Home Vrijheid Bestaat het mannenbrein dan toch?
Vrijheid

Bestaat het mannenbrein dan toch?

Door Jeroen Hopster op 02 februari 2016

Bestaat het mannenbrein dan toch?
Cover van 02-2016
02-2016 Filosofie magazine Lees het magazine

Dick Swaab, Nederlands bekendste hersenwetenschapper in debat met Denker des Vaderlands Marli Huijer over creativiteit, vrouwenbreinen en opvoeding. Plus: vier bijzondere fragmenten uit het nieuwe boek van Swaab. 

Zij begon haar carrière als methadonarts, was coördinator van de Junkiebond, werd hoogleraar filosofie en schreef verscheidene boeken, onder meer over gender, ritme en discipline. Hij richtte de Nederlandse Hersenbank op, verrichtte baanbrekend onderzoek naar de invloed van het brein op seksuele oriëntatie, en schreef een bestseller die binnen vijf jaar in dertien talen werd vertaald: Wij zijn ons brein – Ek is my brein, Wir sind unser Gehirn, Somos nuestro cerebro. En later dit jaar verschijnt de opvolger: Ons creatieve brein. Hoe mensen en wereld elkaar maken.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Op uitnodiging van Filosofie Magazine ontmoeten Marli Huijer (1955) en Dick Swaab (1944) elkaar voor een tweegesprek. De Denker des Vaderlands tegenover ’s lands bekendste hersenwetenschapper. Feminist tegenover determinist. Een thuiswedstrijd voor Swaab: het gesprek vindt plaats op zijn werkkamer aan het Nederlands Herseninstituut, en begint met het thema van zijn aankomende boek: creativiteit.

I. CREATIVITEIT
Hoe definieert u creativiteit? 
Huijer: ‘Dat er iets nieuws ontstaat, iets wat er nog niet eerder is geweest. We zijn geneigd om te denken dat het nieuwe ontstaat vanuit het niets. Ik heb juist het idee dat creativiteit voortkomt uit herhaling. Als je bij herhaling schrijft, acteert, schaatst, dan kan er in die herhaling iets nieuws ontstaan. Creativiteit heeft baat bij ambachtelijkheid. Ik merk dat in mijn eigen werk: door steeds weer te schrijven, na te denken, te lezen, kom ik langzaam maar zeker op nieuwe ideeën.’ 
Swaab: ‘Daar sluit ik mij bij aan. Creativiteit is het vormen van iets nieuws, uit bestaande bouwstenen. Die bouwstenen komen op je af, of borrelen op in je eigen brein – bij sommige mensen meer dan bij andere. Er komt een enorme hoeveelheid informatie op je af, die je moet zeven. Er zijn mensen bij wie de zeef wijd openstaat, die zoveel informatie van binnen en van buiten ontvangen dat ze tot veel nieuwe ideeën komen. Bij anderen is de zeef wat nauwer.’ 

