Home Filosofie en literatuur De literaire zone: Nabokov
Filosofie en literatuur

De literaire zone: Nabokov

Door Paul Boon op 11 februari 2008

02-2008 Filosofie magazine Lees het magazine

Door onze zucht naar individualisme en authenticiteit zijn we blind voor de pijn die we veroorzaken. Richard Rorty leest Vladimir Nabokovs Lolita.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

‘Lolita, licht van mijn leven, vuur van mijn lendenen.’ Met die liefdesverklaring begint Vladimir Nabokovs magnum opus Lolita (1955). Over de Franse academicus Humbert Humbert die in de Verenigde Staten een kamer huurt bij Charlotte Haze, en verliefd wordt op haar twaalfjarige dochter Dolores – Lolita voor intimi. Humbert is een eigenzinnig mens, heeft een filmsterrenlijf, en zijn bekentenis (Lolita is geschreven vanuit zijn perspectief) getuigt van een briljante geest. Maar volgens filosoof Richard Rorty (1931-2007) maakt dat Humbert H. juist des te gevaarlijker: want met zijn soepele stijl en zijn strijd voor non-conventionaliteit en schoonheid weet hij bijna te verhullen dat hij een monsterlijke, moordende pedofiel is.

Teveel esthetiek en individualiteit en te weinig ethisch besef zijn een gevaarlijke combinatie, waarschuwt de onlangs overleden Rorty in zijn klassieker Contingency, Irony, and Solidarity (1989), zijn zoektocht naar een nieuw ethisch fundament. ‘Onze pogingen autonomie te verkrijgen, onze privé-obsessies met het bereiken van een bepaald soort perfectie, kunnen ons blind maken voor de pijn en vernedering die we veroorzaken’, stelt hij. Humbert Humbert is een groot kunstenaar, maar heeft geen oog voor het ongeluk van zijn medemensen. Hij luistert niet als Charlotte hem vertelt van haar overleden man en zoontje. Hij begrijpt niet waarom een plaatselijke kapper per se het levensverhaal van diens overleden zoon wil delen. En na de onverwachte dood van haar moeder ontvoert Humbert Dolores – eerst om te voorkomen dat zijn perversiteiten ontdekt worden, maar al snel om haar weg te houden bij haar minnaar, de ongrijpbare toneelregisseur Clare Quilty.

Uiteindelijk sterft Lolita in het kraambed, en laat ene Richard F. Schiller als weduwnaar achter. Humbert vermoordt Clare Quilty. Hij schrijft zijn biecht in de cel, en – Humbert is hoogleraar Engelse literatuur – leeft zich volledig uit in de esthetisering van zijn monsterlijke dwanggedachten. ‘Van een moordenaar kun je altijd een zwierige schrijfstijl verwachten’, schmiert hij. Ook probeert hij begrip te kweken bij de juryleden tot wie hij zijn relaas richt – de moord op Lolita’s minnaar was een crime passionnel, betoogt hij. Maar Humberts obsessie was op zichzelf al een misdaad, en zijn poging er kunst van te maken vergroot zijn zonde alleen maar. Hij misbruikt individuele expressie en morele autonomie, verworvenheden die we danken aan de Verlichtingdenkers, om zijn verantwoordelijkheden tegenover andere mensen te ontlopen. Door dat onderscheid te maken tussen zijn persoonlijke leven en zijn publieke verantwoordelijkheid blijkt Humbert vooral een erg modern mens.

Volgens Rorty vallen het publieke en het persoonlijke belang bijvoorbeeld nog samen in het christendom. Als de christen zijn naaste liefheeft is hij tegelijkertijd ook een goed mens. Maar voor veel mensen – net als Humbert hoogopgeleid, artistiek en moreel autonoom – zit dat tegenwoordig anders. In Contingency, Irony, and Solidarity richt Rorty zich tot de ‘liberale ironici’, zoals hij ze noemt. Onder invloed van Kant en Nietzsche stellen deze mensen – terecht of onterecht – dat hun individualiteit op gespannen voet staat met de eisen van de maatschappij; of die eisen nu geformuleerd worden in de taal van ‘meneer pastoor’, ‘de islam’, ‘de revolutie’, ‘de multiculturele gemeenschap’ of ‘het postmodernisme’.

