Je moet er voor de grap eens een hele dag bij stilstaan dat iedereen die je ziet iets voelt. Stel je niet de vraag wat ze denken, maar vraag je af welke emoties hun lijven bewegen. Terwijl ik dit schrijf zit er tegenover mij in de trein een man mompelend dingen op zijn laptop te tikken, terwijl zijn blik ondertussen heen en weer van scherm naar telefoon gaat. Ik zou nu kunnen willen weten wat hij aan het doen is, en wat voor werk hij heeft, maar ik concentreer me op het idee dat hij zich op een bepaalde manier voelt. Zou hij zelf weten wat hij voelt, of wordt hij te veel door zijn werk afgeleid om dat te beseffen? Een paar stoelen verder zit een vrouw met oortjes in die af en toe ineens in de lach schiet. Er rollen zelfs tranen over haar wangen. Hoewel ik de neiging voel mee te lachen telkens als zij er weer in schiet, voel ik ook ongemak. Dat kan aan mij liggen, maar ze is zo druk bezig haar lach te onderdrukken dat ik het er een beetje benauwd van krijg.
Ik probeer me opnieuw te concentreren op deze tekst en stel me de vraag of er ooit een moment is dat je niets voelt, of dat je dan alleen maar niet opmerkt dat je voelt. ‘De geest is steeds de dupe van het hart,’ schreef François de la Rochefoucauld (1613-1680), maar Jean-Paul Sartre (1905-1980) zag dat anders. Emotie ziet hij weliswaar als ‘een plotselinge val van het bewustzijn in het magische.’ Maar niet één die je alleen maar overkomt. Je kunt even niet goed reageren op de wereld om je heen, waardoor je bewustzijn ervoor kiest om via de magische wereld van het voelen met de situatie om te gaan.
Om te kunnen schrijven probeer ik mezelf altijd in de juiste stemming te krijgen. Steeds vaker vermoed ik dat ik schrijf om dat te voelen, en niet andersom.
Even tussendoor …
Meer columns lezen van Coen Simon? Schrijf je in voor de gratis nieuwsbrief:

