Home De ‘verheven onbeschaamdheid’ van Voltaire

De ‘verheven onbeschaamdheid’ van Voltaire

Door Marco Kamphuis op 27 november 2012

04-2007 Filosofie magazine Lees het magazine

Voltaire wist als geen ander de juiste mensen te vleien en de juiste mensen te schoppen. Frederik de Grote vleide én schopte hij. Voltaires spot was wel zo intelligent – en ook heel amusant – , dat Frederik hem die telkens vergaf.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Met genialiteit en goede bedoelingen alleen verwerft een intellectueel zich geen plaats in de wereldgeschiedenis. In de beslotenheid van zijn studeerkamer kan hij op prachtige ideeën komen, maar deze dient hij vervolgens aan de onverschillige, zo niet vijandige buitenwereld op te dringen, en daarbij moet hij te werk gaan als een gewiekst strateeg. Integriteit is dan vanzelfsprekend een belemmering, terwijl gezond opportunisme de kansen op succes aanzienlijk vergroot. Zonder iets af te doen aan Voltaires verdiensten als schrijver, kritisch denker en voorvechter van het vrije woord, moet gezegd worden dat hij goed besefte dat je, om vooruit te komen in dit leven, sommige mensen moet schoppen en andere vleien, en weer anderen de ene keer moet vleien en de andere keer schoppen. Er zijn wel eens dagen dat een genie geen zin heeft de wereld te verbeteren, en op zulke momenten kunnen menselijke zwakheden als eerzucht en inhaligheid hem aansporen zijn talenten aan te wenden – we kunnen alleen maar blij zijn dat Voltaire die zwakheden in ruime mate bezat. Een bijkomend voordeel van deze tekortkomingen is dat hij het ideale onderwerp voor biografen is.

Het aardige van de nieuwste biografie over Voltaire is overigens dat het geen biografie over Voltaire is. Welbeschouwd is de hoofdpersoon Émilie du Châtelet, de vrouwelijke wetenschapper die bijna tien jaar lang zijn geliefde was. De wis- en natuurkundige David Bodanis schreef Émilie & Voltaire. Een liefdesgeschiedenis in de Verlichting als daad van rechtvaardigheid, want hoewel er eerder boeken aan Émilie zijn gewijd, is de rol die zij in de ontwikkeling van de natuurwetenschappen speelde, lang verwaarloosd.

Gabrielle Émilie Le Tonnelier de Breteuil werd in 1706 geboren in Parijs. Opgroeien als aristocrate bracht in die tijd minder voordelen mee dan je zou denken – als je leergierig was tenminste. Een vrouw uit de hogere kringen werd immers geacht zich slechts voor borduren, roddelen en etiquette te interesseren. Op school of in het klooster leerden meisjes vrijwel niets – de dochters van Lodewijk XV waren analfabeet – en universiteiten waren niet voor vrouwen toegankelijk. Het was te danken aan de ruimdenkendheid van haar vader, die Émilies buitengewone intelligentie op waarde wist te schatten, dat ze de kans kreeg zich door zelfstudie en met behulp van huisleraren te ontwikkelen. Op haar achttiende trouwde ze met Florent-Claude du Châtelet, een markies die vooral belangstelling voor het krijgsbedrijf toonde, maar geen onoverkomelijke bezwaren had tegen een vrouw die John Locke las. Aangezien een adellijk huwelijk in de eerste plaats een zakelijke overeenkomst tussen twee families was, leidden de echtgenoten vaak gescheiden levens, waarbij het, zolang de schijn van fatsoen gewaarborgd bleef, geaccepteerd werd dat beiden liefdesverhoudingen aangingen. Florent-Claude was beslist niet het jaloerse type, en dat kwam goed uit toen Émilie Voltaire ontmoette. Het schijnt liefde op het eerste gezicht te zijn geweest: voor de jonge vrouw, die in een intellectueel isolement verkeerde, was de scherpzinnige, beroemde schrijver een geschenk uit de hemel, en Voltaire was gefascineerd door deze mooie, razendsnel pratende vrouw die, zoals hij spoedig erkende, nog slimmer was dan hij. Ze gingen samenwonen in Cirey, aan de grens van Lotharingen, op een kasteel dat ze ingrijpend lieten verbouwen. (Aan geld was geen gebrek, want met slinkse investeringen had Voltaire een enorm kapitaal vergaard.) Een gelukkige tijd brak aan. Beiden hadden een passie voor studeren, en om te beginnen onderwierpen ze de bijbel aan een grondig onderzoek: om elf uur ‘s ochtends, hun vaste koffietijd, wezen ze elkaar bijbelverzen toe, ’s middags brachten ze elkaar verslag uit. ‘Ik was amper twee uur van hem gescheiden, of we stuurden elkaar vanuit onze kamer al briefjes toe’, schreef Émilie later. Hun onderzoek bracht ongerijmdheden in de bijbel aan het licht, wat omstreeks 1735 opzienbarender was dan het tegenwoordig lijkt.

