Home Filosofie en literatuur De literaire zone: De Sade
Filosofie en literatuur

De literaire zone: De Sade

Door Martijn Meijer op 03 oktober 2005

08-2005 Filosofie magazine Lees het magazine

‘Wanneer de misdaad die ik bega, niet het toppunt is van gemeenheid, wreedheid, schurkachtigheid en verraad, voel ik niets meer.’ D.A.F. de Sade, filosoof van de Verlichting.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De 120 dagen van Sodom is een catalogus van wellust en wreedheid die steeds in heftigheid wordt opgevoerd’, schreef Hans Warren, de Nederlandse vertaler van het boek van D.A.F. de Sade (1740-1814). ‘Het begint met tamelijk onschuldige erotische spelletjes, onontkoombaar eindigt het met lustmoorden. Ja, dit is echt het schandelijkste boek uit de wereldliteratuur.’ Schandelijk of niet, De 120 dagen van Sodom is zeker een berucht boek. Velen hebben ervan gehoord, maar weinigen zijn er in geslaagd om het helemaal uit te lezen. De systematische behandeling van alle mogelijke perversies, zeshonderd in totaal, gaat op den duur vervelen. Tegelijk fascineert de radicale monomanie van de auteur en diens rebelse verheerlijking van het kwaad.

De ‘Goddelijke Markies’ was zijn tijd ver vooruit: zijn werk kreeg pas in de twintigste eeuw literaire erkenning. Hij had een grote invloed op de surrealisten en op filosofen als Bataille, Barthes, Lacan en Klossowski. Georges Bataille betoogt in La littérature et le Mal en L’érotisme dat Sade een groot schrijver is, die de ‘taal van het Kwaad’ schrijft. Dat is de belangrijkste rol van de literatuur, aldus Bataille, dat zij het kwaad een stem geeft, het kwaad dat in het dagelijks leven verboden en verzwegen blijft. Sades personages kennen geen verantwoordelijkheid en de schrijver die hun daden beschrijft, lijkt evenmin verantwoordelijkheidsgevoel te hebben. De literatuur heeft dan ook geen morele taak, volgens Bataille, maar is een vrijplaats voor verdrongen verlangens. Literatuur bestrijkt een ‘vervloekt’ en irrationeel gebied, dat aan gene zijde ligt van de ordelijke wereld van de arbeid.
 
Donatien Alphonse François Marquis de Sade werd in 1740 in Parijs geboren. Hij overleed in 1814 in een psychiatrische inrichting te Charenton. Als edelman bezat Sade verregaande privileges, niettemin werd hij in 1778 vanwege zijn losbandigheid veroordeeld en opgesloten in de vesting van Vincennes. In 1784 volgde overplaatsing naar de Bastille. In eenzame opsluiting nam de fantasie van de markies een hoge vlucht. Vier jaar lang schreef hij aan De 120 dagen van Sodom. Het manuscript, een papierrol van twaalf meter lang, raakte zoek bij de bestorming van de Bastille in 1789, en dook een eeuw later op in Duitsland. In 1904 werd De 120 dagen van Sodom voor het eerst gepubliceerd. Het boek kwam meteen op de lijst van verboden boeken; lange tijd mochten alleen medici, psychiaters en juristen het raadplegen. In 1969 verscheen de eerste Nederlandse vertaling.

In De 120 dagen van Sodom trekken vier oudere libertijnen (een hertog, een bisschop, een belastingpachter en een rechter) zich terug op een afgelegen kasteel in het Zwarte Woud. Gedurende honderdtwintig dagen willen ze daar ‘in een vastgestelde volgorde, al de verschillende afwijkingen van de wellust’ de revue laten passeren. Iedere avond vertellen vier oude koppelaarsters pornografische verhalen. Als de verbeelding van de vier mannen verhit raakt, vieren ze hun lusten bot op een harem van jongens en meisjes. Zo wijden ze de eerste dertig dagen aan de ‘simpele hartstochten’, waaronder ook de coprofilie gerekend wordt. Daarna volgen dertig dagen van ‘complexe hartstochten’, dertig dagen van ‘criminele hartstochten’ en tot slot dertig dagen van ‘moorddadige hartstochten’.

