Home Psyche ‘De grens tussen normaal en abnormaal is niet scherp te trekken’
Psyche

‘De grens tussen normaal en abnormaal is niet scherp te trekken’

Afwijkend gedrag bestempelen we al snel als absurd en onmenselijk. Maar misschien is het wel heel menselijk, zegt Philippe Van Haute.

Door Lianne Tijhaar op 21 oktober 2022

Het hooghuys Marlene Dumas GGZ gezichten psychiatrie Het Hooghuys (Maar wie ik ben gaat niemand wat aan), schilderij door Marlene Dumas uit 1990-1991. Collectie GGz Breburg, langdurige bruikleen aan De Pont (Tilburg) en Museum van de Geest (Haarlem). Het kunstwerk bestaat uit portretten van bewoners en medewerkers uit de psychiatrische instelling Het Hooghuys in Etten-Leur (nu GGz Breburg).
FM11 Filosofie Magazine november
11-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

Gooi een kristal op de grond en het breekt langs breuklijnen die al in de structuur van het kristal aanwezig waren. Voor de mens geldt hetzelfde, zei Sigmund Freud (1856-1939), de grondlegger van de psychoanalyse. Als de mens breekt, wordt de fundamentele structuur waaruit we zijn opgebouwd zichtbaar. Daarom moeten we het menselijk bestaan bestuderen via de pathologie, meende Freud. Want de pathologie, ofwel ziekteleer, laat de breuklijnen zien die onzichtbaar aanwezig zijn in ieder van ons.

Hoewel Freud veel bewonderaars heeft, kan hij ook op weerstand rekenen van psychologen en psychiaters. Niet eens zozeer omdat hij de seksualiteit centraal stelt; het lijkt vooral moeilijk te accepteren dat het onderscheid tussen normaliteit en pathologie helemaal niet zo duidelijk is. Het spaarzame hoorcollege waarin studenten pedagogiek en psychologie kennismaken met Freud is vaak vooral bedoeld om te laten zien ‘waar we vandaan komen’, om vervolgens de psychoanalyse ver weg te stoppen in het hoekje van de pseudowetenschap.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Heel anders kan het gaan bij de studie wijsbegeerte, waar het werk van ­Freud opnieuw tot leven wordt gebracht. Tenminste, als je in de collegezaal van ­Philippe Van Haute belandt. De Brusselse hoogleraar doceert wijsgerige antropologie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Daar vertelt hij over een radicaal nieuwe lezing van Freud, waarmee hij hem probeert te bevrijden van versteende interpretaties. In de archieven, in de vroegere versies van Freuds teksten, ontdekt hij samen met zijn collega Herman Westerink een queer-theorie avant la lettre.

Freud als vader van de progressieve queer-beweging? Er is in die hoek juist veel kritiek op Freud.
‘Het probleem is dat veel critici Freud helemaal niet gelezen hebben. De psychoanalyse heeft, zeker in Nederland, een zeer conservatief imago sinds het oedipuscomplex centraal werd gesteld. Feministen en queer-activisten hebben zich daar terecht van afgekeerd. Maar als je Freud anders probeert te lezen, dan komt er een Freud boven die veel minder – of misschien zelfs helemaal niet – ­heteronormatief is.

‘Alle seksuele tendensen zijn in ons aanwezig, maar in verschillende intensiteit’

Die andere Freud moet je als het ware terugvinden “achter” de gepubliceerde teksten. In 1905 publiceert Freud voor het eerst zijn Drie verhandelingen over de theorie van de seksualiteit. Die verhandelingen heeft hij daarna nog vijf keer herschreven. Met als gevolg een onstabiele tekst, waarin de auteur zichzelf tegenspreekt. Als je enkel naar de editie uit 1905 kijkt, lees je niets over het oedipuscomplex. Wat je er wel vindt, zeker in het eerste deel, is een soort queer-theorie avant la lettre. Freud schrijft: alle seksuele tendensen zijn aanwezig bij alle mensen, maar in verschillende intensiteit.