Bodanis schrijft: ‘Dit vraagtekens zetten bij de grondslagen van eeuwenlang gekoesterde overtuigingen was een van de fundamentele daden van de Verlichting. Het was buitengewoon moedig, want bijna elke wet en elke procedure in de samenleving hing samen met traditionele godsdienstige opvattingen.’ Er bestonden ernstige misstanden in de Franse maatschappij, die slechts werden gerechtvaardigd door het gezag van de koning, dat op zijn beurt werd gerechtvaardigd door het gezag van de katholieke kerk. Bodanis: ‘Werd de kerk – op wat voor obscuur theologisch punt ook – ondermijnd, dan kon de hele keten het begeven.’ Het feit dat beide bijbelonderzoekers gelovig waren, maakt hun kritiek op de kerk en de grondslagen daarvan eigenlijk alleen maar moediger.

Isaac Newton werd hun volgende gezamenlijke project. De Engelse wiskundige en fysicus was in 1727 overleden, en zijn theorieën waren nog nauwelijks tot het vasteland doorgedrongen. In zijn Engelse brieven had Voltaire al over Newtons wetten geschreven, maar zijn enthousiasme daarover was groter dan zijn begrip ervan, zoals hij ook eerlijk toegaf; met de wiskundig onderlegde Émilie aan zijn zijde zou hij het er ongetwijfeld beter vanaf brengen. De twee bestudeerden Newtons werk en deden allerlei praktische experimenten die zijn bevindingen bevestigden. Bezoekers op kasteel Cirey waren stomverbaasd over de laboratoria die ze aantroffen, en over de onverstoorbare werkdrift van de gastheer en gastvrouw. (Voltaire zou Voltaire niet zijn als hij niet tussen de bedrijven door razendsnel een toneelstuk voor huiselijk gebruik schreef, waarin iedere gast een rol had; de hoofdrol was voor hemzelf weggelegd.) Hun werk resulteerde 1738 in De elementen van Newton.

Helaas nam na tien gelukkige jaren de hartstocht tussen de minnaars af en de rivaliteit toe. Dat Voltaire de wiskundige berekeningen van Émilie niet kon volgen, moet hem hebben dwarsgezeten. Ze kregen steeds vaker ruzie, en zochten hun heil bij andere geliefden – Voltaire bij zijn nicht Marie-Louise, en Émilie bij de jonge dichter Saint-Lambert, van wie ze zwanger raakte. Omdat ze al drieënveertig was, vreesde ze haar zwangerschap niet te overleven. Ze werkte koortsachtig aan haar levenswerk, haar vertaling van en commentaar bij Newtons Principia. Vier dagen na het voltooien van dit boek dat ‘een essentiële rol zou spelen in belangrijke achttiende-eeuwse ontwikkelingen op het gebied van de theoretische natuurkunde, en de grondslag zou leggen voor een groot deel van de moderne wetenschap’ (volgens Bodanis, die het weten kan), beviel ze van een dochter. Een week later overleed ze aan een infectie, en het meisje stierf kort daarop. De diepbedroefde Voltaire schreef: ‘Ik heb de helft van mezelf verloren – een ziel waarvoor de mijne was gemaakt.’ Émilie & Voltaire is een vlotgeschreven (zij het in Nederlandse vertaling slordig geredigeerd) boek dat niet alleen een heldere kijk biedt op Émilies bijdrage aan de verlichtingsideeën, maar ook op Voltaires soms kolderieke bemoeienisen met de natuurwetenschap.