Bisschop

De term ‘sadisme’ werd door de negentiende-eeuwse seksuoloog Krafft-Ebing bedacht, als afleiding van de naam Sade. Maar wat houdt Sades sadisme in? Het sadistisch genot wordt in ieder geval niet samen met de ander beleefd, maar ten koste van de ander. De lustbeleving is puur egoïstisch. ‘Elk genot verzwakt, als het gedeeld wordt,’ schrijft Sade. Erotiek is voor hem een vorm van macht over de ander. Het kwellen van de ander verhoogt het genot en alle middelen zijn daarbij geoorloofd. Zoals de bisschop zegt in De 120 dagen van Sodom: ‘Wil men meer genot trekken uit een misdaad, dan moet men de misdaad afschuwelijker maken. Wanneer de misdaad die ik bega, niet het toppunt is van gemeenheid, wreedheid, schurkachtigheid en verraad, voel ik niets meer.’

 

Om hun verdorvenheid te rechtvaardigen filosoferen de personages in Sades boeken heel wat af over de oppermachtige natuur die schept en vernietigt zonder zich iets van wetten, godsdienst of moraal aan te trekken. Omdat de natuur – die regeert middels ziekten, aardbevingen en overstromingen – in essentie misdadig is, heeft de mens het volste recht zijn duistere driften uit te leven. De libertijn die zijn genot najaagt, hoeft zich dus niet aan een zedelijk oordeel te onderwerpen. De ondeugd is een natuurlijk verschijnsel, de deugd is een tegennatuurlijke conventie en wordt in Sades boeken dan ook bestraft.

Hoe bizar deze ideeën ook lijken, ze kunnen niet los gezien worden van het Verlichtingsdenken uit die tijd. Sade stond onder invloed van de achttiende-eeuwse materialistische filosofen Lamettrie en d’Holbach, die met een rationele blik de natuur bestudeerden, zonder nog met een scheppende God rekening te houden. Zij moesten constateren dat de natuurwetten amoreel zijn en dat de mens een autonoom wezen is, maar leidden daaruit niet af dat het kwaad daarom gerechtvaardigd zou zijn; dat laatste is ’heeft Sade toegevoegd. Alleen hij doordacht de consequenties van het Verlichtingsdenken, anderhalve eeuw voordat Horkheimer en Adorno in de Dialektik der Aufklärung aantoonden hoezeer het rationele denken doordrongen is van machtsverhoudingen.

Horkheimer en Adorno trekken een verrassende parallel tussen Kant en Sade. Kant benadrukt de autonomie van het morele subject dat zich moet voegen naar de wetten van de Rede. Sade laat zien, volgens Adorno, wat er gebeurt als het ‘burgerlijke subject’ van elke bevoogding bevrijd is en zich louter nog op zijn rationaliteit verlaat. Medelijden en andere humane affecten spelen dan geen rol meer. ‘De eigen architectonische structuur van het kantiaanse systeem kondigt – net zoals de piramiden van gymnasten bij Sade – de door een inhoudelijk doel verlaten organisatie van het hele leven aan. Meer nog als op genot schijnt het hier op de zakelijke werking, de organisatie aan te komen.’ Uiteindelijk toont Sade – in een cynisch spiegelbeeld van Kants redelijkheid – dat de mechanisering van het genot leidt tot wreedheid.

Roland Barthes (1915-1980) – ‘Bij Sade wordt de misdaad door de taal opgebouwd’

Charles Baudelaire (1821-1867) – ‘Men moet terugkeren tot Sade om de mensheid in zijn natuurlijke staat te zien en het karakter van het kwaad te begrijpen’

Albert Camus (1913-1960) – ‘Sade heeft geen filosofie ontwikkeld, maar de monsterlijke droom van een vervolgde nagejaagd. Alleen blijkt die droom profetisch te zijn’

Guillaume Apollinaire (1880-1918) – ‘De meest vrije geest die ooit bestaan heeft’