Log in

Wachtwoord vergeten?

Word lid Log in Contact

Filosofie.nl

vrijdag 19 maart 2021

‘Wij zijn verscheurd tussen orde en chaos’

Marc van Dijk

Paul van Tongeren is de nieuwe Denker des Vaderlands. Om zijn denkwereld te leren kennen reisde journalist Marc van Dijk met hem mee naar Kreta, waar Van Tongeren een cursus gaf over geluk bij Aristoteles. Tijdens de interviews onder de sterrenhemel doemde naast het geluk ook het nihilisme op.

Na de eerste collegedag zijn we terug op het kleine dakterras van het huis in Kritsa op Oost-Kreta, ons thuis voor deze week. Boven de daken uit klinken de geluiden van het dorp: af en toe een auto die door een naburig straatje omhoogkruipt, blaffende honden en voortdurend het getsjilp van krekels. Het loopt tegen tien uur in de avond, maar nog altijd is het zo’n 23 graden. Boven ons een diepdonkere hemel waarin de sterren fonkelend stralen.

Paul van Tongeren stopt zijn broekspijpen in zijn sokken en smeert zich in om de muggen op afstand te houden. We praten na over het openingscollege, waarin hij Aristoteles (384-322 v.Chr.) ‘in zekere zin religieus’ noemde. Had Aristoteles een god, of goden? ‘Ik doelde met name op de onderliggende overtuiging dat “het goed in elkaar zit”. Dat is het belangrijkste filosofische vooroordeel van Aristoteles en de meeste oude Grieken.’

Wát zit goed in elkaar?
‘De hele werkelijkheid. Van de sterrenhemel – die ook vanavond weer een hoge mate van perfectie uitstraalt – tot aan de kleinste diertjes die in de aarde krioelen. En dan het wonderlijke gegeven dat de mens zich daartussen bevindt en dat allemaal kan zien. Aristoteles is zo ongeveer de oerwetenschapper. Hij snijdt eigenhandig dieren open om ze te ontleden. En in dat wetenschappelijke enthousiasme kán hij niet anders dan twee dingen constateren. Ten eerste: het zit allemaal wonderlijk goed in elkaar. Ten tweede: het is wonderlijk dat ik dat kan zien, en inzien, dat ik dit allemaal kan kennen. Aristoteles ervaart in een diepe zin van het woord dat de werkelijkheid uiteindelijk goed is.’

En dat is dus ‘in zekere zin religieus’?
Ja, uit die houding klinkt iets wat volgens mij met de kern van religie te maken heeft. Aristoteles ziet met zijn grenzeloze wetenschappelijke nieuwsgierigheid hoe ingenieus het allemaal in elkaar zit. De werkelijkheid verwondert hem mateloos en stemt hem dankbaar. Aristoteles hield zich niet zo bezig met godsbeelden. Hij hield zich bezig met de werkelijkheid. Die is voor hem uiteindelijk goddelijk.’

Er slaat een hond aan, vlakbij, alsof hij geschrokken is van wat er net gezegd werd. Andere honden reageren.

Van Tongeren vervolgt: ‘Goddelijk niet in de zin van een pantheïsme, maar eerder op de manier waarop wij iets wat we schitterend of verrukkelijk vinden “goddelijk” kunnen noemen. Zo’n religiositeit van dankbare verwondering is iets waarmee ik me wel verwant voel, terwijl ik er tegelijkertijd ook wel een probleem mee heb. Behalve Aristoteles is Nietzsche voor mij een belangrijke inspiratiebron. En die zegt niet dat de werkelijkheid goed in elkaar zit. Integendeel, die zegt dat de werkelijkheid chaos is.’

Zo ervaren we het niet. Althans, de wereld oogt toch niet alsof het één grote chaos is?
‘Inderdaad. We hebben onze zaken redelijk geordend. Je kunt op je telefoon kijken om te weten wat voor weer het wordt. Dat werkt omdat we onze kennis, onze techniek, onze verwachtingen en onze verlangens op elkaar hebben afgestemd. Maar dat complete stelsel waarop we massaal vertrouwen is volgens Nietzsche ingekaderd in een geheel van interpretaties dat zelf geen fundament heeft.

Op sommige momenten kun je ineens het broze karakter van die constructie beseffen. In een beeld van Nietzsche: soms kan dat geheel van theorieën en technieken waarmee we onze wereld begrijpen plotseling verschijnen als een bouwsel zo subtiel, maar ook zo fragiel als een spinnenweb.’

Dat is geen prettige gewaarwording.
‘Zeker niet. Het doet mij denken aan de situatie van Aniek, een jonge vrouw die ik ken. Zij lijdt aan een zeer ernstige vorm van autisme en haar leven is bij vlagen erg zwaar. De wereld verschijnt voor Aniek op elk moment als een puzzel. Ze moet constant de puzzelstukjes weer bij elkaar zien te krijgen om te zien wat ook alweer de voorstelling is. Soms lukt dat helemaal niet. Dan kan het uren duren voordat ze kan opstaan. Soms is de paniek zo groot dat ze niet eens meer kan praten. Als je dat meemaakt, zie je hoe wonderlijk het is dat het voor de meesten van ons allemaal op zijn plaats staat, voortdurend.’

Ja, zelfs als we even in de war zijn, kunnen we doorgaans nog functioneren. Ook dan weten we nog steeds wel wat boven en beneden is.
‘Precies, en dan zijn we weer terug bij Nietzsche, want die schrijft juist dat er iets gebeurd is waardoor we uiteindelijk elke oriëntatie zullen verliezen: er is dan geen rechts en links, geen boven en beneden meer. De horizon is uitgewist. Die gebeurtenis duidt hij aan als “de dood van God”. Dat betekent niet zozeer dat we ongelovig zijn geworden of zoiets. Nee, “de dwaze mens”, de figuur die Nietzsche opvoert als boodschapper, richt zich tot mensen die al niet meer in God geloven. Dus voor hen is de dood van God geen nieuws.

Als de dwaze mens niettemin een schokkende boodschap brengt, is dat omdat het hem gaat om de plaats van die “God” in dat hele systeem – iets wat juist die ongelovigen niet zien. “God” staat dan voor het fundament van het gebouw, de sluitsteen van het gewelf, de kern van het systeem van interpretaties waarmee we de werkelijkheid aan ons onderworpen hebben. Dat betekent dat het geheel van interpretaties waardoor we ons thuis voelen in de wereld op instorten staat; we krijgen in de gaten dat er geen orde bestaat. De dwaze mens zegt dan ook: “Vallen we niet voortdurend, achterover, opzij, naar voren, alle kanten op?”’

Als je tijdens een heldere nacht naar de sterren kijkt, zoals vanavond, kan het je plotsklaps duizelen. Ik ben er zelf weleens van in paniek geraakt: het besef dat we op een brok steen door een onverschillig universum bewegen.
‘Dat is de huivering waar ook de zeventiende-eeuwse denker Blaise Pascal over spreekt; maar volgens hem is de mens, die niets voorstelt in dat immense heelal, die niet meer dan een strootje is, wel een dénkend strootje, en daarin schuilt dan toch de grootheid van dat nietige wezen.

Bovendien staat bij hem tegenover de huiveringwekkende leegte steeds weer het vertrouwen op een genadige God die volgens een bijbeltekst “zelfs het geknakte riet niet zal breken”. Nietzsche noemt dat vertrouwen Pascals “zelfmoord van de ratio”. Hij probeert nog radicaler de leegte te schetsen, zonder troost, zonder toevluchtsoord.’

Dit is de eerste helft van het interview met de nieuwe Denker des Vaderlands. Lees hier het volledige interview.