Veel mensen, vooral mannen, zullen beweren dat ze niet in staat zijn tot zelfs maar homoseksuele fantasieën. Maar waarom ontstaan dan in gevangenissen homoseksuele handelingen door absolute macho’s? Freud zou antwoorden: de meeste mensen leven in een stabiele situatie. Zolang die situatie niet verandert blijven hun verlangens en libidineuze strevingen min of meer gelijk. Als ze in een situatie komen die abnormaal is, bijvoorbeeld een gevangenis, worden er dingen mogelijk die eerder ondenkbaar waren. Niet omdat die tendensen er niet waren, maar omdat de context is veranderd.’

Dus we hebben allemaal biseksualiteit in ons.
‘Ja. Daar is niks aan te doen en er is ook niks mis mee. Seksualiteit moet gezien worden als een soort patchwork. Je moet daar je weg in vinden. Freud gelooft niet in een natuurlijke seksualiteit die per se gericht is op reproductie. Dat wil niet zeggen dat er geen beperkingen zijn. Een volledig vrije seksualiteit bestaat niet.

Freud heeft het over reactieformaties die biologisch zijn meegegeven, zoals schaamte, walging en medelijden. Ieder mens voelt schaamte. Die schaamte stelt grenzen aan de uitdrukkingen van de libido. Ik ga niet naakt naar de les, want dan schaam ik me. Maar waar die grens precies ligt verschilt per samenleving of context; er zijn samenlevingen waarin mensen veel naakter rondlopen dan bij ons. Maar schaamte is er altijd: de vorm is van nature aanwezig, de inhoud is maatschappelijk bepaald.’

Als homoseksualiteit in ieder van ons aanwezig is, geldt dat dan ook voor pedoseksualiteit?
‘Laat ik vooropstellen: pedoseksuele handelingen zijn onaanvaardbaar. Daar is geen discussie over. Maar of je zomaar kunt zeggen dat pedoseksualiteit bij de meeste mensen afwezig is, behalve bij een zeer beperkte groep, dat durf ik ook niet te beweren. Pedofilie is een ruimer fenomeen dan we doorgaans in de media zien. Er is een verschil tussen je werkelijk vergrijpen aan kinderen en een flits van een fantasie.

Pedoseksualiteit is zeer terecht strafbaar. Maar daaruit kun je niet afleiden dat die tendens alleen bij die beperkte groep mensen aanwezig is, en niet in andere intensiteiten speelt bij andere mensen. Er zijn ook manifeste heteroseksuelen die weleens een dergelijke fantasie hebben.’

Veel mensen zullen het onbevredigend vinden dat het onderscheid tussen normaal en pathologisch niet duidelijk is.
‘Dat is een van de redenen waarom ik Freud zo interessant vind. Mij valt op dat we heel makkelijk zeggen: dit of dat is onmenselijk. Dan denk ik: we zijn het wel al duizenden jaren aan het doen, zo onmenselijk zal het dus niet zijn. Is een school bombarderen in Oekraïne onmenselijk? Ik weet het niet. Zoiets “onmenselijk” noemen maakt ons blind voor de dynamiek die daarachter zit. En die beperkt zich niet tot snode gasten in Moskou. Die kennen wij ook; we delen onze problematiek met die mensen. Dat betekent dat de pathologie in een positieve zin ons informeert over wie wij zijn.’

U bent ruim twintig jaar werkzaam geweest als therapeut. Leverde dat nieuw inzicht op in de mens?
‘Daar vraag je wat. Het heeft mij vooral nederig gemaakt ten opzichte van anderen. Ik leerde dat het leven van mensen ingewikkeld en moeilijk kan zijn. Het is zeker niet zo dat ik andere mensen doorzie of zoiets. Psychoanalyticus Jacques Lacan zei ooit: “Méfiez-vous de comprendre” – hoed je voor begrijpen. Dat is volgens mij de analytische houding bij uitstek: niet alles inzichtelijk proberen te maken en willen doorzien. Je moet wel een soort luisterbereidheid creëren die niet of zo min mogelijk “gewelddadig” is, in de zin dat die niet onmiddellijk dingen vastlegt.’