Timide jongen

Émilie schreef wel vier of vijf brieven per dag, en Voltaire stond via een stroom van epistels in contact met vrijwel iedereen die in Europa iets voorstelde. Een van hen was koning Frederik II van Pruisen (1712-1786), bijgenaamd Frederik de Grote. De correspondentie tussen de vorst en de filosoof is te lezen in het prachtig uitgegeven Briefwisseling met Frederik de Grote 1736-1778. Toen Frederik – op dat moment nog kroonprins – zijn eerste brief aan Voltaire richtte, had hij een traumatische jeugd achter de rug. Zijn militaristische vader, Frederik Willem I, was teleurgesteld in zijn oudste zoon, een tengere, timide jongen met een onuitstaanbare voorkeur voor fluit spelen en Franse literatuur. Hij pakte hem zo hard aan, dat de kroonprins op achttienjarige leeftijd, vergezeld door twee vrienden, probeerde te vluchten. De zaak werd verraden en Frederik ging achter slot en grendel. De ene vriend wist te ontkomen, de andere werd onthoofd, waarbij Frederik gedwongen werd toe te kijken. Na een jaar eenzame opsluiting – zijn fluit had hij moeten inleveren – kreeg Frederik gaandeweg meer vrijheid. Op vierentwintigjarige leeftijd schreef hij zijn eerste bewonderende brief aan Voltaire, die toen de veertig al gepasseerd was en als de grootste schrijver van Frankrijk gold. Voltaire, gevoelig voor lofprijzingen, zeker als ze van de groten der aarde kwamen, reageerde door de prins op zijn beurt naar behoren te bewieroken, en er kwam een intensieve briefwisseling op gang die zich zou uitstrekken over tweeënveertig jaar. Al in de eerste brief sprak de prins de vurige wens uit dat de grote schrijver ooit zijn hof zou bezoeken, en na Frederiks troonsbestijging in 1740 gaf Voltaire daaraan gehoor. Het bezoek verliep uiterlijk vriendschappelijk, maar er waren kleine ergernissen over en weer. Enkele dagen nadat Voltaire vertrokken was, voerde Frederik het plan uit dat hij in het diepste geheim had voorbereid: zonder oorlogsverklaring viel hij met zijn troepen Silezië binnen. Frederik – de gevoelige knaap, de verlichte vorst – had de wereld een rad voor ogen gedraaid; de lessen van zijn vader bleken wel degelijk aan hem besteed. De aanwezigheid van Voltaire en andere geleerden diende om zijn hof een schijn van onschuld te verlenen. Ondanks Voltaires diepe teleurstelling zetten beiden de briefwisseling voort. Dat is ook typisch Voltaire: je weet maar nooit wanneer je zo’n koning nog nodig hebt. Het heeft ons mooi materiaal opgeleverd, want Voltaire was een uitmuntend brievenschrijver en ook Frederik wist de pen te hanteren. In het klassenbewustzijn van de achttiende eeuw was de schrijver, hoewel internationaal befaamd, natuurlijk de nederige partij, en het is fascinerend om te lezen hoe Voltaire erin slaagt zich uit te putten in de meest fantasievolle loftuitingen aan het adres van de monarch, en tegelijkertijd steken onder water uit te delen, die allengs gevoeliger aankomen. De ‘koning-filosoof’ kan zijn ergernis soms maar moeilijk bedwingen, spreekt Voltaire aan op zijn ‘verheven onbeschaamdheid’, maar kan deze intelligente correspondent toch ook niet missen. Als Frederik in 1757 na zwaarwegende militaire nederlagen zelfmoord overweegt, wast Voltaire hem zelfs de oren: niemand zal hem beschouwen ‘als martelaar voor de vrijheid. U moet uzelf kritisch bekijken. U weet aan hoeveel hoven men uw inval in Saksen niet anders wil zien dan als inbreuk op de mensenrechten. Wat zal men aan die hoven zeggen? Dat u die inval op uzelf hebt gewroken! Dat u niet was opgewassen tegen de teleurstelling de wet niet te kunnen voorschrijven.’ Harde woorden, maar Frederik incasseert ze. Later wordt beider toon milder, en getuigt steeds meer van de genegenheid die de twee oude mannen na het wisselen van ten minste 750 brieven, waarvan er 601 bewaard zijn gebleven, voor elkaar zijn gaan voelen. 

Je moet wel concluderen dat Voltaire leeft, als je naast Émilie & Voltaire en de briefwisseling met Frederik de Grote ook nog herdrukken van Filosofische vertellingen en Filosofisch woordenboek in de boekhandel ziet liggen. Van de wijsgerige parabels zijn ‘Candide’, ‘Zadig’ en het kostelijke ‘Micromegas’ de bekendste; de overige drieëntwintig mogen dan niet allemaal een onuitwisbare indruk nalaten, het is altijd een genoegen Voltaire te lezen, en diens spot met godsdienstfanatisme en onverdraagzaamheid is onverminderd actueel. Zijn Filosofisch woordenboek, dat de toepasselijker ondertitel De rede op alfabet draagt, geeft een overzicht van de nieuwe ideeën op filosofisch, godsdienstig en maatschappelijk gebied die in de eeuw van de Verlichting opkwamen, en waarvan Voltaire de gedroomde popularisator was. Hij was handig genoeg om daar zelf ook beter van te worden – hij stierf schatrijk en bejubeld, op vierentachtigjarige leeftijd –, maar wie zou hem dat kwalijk kunnen nemen?

Émilie & Voltaire. Een liefdesgeschiedenis in de Verlichting, door David Bodanis, vert. Robert Vernooy, uitg Ambo, Amsterdam 2007, 382 blz., € 24,95
Briefwisseling met Frederik de Grote 1763-1778, door Voltaire, vert. J.M.Vermeer-Pardoen, uitg. Van Gennep, Amsterdam 2007, 1021 blz., € 45,-
Filosofische vertellingen, door Voltaire, vert. J.M.Vermeer-Pardoen, uitg. Van Gennep, Anmsterdam 2007, 701 blz., € 19,90 (Tweede, goedkope druk)
Filosofisch woordenboek, door Voltaire, vert. J.M.Vermeer-Pardoen, uitg. Van Gennep, Amsterdam 2007, 597 blz., € 19,90 (Derde, goedkope druk)