Ik voerde een groepsgesprek over ‘interculturalisatie’, een lastig onderwerp binnen de organisatie. De casus was simpel. De raad van bestuur had jaren geleden een programma opgezet ter bevordering van diversiteit in de zorg. Een tijdelijke pastoraal medewerker had recent een vaste aanstelling gekregen als projectleider van dit programma, ondanks de lopende bezuinigingen. De onlangs aangestelde directeur personeelsbeleid was daarover enorm boos geworden in een vergadering. Op een geërgerde, cynische toon had hij deze benoeming als voorbeeld bestempeld van hoe dom het aanstellingsbeleid was. Was het niet ‘bespottelijk’ dat een projectleider interculturalisatie een vaste aanstelling kreeg? Dit taalgebruik en deze houding waren bij de casusgever, die aanwezig was tijdens de vergadering, in het verkeerde keelgat geschoten. Hoe moest die omgaan met dit soort ongenuanceerde onwil?
Herinneren levert meer op dan wensdenken
We verkennen de casus en bespreken de details, de geschiedenis, de betrokken personen en het betreffende moment in de vergadering. Wat zou ieder van de deelnemers doen als ze in de schoenen van de casusgever zouden staan? Verschillende zienswijzen en handelingsopties komen op tafel, zoals gebruikelijk een rijk overzicht. Tegen het einde proberen we de kern van de kwestie te benoemen. Waar draait het hele verhaal nu om? Wat houdt ‘het goede doen’ op zo’n moment concreet in?
In een socratisch gesprek is dit het punt waar het verschil tussen denkers en delvers zich openbaart. Dat gebeurt ook hier. De denkers bedenken een correct en aannemelijk antwoord, zonder al te veel van zichzelf prijs te geven. De delvers proberen nauwkeurig onder woorden te brengen wat hen raakt en met welke maatstaf ze zichzelf de maat nemen. Zij onderzoeken niet alleen de kwestie, maar ook zichzelf. De denkers formuleren een wensbeeld, de delvers een herinneringsbeeld. Dat zijn twee totaal verschillende manieren van een kwestie onderzoeken. De een is gericht op mentale constructie, de andere op inspectie van ervaring. Denk aan de beroemde uitspraak van Immanuel Kant: ‘Twee dingen vervullen het gemoed met steeds nieuwe en toenemende bewondering en ontzag, hoe vaker en intenser het denken zich erop toelegt: de sterrenhemel boven mij en de morele wet in mij.’ Die wet in jezelf ontdekken, daarop is een socratisch gesprek gericht.
Een van de deelnemers zat perplex voor zich uit te staren, vanwege wat ze zich zojuist had gerealiseerd: dat zij de dure plicht had de directeur personeelsbeleid aan te spreken op zijn gedrag, hoe lastig dat ook was.
Hoe moet je zo’n ervaring van het herinneren van een maatstaf interpreteren? Volgens veel moderne filosofen bestaat er niet zoiets als ‘de morele wet in mij’ of een andere norm die van nature gegeven is. Immers: God is dood, het menselijke bestaan absurd en toevallig, enzovoort. Ik geloof daar eerlijk gezegd niets van. Daarmee ontken je de intuïtieve evidentie van een idee. Het is het gevolg van een tekort aan zelfreflectie. Hoe kun je anders zo’n herinnering verklaren?