Wordt de mens creatief geboren of creatief gemaakt?
Huijer: ‘Er wordt vaak over creativiteit gedacht in termen van genie. Een creatief genie, een Mozart, heeft naar verluidt geen ervaring nodig: zijn creatieve talent is van nature ingebakken. Terwijl Mozart juist van kinds af aan met oefening bezig is geweest. Van buitenaf is er heel veel in dat brein, maar ook in de vingers, in het lichaam, gebracht, waardoor Mozart tot nieuwe composities kwam. Het beeld dat een genie uit het niets verrijst is te romantisch. Ik denk niet dat je kunt zeggen: deze persoon heeft zulke geweldige hersenen, of zo’n geweldig lichaam, dat hij voor genie in de wieg is gelegd. Het is de samenloop van enorm veel toevallige factoren, waarin je slechts ten dele zelfsturend kunt zijn.’   
Swaab: ‘Er is een aantal factoren nodig. Tot een IQ van 120 neemt de creativiteit toe; daarboven maakt het niet zoveel uit. Dus je hebt in elk geval een bepaald IQ nodig, en dat krijg je mee van je ouders. Als je het IQ in volwassenheid meet, dan is het voor meer dan 80 procent genetisch bepaald. Ontzettend belangrijk dus om goed je ouders te kiezen. 
Karaktereigenschappen spelen ook een rol. Als je een creatief persoon zoekt, dan moet je iemand zoeken met “openheid” in z’n karakter. Ook kun je jezelf proberen creatiever te maken, door die zeef verder open te zetten. Door alcohol te gebruiken, of drugs. L-DOPA schijnt te helpen; dat is een geneesmiddel tegen parkinson. Er zijn kunstenaars die L-DOPA gebruiken, omdat ze daarvan creatiever worden. Je kunt het netwerk op verschillende manieren beïnvloeden, maar aangeboren factoren spelen zeker mee. En naast aanleg moet je deze eigenschap ook door eindeloos oefenen ontwikkelen.’ 
Huijer: ‘Maar er zijn vanuit de omgeving ontzettend veel mogelijkheden om aangeboren factoren te veranderen, zelfs tot op biologisch niveau. Ik vermoed dat wanneer mensen emigreren naar een ander land, naar een totaal nieuwe omgeving, dat grote impact heeft op de kinderen die vervolgens worden geboren. Niet alleen op hun opvoeding, maar ook op hun DNA.’
Swaab: ‘Het is altijd een interactie tussen aanleg en omgeving. En de taalomgeving heeft een groot effect op de hersenontwikkeling.’
Huijer: ‘Vanaf moment nul is die interactie cruciaal, in feite.’
Swaab: ‘Ja, zelfs nog vóór de conceptie. De omgeving is belangrijk voor de kwaliteit van sperma en ei. Het sperma wordt steeds aangemaakt vanuit stamcellen, en die staan bloot aan straling vanuit de omgeving. Oude vaders hebben meer kans op kinderen met psychiatrische problemen. Dus het begint al vroeg, die interactie. Maar het idee dat je door de omgeving wordt wie je bent, dat heeft zijn beperkingen. Wat vastligt is je karakter. Dat is ingeslepen. Wat je kunt veranderen is gedrag – een klein beetje, met heel veel moeite.’
Huijer: ‘O, ik ben wel zodanig aristoteliaan dat ik denk dat je je op dat karakter kunt bezinnen en kunt besluiten: “Dit is een trek waar ik vanaf wil.” Door je nieuwe gewoontes eigen te maken kun je je karakter blijven veranderen, tot op hoge leeftijd.’ 
Swaab: ‘Tja… In de jaren zestig werd gedacht dat je alles kunt veranderen. Van dat maakbaarheidsgeloof zijn we zo langzamerhand wel af. Helaas, die maakbaarheid heeft grote beperkingen.’

II. BILDUNG
Genen worden aan- en uitgezet in wisselwerking met de omgeving. Geldt dat ook voor de culturele en intellectuele omgeving waarin wij ons ontwikkelen? Heeft bildung invloed op onze biologie? 
Swaab: ‘Het is moeilijk om daar onderzoek naar te doen, omdat de variabiliteit heel groot is. Maar het is duidelijk dat de culturele omgeving invloed heeft. Taal is goed bestudeerd en is ongelofelijk belangrijk voor de hersenontwikkeling. Als een kind tweetalig opgroeit, dan wordt het brein zo gestimuleerd dat het als volwassene gemiddeld pas vijf jaar later dan de rest van de populatie alzheimer krijgt. Zoveel extra reserve bouw je dus op met die tweetaligheid. Dat is iets wat we nationalisten als Wilders kunnen vertellen: tweetaligheid is belangrijk.’
Huijer: ‘Als je een kind op jonge leeftijd adopteert, van ouders die analfabeet zijn, dan is de sprong in intelligentie enorm.’  
Swaab: ‘Maar het kind neemt wel degelijk de achtergrond van de ouders mee. Het blijft het IQ van de ouders houden, maar de ontwikkeling wordt sterk gestimuleerd. Dat geldt ook voor crimineel gedrag: je blijft die achtergrond meenemen.’ 
Huijer: ‘Filosofisch is dat heel lastig. Hoe definieer je intelligentie? Welke factoren brengen die intelligentie teweeg? Taal is belangrijk, maar taal gebruik je ook om verhalen te vertellen. Het verhaal dat je ouders uit een bepaald milieu komen, heeft invloed op hoe jij vervolgens je identiteit constitueert. Het is verleidelijk om naar biologische factoren te wijzen, maar de invloed kan ook in taal zitten.’
Swaab: ‘Dat zijn allemaal dingen die in een studie moeten worden meegenomen. En die wórden ook meegenomen. Dat is niet alleen een punt voor de filosofie, maar ook voor de wetenschap.’

