Home Bewustzijn ‘Descartes laat je nadenken over de manier waarop je denkt’
Bewustzijn

‘Descartes laat je nadenken over de manier waarop je denkt’

René Descartes is een wetenschappelijk denker die wilde weten hoe het denken werkt, zegt hoogleraar Han van Ruler.

Door Lianne Tijhaar op 27 mei 2022

‘Descartes laat je nadenken over de manier waarop je denkt’ Uitsnede uit een digitale reconstructie door Thijs Wolzak en Norbert Middelkoop van De anatomische les van Dr. Deijman, een schilderij van Rembrandt uit 1656. Het origineel ging ­grotendeels verloren bij een brand.
Cover van 06-2022
06-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

Als je ooit iets gelezen hebt over de Franse filosoof René Descartes (1596-1650), maar nooit teksten van de denker zelf ter hand hebt genomen, loop je goede kans dat je hem helemaal verkeerd begrepen hebt. ‘Descartes is de kop van Jut geworden in de westerse filosofie,’ zegt hoogleraar intellectuele geschiedenis Han van Ruler van de Erasmus Universiteit Rotterdam. ‘Grote denkers hebben een karikaturaal beeld van hem geschetst, dat totaal geen recht doet aan de werkelijkheid.’ Met zijn onderzoeksproject Decoding Descartes wil Van Ruler het beeld van Descartes bijstellen. ‘Deze man was een heel andere figuur en kan helemaal niet het soort dingen hebben gedaan dat hem nu wordt verweten,’ zegt Van Ruler. Zo zou Descartes de scheiding tussen lichaam en ziel hebben geïntroduceerd, ook wel bekend als het cartesiaans dualisme. ‘Dat is iets wat Descartes niet heeft kunnen uitvinden, want dat hebben de generaties van het jaar nul al gedaan.’

U wilt Descartes rehabiliteren via een historische reconstructie, onder meer door nieuw ontdekte brieven van hem te publiceren.
‘Je kunt beter begrijpen wat Descartes dreef als je iets weet over de tijd waarin hij leefde. De briefwisselingen met zijn tijdgenoten vertellen veel over de achtergrond van zijn denken, maar ook over de stand van de wetenschap op dat moment. De wereld werd beschreven in termen van individuele dingen met eigenschappen. Waarom valt een steen naar beneden? In de aristotelische traditie zeggen mensen: omdat zijn innerlijke “vorm” hem naar beneden duwt – omdat zijn ziel wil dat hij daarheen gaat. Dat gaat bij Descartes helemaal veranderen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

In het dagelijks leven kun je over dingen spreken alsof ze een ziel hebben, zegt Descartes, maar dan blijven we aan de oppervlakte steken. Je beschrijft de wereld zoals die in de dagelijkse ervaring door ons wordt gekend, en daarin doen we alsof de hele wereld uit individuen bestaat. Dat is een antropomorfe projectie op dingen, zegt Descartes. Natuurprocessen zijn heel anders, die verlopen juist automatisch.’

Wilde Descartes van die ziel af?
‘Descartes wilde de ziel uit de wetenschap schrijven. Hij was in de eerste plaats een wetenschapper en wiskundige, die op een nieuwe manier wilde nadenken over de natuur om hem heen. Dus komt hij met een eenvoudige maar baanbrekende gedachte: je kunt een organisme ook beschrijven in biologische termen, zonder dat je naar de ziel verwijst. Denk maar aan reflexen, als we onze vingers branden of schrikken voor een leeuw. Dat zijn automatische processen die je biologisch kunt beschrijven zonder dat je daar een ziel voor nodig hebt.’

Vaak wordt gezegd dat Descartes het lichaam zag als een machine en de ziel als ‘de geest in de machine’. Klopt dat dan niet?
‘Dat klopt slechts ten dele. Voor zover wij onderdeel zijn van wetenschappelijk onderzoek, stelt Descartes, kunnen we onszelf uit elkaar halen als een machine. Maar we moeten wel begrijpen dat we in de wetenschap dingen slechts op een mechanische manier begrijpen. Onze ervaring, dat wat we zien en voelen, valt niet in zulke termen te begrijpen. De menselijke geest zou volgens Descartes dus ook niet tot object van wetenschappelijk onderzoek moeten worden gemaakt.

Descartes maakt dus onderscheid tussen twee manieren om de wereld te begrijpen: je kunt spreken over de natuurlijke processen en over de menselijke ervaring van die processen. De trilling van de lucht, bijvoorbeeld, is een mechanisch proces, en ik ervaar dat als geluid. Die ervaring zit niet ín de trilling van de lucht. Op dezelfde manier zit de geest niet ín de machine. Bewustzijn moet je niet reduceren tot iets mechanisch, zei Descartes, want dat is het niet.’

Dat klinkt als de oplossing die hedendaagse denkers zoals de Amerikaanse filosoof Daniel Dennett nu presenteren voor het debat over de vrije wil.
‘Dennett is een van de vele mensen die Descartes van alles verwijten, maar hij zegt juist dezelfde dingen die Descartes al zei.’

Hoe kan het dat zoveel mensen Descartes verkeerd begrijpen?
‘Omdat heel veel mensen zich baseren op Gilbert Ryles beroemde kritiek op Descartes in The Concept of Mind (1949). Daarin schrijft Ryle dat Descartes een “categoriefout” begaat. De ziel is volgens Ryle zoiets als “de universiteit van Oxford”. Als je een rondleiding krijgt door de verschillende gebouwen, een aantal mensen spreekt die er werken, en vervolgens de vraag stelt: “Maar waar is nou de universiteit?”, dan stel je de verkeerde vraag. Volgens Ryle stelt Descartes de verkeerde vraag als hij zich afvraagt: waar is de ziel? Het vreemde is: Descartes stelt die vraag helemaal niet! Hij is juist met precies hetzelfde probleem bezig.

