Home Een goede naam houdt ons op het rechte pad

Een goede naam houdt ons op het rechte pad

Door Sebastien Valkenburg op 17 februari 2009

02-2009 Filosofie magazine Lees het magazine

De weg naar geluk en succes is lang en gevaarlijk; ondeugden als luiheid en ijdelheid proberen je voortdurend van het pad te laten afwijken. De zeventiende-eeuwse denker Baltasar Gracián beschreef hoe je dat kunt voorkomen: wees voorzichtig en denk aan je goede naam.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

‘Wat kan een leven brengen dat begint onder het gegil van de moeder die het schenkt en het gehuil van het kind dat het ontvangt?’ Dit sombere beeld, die rake formulering. Dat moet de Duitse aartspessimist Arthur Schopenhauer zijn. Mis! Hier is Baltasar Gracián aan het woord, een Spaanse denker uit de zeventiende eeuw, twee eeuwen voor Schopenhauer, wiens hoofdwerk De criticon recent is vertaald in het Nederlands. Gezien zijn visie op het bestaan mag het geen verbazing wekken dat Schopenhauer tot zijn grootste bewonderaars behoorde. Hij riep hem zelfs uit tot ‘gids voor het leven’. Minstens zo genereus in zijn lofprijzingen was Friedrich Nietzsche, die zijn werk zelfs een van de hoogtepunten van de Europese cultuur noemde.

Deze lofzangen ten spijt is Gracián relatief onbekend bij het grote publiek. Daarom: wie was Baltasar Gracián? Hij studeerde bij de jezuïeten, bij wie hij zich na zijn theologische opleiding aansloot. De verhouding met zijn broodheren zou echter zijn leven lang problematisch blijven. Ze waren not amused toen in 1651 het eerste deel verscheen van De criticon, wat zoiets betekent als ‘de criticaster’. Ondanks reprimandes liet hij in de jaren erop toch de delen twee en drie verschijnen. Voor straf werd hij verbannen naar Graus, een stadje in de Pyreneeën. Zónder inkt, pen en papier.

Een plot heeft zijn magnum opus nauwelijks. We volgen de twee hoofdfiguren, Critilo (het alter ego van de auteur) en Adrenio, terwijl ze de meest bizarre oorden bezoeken en een lange stoet vreemde schepselen ontmoeten. Vrouwe Fortuna is een bekende. Maar verder passeren de revue: de dames Leugen en Politiek, de gezusters Vleierij en Boosaardigheid, en de Deugd en de Ondeugd. De helden belanden in het Waardeoord, de Deugd- en Eergewesten en ‘de uitgestrekte koninkrijken Succes en Leiderschap’. Voor het geval de lezer van De criticon het nog niet doorhad, zet de naamgeving in het boek hem op het juiste spoor: hij heeft een allegorische roman in handen. De queeste die het tweetal aflegt verbeeldt het pad naar het geluk.

En dat pad is lang, kronkelig en vol valkuilen. Het geluk ligt niet voor het oprapen, daarvoor moet gewerkt worden. Want hoewel de protagonisten niet moe worden de weelde en de harmonie in de natuur te prijzen, is die niet perfect. Daar ligt een schone taak voor de mens: hij moet de natuur vervolmaken via de kunst. ‘Haar verdienste is dat zij aan de eerste wereld een tweede toevoegt, die gepolijst is; zij vult gewoonlijk aan wat de natuur heeft veronachtzaamd, en volmaakt haar in alles: zonder ingrepen van de kunst zou zij ruw en onbeschaafd zijn.’ Gracián doelt hier niet alleen op de creatie van muziek en schilderijen, die de scherpe kantjes van het bestaan afhalen. Onze innerlijke natuur vraagt net zo goed om beschaving. Het is daar namelijk een drukte van jewelste: verschillende hartstochten strijden om voorrang en tal van ondeugden staan klaar om toe te slaan. We lopen permanent het gevaar te worden overrompeld. Hoe overeind te blijven? De criticon is één lange toelichting op die vraag.

Zwemdiploma
Werkelijk mens worden, daar draait het allemaal om. En dat is niet eenvoudig. Bijna 700 pagina’s heeft Gracián ervoor nodig alle waarschuwingen, tips, en inzichten bijeen te brengen, die alleen al de moeite van het lezen waard zijn vanwege de weelderige taal. Maar denk nu niet dat zijn boek slechts een verzameling tegeltjeswijsheden is. Er ligt een heuse filosofie aan ten grondslag. Zijn mensvisie, en de vertolking daarvan, had zo uit de Heidelbergse Catechismus kunnen komen, de oertekst van het conservatisme. Mensen zijn geneigd tot het kwade, laat Gracián zijn alter ego Critilo zeggen. Het is veel gemakkelijker gehoor te geven aan onze hartstochten dan er weerstand aan te bieden. Zonden als ijdelheid, gierigheid en leugenachtigheid zijn zo begaan; ze voorkomen is veel moeilijker.