Is het voor onze hersen- ontwikkeling wenselijk om in aanraking te komen met hoge cultuur?
Swaab: ‘Ik weet niet precies wat hoge cultuur is.’

Beter Beethoven beluisteren dan Justin Bieber?
Swaab: ‘Muziek zet ontzettend veel hersensystemen aan. Steeds vaker wordt muziek als therapie gebruikt. Die hersensystemen kun je al vroeg aanzetten. Een kind in de baarmoeder heeft vanaf 24 weken interesse in muziek. Als een zwangere vrouw elke ochtend naar dezelfde soap kijkt, die met dezelfde tune begint, dan onthoudt het kind dat. In elk geval de eerste drie maanden na de geboorte. Gelukkig verdwijnt het daarna.’ 
Huijer: ‘O jee! Ik zat in een punkbandje toen ik hoogzwanger was.’
Swaab: ‘Je kunt muziek ook gebruiken bij kinderen in een couveuse, die te vroeg geboren zijn. Als je die blootstelt aan Mozart, hebben ze een betere zuurstofopname in hun bloed, ze groeien harder en kunnen eerder naar huis. En het interessante is dat dat met Bach niet gebeurt. Maar wat is nu hoge cultuur: Mozart of Bach? Voor Bach moet je blijkbaar iets rijper zijn.
Muziek heeft een belangrijke, blijvende invloed op het brein. Als kinderen gedurende een kritische periode muziekinstrumenten spelen, dan blijkt dat ze op oudere leeftijd beter kunnen horen in het geroezemoes van de omgeving. Ze kunnen beter spraak van ruis onderscheiden – wat op oudere leeftijd nog weleens een probleem is. En dat wordt geholpen door muziek te spelen op jonge leeftijd. Het is jammer dat de belangstelling voor muziek niet meer wordt gewekt door professionele krachten op de lagere school.’
Huijer: ‘Hoe meer je een kind aanbiedt, des te groter de kans dat het allerlei potentialiteiten ontwikkelt. De potentie om mooi te kunnen schrijven, mooi te musiceren, noem maar op. Of dat nu “hoge” of “lage” kunst is, klassieke muziek of popmuziek. Hoe meer je aanreikt, hoe meer vermogens het kind ontwikkelt.’
Swaab: ‘Er zijn opvallend veel studies gedaan met klassieke muziek, maar nauwelijks met popmuziek. Dus ik weet niet of ik dat kan onderschrijven.’
Huijer: ‘Ik zou me kunnen voorstellen dat als je een complex Afrikaans ritme aanbiedt aan deze prematuren, dat je meteen een verschil ziet aan het kind. Dat die complexere muziek, waar je bijna in mee moet gaan, veel meer tot ontwikkeling leidt dan iets wat zich alleen saai herhaalt.’
Swaab: ‘Baby’s kunnen nog elk buitenlands ritme prima verwerken. Later blijft alleen het ritme uit de eigen omgeving over. Wat ritme betreft: marsmuziek stimuleert weer andere hersengebieden dan Mozart. Marsmuziek stimuleert vooral de vitale functies in de hersenstam. Je bloeddruk, ademhaling en hartfrequentie gaan omhoog; je wordt klaargemaakt om te knokken. Daarom gebruikte het Schotse volk doedelzakspelers om vooruit te gaan in de strijd tegen de Engelsen. Dan moet je geen Mozart spelen.’  .