Deze ironici leiden uit de hoeveelheid maatschappelijke talen en systemen af, dat de keuze voor deze of die maatschappelijke orde contingent is. De ironicus is doordrongen van het besef dat hij een andere maatschappelijke taal zou spreken als hij ergens anders was geboren. Voor mensen die die bepaalde maatschappelijke taal spreken, is zo’n redenering mogelijk kwetsend of zelfs blasfemisch, maar voor de ironicus is dat een simpele waarheid, een persoonlijke overtuiging die andere mensen wel of niet met hem delen.

Wreedheid
Voor de ironicus zijn alle verhalen over de samenleving uiteindelijk persoonlijke voorkeuren. Maar dat betekent wel dat ironici een nieuwe balans moeten vinden tussen individu en maatschappij. En voor dat doel kunnen ze zich niet baseren op een hogere macht of een historisch gegroeide overtuiging: die zijn immers contingent. Daarom noemt Rorty wreedheid als toppunt van immoraliteit. Wreedheid doet een beroep op de solidariteit tussen personen, zonder dat de noodzaak ontstaat voor een maatschappelijk verhaal. Volgens Rorty is die ‘erkenning van een gemeenschappelijke ontvankelijkheid voor vernedering de enige maatschappelijke band’ die de ironicus nodig heeft.

Dat is waarom Rorty de ironicus ‘liberaal’ noemt: ironici begrijpen dat ieder mens denkt dat zijn eigen opvattingen universeel zijn. Ze waarderen het belang dat ieder mens hecht aan zijn eigen overtuiging, en begrijpen dat het bijzonder wreed zou zijn om die persoonlijke waarheden in het openbaar belachelijk te maken. De liberale ironicus mag er elke overtuiging op na houden die hij wil, waaronder dat alle maatschappelijke talen en religies en overtuigingen contingent zijn. Maar hij begrijpt ook hoeveel die religies betekenen voor hun aanhangers, hoe wreed het zou zijn ze in het openbaar te ridiculiseren.

Om het maatschappelijk belang te waarborgen – wreedheid te voorkomen –, is het volgens Rorty dus voldoende om te investeren in persoonlijke eigenschappen: ‘nieuwsgierigheid, tederheid, vriendelijkheid, inspiratie’. Humbert lijkt in eerste instantie de personifiëring van dat hoge ideaal: de eloquente en charmante man, wars van conventies, die liever op zijn eigen verstand vertrouwt dan op ingesleten en onrechtvaardige tradities, en die zijn leven ziet als een kunstwerk. Hij is vriendelijk, teder en geïnspireerd. Het ontbreekt hem echter volledig aan nieuwsgierigheid. En door dat gebrek aan nieuwsgierigheid vindt Humbert geen balans tussen zijn persoonlijke belangen en zijn verantwoordelijkheden jegens medemensen. Hij is zo bezig met de esthetisering van zijn eigen obsessies dat hij niet door heeft wat hij andere mensen aandoet. Humbert geeft alleen maar om het beeld dat hij van Dolores heeft geschapen, hij geeft alleen om Lolita. Het echte, levende meisje misbruikt hij achteloos.

Hierin ligt volgens Rorty de betekenis van Humbert voor liberale ironici: ‘Dit bepaald soort monster-genie, het monster van ongeïnteresseerdheid – is Nabokovs bijdrage aan onze kennis van menselijke mogelijkheden.’ Liberale ironici zijn zo ongebonden, zo bezig met persoonlijke ontwikkeling – met vrije expressie, met de relativistische deconstructie van grote verhalen – dat ze het gevaar lopen andersdenkenden te kwetsen. Ze moeten nieuwsgierig blijven, hun horizon blijven verbreden, exotische maatschappelijke verhalen leren kennen en waarderen. Anders eindigen ze nog als Humbert.

Richard Rorty (1931-2007), Contingency, Irony, and Solidarity (1989) – ‘Nabokov zou vreselijk graag willen dat artistieke gaven voldoende waren voor morele deugdzaamheid, maar hij weet dat er geen connectie is tussen de contingente en selectieve nieuwsgierigheid van de autonome artiest en zijn vaders politieke project [Nabokovs vader was een gevlucht liberaal Russisch parlementslid, PB] – de schepping van een wereld waarin tederheid en vriendelijkheid de menselijke norm zijn. Dus creëert hij karakters die zowel extatisch en wreed, opmerkzaam en harteloos zijn, dichters die alleen selectief nieuwsgierig zijn, obsessievellingen die even gevoelig als hard zijn.’