Jos Kessels filosofeert in de praktijk. Dit keer: hoe vind je de juiste mate van helderheid?
Het gesprek ging over tegenwoordigheid van geest, wat het is, hoe je het verwerft. Het leek ergens tussen verstrooidheid en opperste concentratie in te liggen. Een soort alertheid, een ontspannen aandacht, het tegendeel van wanneer je achteraf bedenkt wat je had moeten zeggen toen het erop aankwam. Maar dat waren slechts algemene aanduidingen. Konden we een concreet voorbeeld vinden, een directe ervaring van tegenwoordigheid van geest? Dat viel nog niet mee, ook al waren we ervan overtuigd dat het een gewone, veel voorkomende ervaring is.
Iemand vertelde vervolgens dat ze tijdens een bergwandeling op haar vakantie tot het inzicht was gekomen dat ze haar baan ging opzeggen. ‘Het was een moment van grote helderheid,’ zei ze. Alsof ze zich bewust werd van iets wat al lang speelde, een appèl, een oproep om in actie te komen. Die omschrijving riep bij anderen soortgelijke herinneringen op. Opvallend was dat ze hun ervaring allemaal beschreven als een oproep, een aansporing om het heft in handen te nemen.
Maar was tegenwoordigheid van geest dan hetzelfde als tot inzicht komen? Nee, dat niet. Het eerste kon ook heel goed zonder het tweede bestaan, als een heldere kalmte, een stille aandacht. Klopte dat met de ervaring uit het voorbeeld? De casusgever kon het niet zeggen. Er was in haar vakantie iets gerijpt dat plotseling, tijdens die wandeling, aan het daglicht was getreden. Uit een mengeling van gedachten en gevoelens, hoop en verlangen, afscheid willen nemen van haar oude leven, onder ogen zien hoe het feitelijk met haar gesteld was. Het had haar tot een soort rust en vastberadenheid gebracht die ze niet kende van zichzelf. Het had nog het meest te maken gehad met een besef van vrijheid, iets wat ze lang, te lang, uit het oog had verloren. Ook dat was herkenbaar voor de andere deelnemers.
‘Je ontdekt pas wie je bent door jezelf leeg te maken’
Maar wat betekende dat? Hing tegenwoordigheid van geest samen met een besef van vrijheid? Moeilijk te zeggen. We probeerden er de vinger achter te krijgen door het zogenaamde ‘groot-en-kleine’ van het appèl te onderzoeken: wat doe je, of hoe ben je, als je die oproep – tot vrijheid en actie en verantwoordelijkheid nemen – beurtelings heel groot en heel klein maakt? Nagaan van die twee kan je zicht geven op wat de juiste maat is, het midden.
Voor de casusgever was het duidelijk wat die maat inhield: niet te hard van stapel lopen, zorgvuldig het gevoel van rust en helderheid bewaren, stap voor stap te werk gaan. Tegenwoordigheid van geest omschreef ze als een ‘ontzelving’, een term die ze ontleende aan Simone Weil. ‘Het is paradoxaal: je ontdekt pas wie je bent en wat je wilt door je radicaal leeg te maken’. Die ervaring was een geschenk geweest, en tevens een opdracht, een oefening van de geest.
Wat ik me vooral afvroeg na het gesprek: waar komt zo’n geschenk, zo’n appèl vandaan?