III. Vrouwen- en mannenbrein
Zijn de verschillen tussen mannen- en vrouwenbrein overtrokken?
Huijer: ‘Hersenwetenschappers zeggen: omdat er een hormonaal verschil is, ontwikkelen de hersenen van jongens en meisjes zich van meet af aan verschillend. Dat wordt door niemand betwist. Maar vervolgens ga je kijken wat het resultaat daarvan is als mannen en vrouwen volwassen zijn. Er zijn psychologische studies die laten zien dat mannen en vrouwen zich op bijna alle fronten hetzelfde gedragen, maar dat daar verandering in komt door het opgelegde verwachtingspatroon. Door socialisering. Als ik weet dat jij weet dat ik een vrouw ben, ga ik me anders gedragen. We weten hoe we ons “behoren” te gedragen als man of vrouw; wordt dat verwachtingspatroon aangepast, dan verandert ook het gedrag. Zulke studies laten zien dat er heel weinig werkelijke verschillen zijn tussen mannen en vrouwen.’ 
Swaab: ‘Ik ben altijd weer verbaasd hoe iedereen zijn best doet om verschillen weg te poetsen. Er zijn nu eenmaal verschillen. Dat begint al met je man of vrouw voelen: praktisch iedere man voelt zich man en iedere vrouw voelt zich vrouw.’ 
Huijer stroopt haar mouwen op. ‘Ik ken veel vrouwen die denken: was ik maar een man!’ 
Swaab: ‘Het aantal mensen dat daaruit consequenties trekt is één op tienduizend. Die veranderen van geslacht. Dat zijn transseksuelen. Verder is het zo dat als je naar de groep kijkt – de groep mannen en de groep vrouwen –, het grootste deel van de mensen heteroseksueel is. Ongeveer 90 procent.’
Huijer: ‘Vijfentachtig. Althans, als je de definitie van homoseksualiteit niet beperkt tot mensen die zichzelf homoseksueel of biseksueel noemen.’ 
Swaab: ‘Goed. De verwarring ontstaat, denk ik, doordat mensen het enerzijds over verschillen tussen de groepen hebben en anderzijds over individuele verschillen. Qua groep hebben mannen en vrouwen verschillen in belangstelling, verschillen in spelpatroon. Er wordt vaak gezegd: “Dat jongens met bewegende dingen en meisjes met poppen willen spelen, dat wordt opgedrongen door ouders.” Ik heb dat indertijd systematisch getest bij mijn eigen kinderen: het jongetje nam alleen de autootjes en het meisje alleen de poppen. Twee kinderen zijn natuurlijk niet genoeg voor een goede publicatie, dus ik was erg blij dat hetzelfde onderzoek is gedaan met jonge aapjes. Meisjesaapjes pakken bij voorkeur poppen; jongensaapjes kijken wat ze met een auto kunnen doen. Dat is niet opgedrongen door de apenmaatschappij; het zijn evolutionair oude patronen, die in de groep zitten. Dat neemt niet weg dat er overlap is tussen de groepen: er zijn ook meisjes die bij voorkeur met auto’s spelen en jongens die zich van jongs af aan interesseren voor poppen en de schoenen en kleding van de moeder. Of die zeggen dat ze een meisje willen worden. Het merendeel van die kinderen gaat niet de weg van transseksualiteit op. Maar het is wel een goede voorspeller van homoseksualiteit.’
Huijer: ‘“Man” en “vrouw” zijn woorden die door mensen zijn uitgedacht. Het zijn talige begrippen, die geplakt worden op biologische entiteiten. Wat er vervolgens, in de wetenschap, gebeurt, is dat een populatie met meer emoties als “vrouwelijk” wordt bestempeld. En al snel luidt de conclusie: meer emoties, dus een vrouwelijke brein. 
Nu kun je wel zeggen dat jongens meer met auto’s spelen en meisjes meer met poppen, maar het lastige is dat die kinderen voortdurend, vanaf het moment dat ze geboren worden, geconfronteerd worden met die labels “man” en “vrouw”. Ze krijgen een mannelijke of vrouwelijke naam, ze identificeren zich met het mannelijke of het vrouwelijke. Jongens gaan het gedrag van mannen – dus van broers, vaders en ooms – imiteren, meisjes dat van vrouwen. Dat maakt dat dit soort testen lastig te beoordelen is: je blijft zitten met het feit dat we een lange geschiedenis hebben waarin het baren en zogen van kinderen ertoe heeft geleid dat wij de ene populatie het woord “vrouwelijk” geven en de andere het woord “mannelijk”, en dat zich van daaruit patronen hebben ontwikkeld die heel stabiel in ons gedrag zitten. En niet alleen in ons gedrag, maar ook in de taal en de cultuur. Dat maakt het heel moeilijk om te zeggen: dit zit helemaal in de biologie, in de genen.’ 