Na Descartes hebben filosofen zich decennialang beziggehouden met de vraag hoe ziel en lichaam met elkaar interacteren. Descartes was al die vragen al voor. Hij zei: die vraag kun je helemaal niet stellen. Je kunt de wereld wetenschappelijk beschrijven, maar daarvoor moet je dingen zoals God en de ziel aan de rand van de wereld plaatsen, want die zijn geen onderdeel van de wetenschappelijke beschrijving. Maar dat is niet opgepikt, en daardoor is Descartes een zondebok geworden, want hij zou zich met God en de ziel bezighouden.’

We hebben van veel filosofen een karikaturaal beeld. Waarom raakt het u dat Descartes verkeerd wordt begrepen?
‘Ik vind het als historicus erg dat er zoveel karikaturale beelden bestaan van iemand die zo’n belangrijke bijdrage leverde aan de ontwikkeling van het denken. Maar de filosofie van Descartes hakte er bij mij ook psychologisch in. Als 18-jarige jongen in de studentenbankjes met een toen nog verzwegen homo-identiteit zag ik opeens dat er manieren zijn om de wereld te beschrijven die niet essentialistisch zijn. Dat herkende ik direct in de “nieuwe filosofie” van de zeventiende eeuw – eigenlijk eerst in het werk van John Locke en pas later bij Descartes.

In die tijd, de zeventiende eeuw, ontstond er een wetenschappelijke interpretatie van de wereld. Dat had enorme gevolgen voor de dagelijkse kijk op die wereld. Men ging beseffen dat we de wereld niet meer op de oude manier konden beschrijven, volgens vaste categorieën. Dat maakte de wereld ingewikkelder, maar het was ook bevrijdend. Tot die tijd dachten we dat we de wereld konden leren kennen door gewoon ergens te gaan zitten en op te schrijven hoe we die zien.

Voor Descartes is dat niet langer bevredigend. Als we willen begrijpen wat we zien, moeten we volgens hem eerst naar ons eigen denken kijken. Dan merk je dat je over het vermogen beschikt om de wereld slechts op een tentatieve manier te verkennen en te begrijpen. Voor mij ging die wetenschappelijke revolutie samen met het diepe besef van intellectuele bescheidenheid.’

Tegenwoordig proberen filosofen ook aan die essentialistische categorieën te ontsnappen, zoals mens-natuur en man-vrouw.
‘Daar kan ik mee sympathiseren, maar ik denk ook: dat is juist al gebeurd! Dat is de emancipatorische functie van de wetenschap. Veel mensen zien de wetenschap als het domein van de algemene natuurwetten, materialisme en onpersoonlijkheid. Maar dat is niet wat wetenschap kenmerkt. Wetenschap betekent juist dat je geïnteresseerd bent in alle mogelijkheden die de werkelijkheid biedt.’

U bent een voorstander van inclusie en diversiteit. Als we ons filosofieonderwijs willen diversifiëren, moeten een paar witte mannen uit de canon sneuvelen. Waarom moet Descartes blijven?
‘Ik weet niet of witte mannen uit de canon moeten sneuvelen. Ik zou de nadruk willen leggen op verrijken, niet op cancelen. De filosoof Immanuel Kant had ingewikkelde opvattingen over vrouwen en andere “rassen”. Toch heeft hij erg mooie dingen gezegd over politieke emancipatie en het belang van een morele houding. Moeten we dat nou allemaal vergeten of weggooien, omdat het iemand was die ook verkeerde denkbeelden had? Ik zou liever zeggen dat je zijn argumenten kunt gebruiken, ondanks het feit dat hij daar zelf alleen witte mannen mee bedoelde.

Als je “de epistemologie van de witte mannen” wegzet als een soort laakbare vorm van denken, denk je opnieuw binair op een manier die geen recht doet aan de werkelijkheid. Niet alleen wordt er schade aangebracht aan historische figuren die zich helemaal niet bezighielden met de vragen waarmee wij ons nu bezighouden, ook de emancipatorische kracht van hun gedachtegoed wordt op een ongeïnformeerde manier weggezet.’

Kan het werk van Descartes ons ook nu nog iets leren?
‘Descartes houdt je een spiegel voor. Hij laat je nadenken over de manier waarop je denkt. Hij onttoverde een oude manier van metafysisch denken en verving die door een meer wetenschappelijke en fijnmazige manier. De zogenaamd “mannelijke” rede verdween naar de achtergrond, er kwam meer nadruk op het lichaam en emoties. Hij probeerde processen te begrijpen, in plaats van een verhaal te vertellen over de werkelijkheid dat met grote stappen snel thuis is. Descartes zei: denk nou eens na over hoe je denken werkt. Als we dat blijven doen, kunnen we voorkomen dat we vervallen in allerlei nauwe denkbeelden, zoals reductionisme of determinisme, die helemaal geen recht doen aan de werkelijkheid.’

Zoals: wij zijn ons brein?
‘Bijvoorbeeld. Dat idee is problematisch, omdat het suggereert dat we een ding zijn, dat gereduceerd kan worden tot een ander ding dat niet meer “wij” is. Maar ik denk dat “alles is macht” eenzelfde soort overdreven standpunt is, waardoor je geen heldere kijk meer hebt op de werkelijke machtsverhoudingen. De filosofie verliest zich dan in begripsgoochelarij. Je belandt in een filosofisch spel dat meer kwalijke gevolgen heeft dan vruchtbare of sympathieke. Zulke alomvattende ideeën helpen niet als je recht wilt doen aan de werkelijkheid en de verschillende ervaringen van mensen. Dat probeerde Descartes ons aan het begin van de zeventiende eeuw al te vertellen.’