Luisteren zonder onmiddellijk een oplossing te willen vinden – daar lijkt steeds minder ruimte voor.
‘We leven in een tijd waarin alles snel moet worden opgelost. Genees van uw depressie in dertien zittingen, misschien dan nog een pil erbij. Ik heb niks tegen pillen en ik heb ook niks tegen dertien zittingen. Maar ja, het leven is dikwijls veel ingewikkelder. Je kunt toch moeilijk verwachten dat iets wat veertig jaar scheef groeit in drie weken opgelost is.’

Hoe ging dat in uw psychoanalytische praktijk?
‘De psychoanalyse heeft slechts één ­methode: de vrije associatie. Je vraagt aan de patiënt om alles wat door zijn of haar hoofd gaat zo ongecensureerd mogelijk uit te spreken. Zo kan onbewuste logica aan het licht komen die in het dagelijks leven verhuld blijft. Omdat je iemand vrij laat associëren, wordt automatisch de aandacht verschoven en minder exclusief op het symptoom gericht.

Natuurlijk hoop je dat het symptoom verdwijnt, maar dat is niet het directe doel. Dat botst met de pragmatische benadering die vooral een probleem wil oplossen. Ik wil niet zeggen dat die benadering slecht is, maar je moet misschien ook open blijven staan voor iets anders. We kunnen pathologische tendensen uiteindelijk niet uit ons bestaan bannen, want die problemen zijn algemeen menselijk. Je kunt alleen maar hopen dat de mens in kwestie een betere manier vindt om ermee om te gaan.’

‘Gezondheid betekent: creatief omgaan met je beperkingen’

In Nederland hebben steeds meer mensen een psychiatrische diagnose. Als je beweert dat pathologische tendensen in ieder aanwezig zijn, dan zullen we ze ook in ieder mens vinden, toch?
‘Maar dat wil niet zeggen dat je die mensen dan meteen moet diagnosticeren. Er gaat een verhaal rond over een ­oud-vicepremier in België. Over hem wordt gezegd dat hij op de lagere school op zijn stoel werd vastgebonden, omdat hij niet stil bleef zitten. In die tijd zei men daarover: “Hij heeft geen zittend gat.” Ze lieten iemand zoals hij, die daarnaast goede cijfers haalde, soms gewoon lopen, gaven hem zo nu en dan een draai om zijn oren. Even huilen in een hoekje en dan weer voort. Nu is hij zakenman en voorzitter van de Socialistische Partij geweest. Hij heeft op een bepaalde manier zijn drukte gesublimeerd. Als gezondheid iets betekent, dan is het wel dat je je beperkingen creatief kunt omzetten in een context die voor jou betekenisvol is.

Vandaag de dag zou deze man een diagnose krijgen. De scholen zijn veranderd. Alles is geordend. De context dwingt mensen om te diagnosticeren, ook omdat men hulp vaak laat afhangen van een diagnose. Dat geldt voor ADHD, maar bijvoorbeeld ook voor het autismespectrum. Gelukkig kennen we nu de term “neuroplasticiteit”, die aanduidt dat ons brein zich kan aanpassen. Mensen gaan daardoor in minder absolute termen over diagnoses denken.’

Een diagnose kan er ook voor zorgen dat je je eindelijk ergens mee kunt identificeren.
‘Ik vraag me vaak af: hoe komt het dat wij zulke sterke identiteiten en identificaties nodig hebben? Ik ben dit, ik ben dat. De vrije associatie is er juist op gericht die identiteiten te ondermijnen, te doen verschuiven. Het is belangrijk om die identiteiten in beweging te houden. Al was het maar om niet dood te gaan. Want iemand die werkelijk en letterlijk met een identiteit zou samenvallen is dood, die verandert niet meer. Ik bedoel niet dat je die identiteiten niet nodig hebt. Het gaat erom dat je daar niet bovenmatig aan hecht. Zo creëer je beweging in je leven – die beweging, dat is het leven zelf.’