleiding brengen, voor de ander kan de strategie zijn om zich terug te trekken in zijn huiselijkheid – of in zijn ‘eigen kring’. We moeten dit eerder zien als een ‘leefbaarheidsstrategie’, dan als een teken van onwil om met anderen samen te leven of een gebrek aan politiek bewustzijn. Zich terugtrekken is niet hetzelfde als proberen te ontsnappen. Het is slechts tijdelijk schuilen om op adem te komen. Het goede leven van de moderne stedeling speelt zich niet louter in het publieke domein af, maar in een soort tussenruimte tussen publiek en privé, tussen de confrontatie met de stad en de volgende schuilplaats en vice versa. Als we deze kunst leren beheersen, hoeven we niet langer de duisternis buiten de stad op te zoeken, en kunnen we gewoon van de stadslichten genieten.

Relevante berichten

Georg Simmel en Kaapverdiaanse muziek onthullen de absurditeit van de moderne stad
Georg Simmel en Kaapverdiaanse muziek onthullen de absurditeit van de moderne stad
De stad
Voor leden

Georg Simmel en Kaapverdiaanse muziek onthullen de absurditeit van de moderne stad

‘Wat ik zo verbazingwekkend vond is dat het een kilometer van mijn huis af plaatsvond, en dat het me compleet was ontgaan.’ Socioloog Pauwke Berkers vertelt wat Georg Simmel en Kaapverdiaanse muziek onthullen over de absurditeit van de moderne stad. Wanneer ik ’s ochtends in de trein richting het interview… Read More

Lees meer
In Memoriam: Benjamin Barber (2 augustus 1939 – 24 april 2017)
In Memoriam: Benjamin Barber (2 augustus 1939 – 24 april 2017)
De stad
Voor leden

In Memoriam: Benjamin Barber (2 augustus 1939 – 24 april 2017)

Benjamin Barber zette zich tot aan zijn dood in voor zijn missie: steden moesten het voor het zeggen krijgen. Hij schreef er een boek over, en hij bleef de wereld rondreizen om burgemeesters te spreken. Dat was nu echt een grotestadsdeal’, zei Benjamin Barber toen hij in 2013, voor… Read More

Lees meer
‘Hier kun je jezelf zijn’
‘Hier kun je jezelf zijn’
De stad
Voor leden

‘Hier kun je jezelf zijn’

Nele Goutier bezoekt de Haverleij. Waarom wonen mensen in imitatiekastelen, vraagt ze zich af. Is het een vlucht uit de samenleving? Of zoeken mensen naar een betere wereld? Een bewoner formuleert het zo: ‘Het draait hier niet om uiterlijk vertoon, presteren of status.’   Kasteel Leliënhuyze is niet te… Read More

Lees meer
De stad
Voor leden

Domweg tevreden in een rijtjeshuis

Stedelingen kijken vaak neer op nieuwbouwwijken. Maar waarom eigenlijk, vraagt Pieter Hoexum zich af. Hij woont zelf al jaren tevreden in een rijtjeshuis. Gerrit Komrij schreef in de jaren tachtig een aantal boze stukken tegen de Nederlandse architectuur. Hij vreesde een ‘verpurmerending’ van Nederland, waarbij anonieme nieuwbouwwijken de overhand… Read More

Lees meer