Gezien zijn theologische achtergrond zou een pleidooi voor een ascetisch bestaan niet bevreemden. Zweer af wat ons bedreigt. Veel auteurs hebben deze strategie bepleit, zeker in de kringen waarin Gracián verkeerde. Toch zweemt De criticon daar zelfs niet naar. Hoewel het boek omstandig waarschuwt voor de ontwrichtende werking van onze passies, is er tegelijk het besef dat we niet zonder kunnen. Halverwege het boek wijst het Verstand erop dat ‘alle hartstochten een bepaalde speelruimte is vergund, een plaats waar de aan banden gelegde natuur een zekere vrijheid bezit’. Een totaalverbod zou rampzalig zijn. Zonder de wellust zou er bijvoorbeeld niet meer getrouwd worden. Hetzelfde geldt voor de afgunst: de volslagen afwezigheid daarvan zou ertoe leiden dat we ons niet langer proberen te onderscheiden van anderen.

Het is de kunst onze hartstochten te doseren. Hoe doen we dat? Met behulp van de rede. Die biedt ons inzicht in de deugden, die er tezamen voor zorgen dat passies niet ontaarden. Gracián noemt er verschillende, maar de belangrijkste deugd (‘de koningin’) is voorzichtigheid. ‘Zij had een kostbare kroon in haar handen met het motto: Voor degene die de gulden middenweg kiest.’ Deze woorden herinneren aan Aristoteles, die het juiste midden als hoeksteen van zijn Ethica Nicomachea beschouwde. Het zoeken naar het juiste midden wordt vaak opgevat als een simpel pleidooi voor matigheid. Zo lijkt deze deugdenethiek ons op te leiden tot middelmatige mensen die de luwte opzoeken. Zachtjes aan, dan breekt het lijntje niet. Zo bedoelde Aristoteles het nu net niet. Het midden sluit heroïsche deugden als moed niet uit. Integendeel, het is er een voorwaarde voor. Van de ene kant wordt moed bedreigd door lafheid, maar roekeloosheid is een even groot gevaar. Daar ergens tussenin, ofwel: in het midden ervan, ligt moed. En de invulling daarvan verschilt per situatie. In het water springen om een kind te redden is moedig. Als je niet kunt zwemmen, getuigt diezelfde daad van roekeloosheid.

Handorakel
Gracián heeft uitgebreid gewinkeld bij andere denkers. Het meest origineel is hij wanneer hij spreekt over hoe we succesvol zijn in de wereld. Hoe word je man van de wereld? Al in 1647 had hij hierover een etiquette in zakformaat geschreven: Handorakel en de kunst van de voorzichtigheid. De tips die in dit kleinood staan verweeft hij met de avonturen in zijn hoofdwerk. Halverwege hun queeste stuiten Critilo en Adrenio op een vrouw die ‘was omringd door beginnelingen op de school van het leven’. Wees je er voortdurend van bewust hoe je overkomst, drukt ze hun op het hart. ‘Jullie moeten ervoor zorgen dat jullie een goede reputatie verwerven en die onderhouden.’

Deze focus op de uiterlijke schijn, neigt dat niet naar een aansporing tot ijdelheid, nota bene een van de zeven hoofdzonden? Hoe valt dat te rijmen met Graciáns oproep tot verzet tegen zulke neigingen? Is hier sprake van een paradox? Dat is precies het juiste woord: een paradox, ofwel of een schijntegenstelling. Als we beter kijken naar de twee uitersten van de paradox (de bekommernis om een goede naam versus de waarschuwing voor gedweep met jezelf), blijkt het met de onverenigbaarheid ervan mee te vallen. Ga maar na hoe een goede naam tot stand komt. Niet door eindeloos te turen in een spiegel en onszelf eindeloos te verwennen. In plaats daarvan worden we gedreven door de vrees voor een onverwachte gast, te weten Qué Dirán (‘wat-zal-men-zeggen?’). We houden goed in de gaten of en hoe we worden gezien. Zo verdisconteren we andermans mogelijke oordeel in ons gedrag. Natuurlijk kan deze vraag een obsessie worden, wat leidt tot een gebrek aan eigen overtuigingen. Maar over het geheel genomen is het heilzaam te beseffen dat ons de maat wordt genomen.

De waarde van dit mechanisme wordt pas goed duidelijk als we ons voorstellen dat het er niet meer zou zijn. In de loop van De criticon wordt Qué Dirán weggejaagd uit de samenleving. Met rampzalige gevolgen. ‘Onmiddellijk daarna was het afgelopen met alle schaamtegevoelens.’ En zonder het vermogen tot gêne is ook de scherprechter verdwenen tussen goed gedrag en wangedrag. Plots kan alles. Onze handelingen zijn niet langer verbonden met de blik van andere mensen. Zo blijkt schaamte – maar ook andere emoties als eerbesef – een effectief middel om ons in het gareel te houden. Met nobele motieven hebben deze ethische bespiegelingen weinig van doen. Gracián is geen Immanuel Kant, die vond dat een handeling het predikaat ‘goed’ pas verdiende als die voortkwam uit een goede wil. Daar staat tegenover dat de nuchterheid van zijn observaties de bruikbaarheid ervan geweldig ten goede komt. Voor het alledaagse leven geldt: liever Gracián dan Kant.