Swaab: ‘Ook als niet het woord “man” of “vrouw” wordt gebruikt zoals in de apenmaatschappij, zie je nog steeds duidelijke verschillen. Ook in de taakverdeling binnen die maatschappij. Natuurlijk, de omgeving heeft invloed. Maar als je baby’s de eerste dag na hun geboorte test, dan kijken meisjes langer naar gezichten en jongens langer naar bewegende dingen.’ 
Huijer: ‘Zelfs dán is het nog de vraag of ze niet reageren op de manier waarop ze benaderd worden.’
Swaab: ‘Dat lijkt me niet waarschijnlijk, op z’n zachtst gezegd. We hebben ook veel geleerd van onderzoek naar mutaties, die stapsgewijs de seksuele differentiatie van het brein blootleggen. Er zijn mutaties die leiden tot een ongevoeligheid van het lichaam en het brein voor testosteron. Die zorgen ervoor dat mensen met XY – een mannelijk genetisch patroon – zich ontwikkelen als vrouw.’
Huijer: ‘Desalniettemin denk ik dat het brein zoveel aanpassingsmechanismen heeft dat je je toch, ook al heb je een heel “vrouwelijk” brein, heel mannelijk zou kunnen gedragen, als je wilt. Alleen al omdat de verschillen tussen wat wij kunnen als man en vrouw helemaal niet zo groot zijn.’  
Swaab: ‘Die aanpassingsmechanismen, dat vraag ik me af. Als een kind duidelijk maakt dat het ongelukkig is omdat het een ander geslacht wil, dan zal iedere ouder proberen om dat kind blij te laten zijn met het geslacht dat het heeft. Als de invloed van de omgeving heel groot zou zijn, was transseksualiteit geen issue.’
Huijer: ‘Maar dat heeft alles te maken met hoe wij naar mannen en vrouwen kijken. Als het geen enkel probleem was voor een vrouw om zich als man te gedragen, dan weet ik niet of die neiging om daarin mee te gaan niet kleiner zou zijn.’
Swaab: ‘Wat bedoel je? Zouden die kinderen dan niet van geslacht veranderen?’
Huijer: ‘Stel dat ik als man door het leven zou willen gaan. Dat levert problemen op, want mijn omgeving zou het niet zomaar accepteren. Je moet een enorm proces doormaken om dat voor elkaar te krijgen. Stel dat onze aanduidingen “man” en “vrouw” niet zo scherp zouden zijn, maar dat we in plaats daarvan tien categorieën zouden hebben, dan kan het  veel makkelijker zijn om te besluiten: “Ik doe dat gewoon met kleding en gedrag. Ik hoef dat lichaam niet per se te veranderen.”’
Swaab: ‘En sommige mensen doen dat. Het is een continuüm. Je hebt mannen en vrouwen…’ 
Huijer: ‘… en je hebt heel veel daartussenin.’ 
Swaab: ‘Niet heel veel, maar je hebt mensen die ertussenin zitten. Juist bij het zich man of vrouw voelen is de groep ertussenin niet groot. Je wordt ergens geplaatst op die as, net zoals met seksuele oriëntatie. Er zijn mensen die puur hetero zijn, er zijn mensen die puur homo zijn, en er zijn mensen die ergens daartussenin zitten. Maar het is een continuüm. En dat geldt eigenlijk voor alle eigenschappen die onderscheiden worden tussen mannen en vrouwen.’ 
Huijer: ‘Iemand kan heel emotioneel zijn, maar tegelijkertijd onvoorstelbaar goed in voetballen. Iedereen is een mengeling van zogenaamd “mannelijke” en zogenaamd “vrouwelijke” eigenschappen.’
Swaab: ‘Maar als je mannen en vrouwen als groepen bekijkt, kom je tot de conclusie dat er verschillen zijn.’
Huijer: ‘En toch: niet ieder individu past naadloos in die groep. Ieder individu mixt het mannelijke en het vrouwelijke.’ Lachend: ‘Ik heb het meisje in Dick Swaab ontdekt.’
Swaab: ‘Ik neem huilend afscheid.’

