Wetenschap checkt met experimenten de feiten, filosofie checkt het denken.
Iedereen die weleens een Jastrow-illusie heeft gezien, weet hoe gemakkelijk onze zintuigen ons kunnen verwarren: we kunnen in hetzelfde plaatje een konijn of een eend zien, al zien we ze nooit tegelijkertijd. En iemand die we van veraf herkennen als een van onze beste vrienden, kan dichterbij een onbekende blijken. Daarom kunnen we volgens de Perzische filosoof Ibn Sina (890-1037), ook wel bekend als Avicenna, beter naar de rede luisteren dan naar onze waarnemingen. Om zijn argument kracht bij te zetten, bedenkt hij het gedachte-experiment van de vliegende mens.
We zijn niet ons lichaam
Stel dat je geblinddoekt en met oordoppen door de lucht zweeft met je armen en benen volledig uitgespreid, zodat ze niets raken. De wereld om je heen neem je dus niet waar – je ziet niet de wolken boven je en voelt niet hoe de wind door je haren raast. En ga er daarbij vanuit dat je ook geen herinneringen hebt aan de wind en de wolken en de rest van de wereld. Toch ben je er zeker van dat je bestaat. Hoe weet je dat? En wat ben je dan? Je bent in ieder geval niet je lichaam, stelt Ibn Sina, want zonder waarneming weet je niet zeker of je dat hebt. Het lichaam is slechts een bijkomstigheid, concludeert hij, want we hebben het niet nodig om na te denken over ons bestaan. Dan moeten wij wel onze rede zijn.
Daarmee kan Ibn Sina gezien worden als een voorloper van de Franse denker René Descartes (1596-1650) die in zijn beroemde twijfelexperiment eveneens al zijn waarnemingen in twijfel trekt. Ook Descartes beargumenteert dat niets zeker is, behalve het feit dat er een ‘ik’ bestaat dat aan alles kan twijfelen: ‘Ik denk, dus ik ben.’
Echt?!
Maar kunnen we ons wel voorstellen hoe het is om geen lichaam te hebben? En wat heb je eigenlijk aan een rede als je daarmee niet kunt reflecteren op de wereld om je heen? Zonder input uit de wereld zijn je gedachten maar een saaie boel. Daarom stelt de Franse filosoof Maurice Merleau-Ponty (1908-1961) dat onze rede onlosmakelijk verbonden is met ons lichaam. De dingen waar we met onze rede over nadenken, zoals tafels, bomen en dappere daden, leren we alleen maar kennen via onze zintuigen: via ons lichaam dus. En omgekeerd zou ons lijf maar een klungelig omhulsel zijn, als er geen rede zou zijn die ermee interacteerde. Zonder lichaam geen rede, volgens Merleau-Ponty. Of zou de rede zo intelligent zijn dat die ons doet geloven dat we een lichaam hebben?