Voor onze lezers: vier fragmenten uit het nieuwe boek van Dick Swaab ‘Het creatieve brein’. 

Wegnemen van remmingen
Om creatiever te worden kunnen we proberen de remmende hersenmechanismen die we allemaal op onze creatieve vermogens lijken te hebben, op te heffen. Een bekende methode is het gebruik van verslavende middelen. Mozart, Beethoven, Schubert, Schumann en Brahms stonden bekend als stevige alcoholdrinkers. Modigliani eindigde in een dilirium na een kort leven vol met drugs en drank. Jackson Pollock was een alcoholist en kwam om bij een auto-ongeluk doordat hij onder invloed reed en ook de Nobelprijs winnaars Ernest Hemingway en John Steinbeck waren alcoholici. Honderd jaar geleden werd het drinken van absint geassocieerd met creativiteit. Emile Zola, Vincent van Gogh, Henri Toulouse-Lautrec en James Joyce namen stevig in. Opiaten werden gebruikt door Marcel Proust en Edgar Allan Poe, cocaïne door Sigmund Freud en amfetamines door Andy Warhol. (Dick Swaab)

Brainstormen
Een nieuwe omgeving, en het doorbreken van bestaande verwachtingspatronen bevordert de creativiteit. Dat is één van de redenen waarom wetenschappers worden gestimuleerd om in het buitenland te werken. Ook een probleem vanuit verschillende perspectieven bekijken, zoals gebeurt in een multidisciplinair team of met diversiteit in het bestuur, zou de creativiteit bevorderen. Ander onderzoek laat zien dat nieuwe ideeën gestimuleerd worden door lopend te ‘brainstormen’. De filosoof Friedrich Nietzsche was een fanatiek wandelaar en zei dat al zijn creatieve momenten ontstaan waren tijdens momenten van extreme spieractiviteit. Ideeën die in rust ontstonden waren volgens hem niets waard. (Dick Swaab

Absoluut gehoor
Muziek heeft een sterke invloed op de ontwikkeling, de structuur en het functioneren van onze hersenen. Hersenen van beroepsmusici zijn door hun muzikale aanleg en training anders dan die van niet-musici. Beroepsmusici hebben honderd maal vaker een absoluut gehoor dan de rest van de bevolking. Het hebben van een absoluut gehoor is voor tachtig procent erfelijk bepaald. Een absoluut gehoor komt bij Aziaten meer voor dan bij Westerlingen. Dit wordt door sommigen verklaard door de toontaal waaraan Aziaten van jongs af aan zijn blootgesteld. Maar ook voor het absoluut gehoor is van jongs af aan een muzikale training van groot belang. Overigens hebben sommige mensen juist last van hun absolute gehoor, omdat ze alleen maar afzonderlijke tonen horen en geen muziek. (Dick Swaab)

Meebewegen
Muziek en bewegen, je ziet meer en minder geslaagde pogingen tot een combinatie van deze twee overal om je heen. Massale dansparty’s zijn overal een succes. In China wordt, als anti-verouderingsmiddel, overal op straat gedanst, soms tot grote woede van mensen die niet meer tegen het lawaai kunnen. Een belangrijk verschil tussen klassieke- en lichte muziek zit hem in de beat. Een syncope is een ritmisch of melodisch accent dat niet samenvalt met de tel van een maat, maar juist ervoor of erna wordt gespeeld. De mate van syncopatie bepaalt of je mee moet bewegen met muziek. Het gaat daarbij om het schenden van de regelmaat, het spelen met de timing of het verleggen van accenten in een beat, zoal vaak gebeurt in funk, hip-hop en elektronische dans muziek. Te voorspelbare muziek, zoals marsmuziek, is te saai om op te dansen. Te complexe muziek, met een hoge mate van syncopatie, zoals freejazz, is te complex om mee te bewegen. De ideale dansbeat ligt ergens in het midden. (Dick Swaab)