Home Niet-westerse filosofie Wat we van de Tao kunnen leren
Niet-westerse filosofie

Wat we van de Tao kunnen leren

Door Michel Dijkstra en Simone Bassie, Michel Dijkstra en Simone Bassie op 22 januari 2021

Wat we van de Tao kunnen leren
Cover van 02-2021
02-2021 Filosofie magazine Lees het magazine

‘Zij die het weten, spreken niet. Zij die spreken, weten het niet,’ luidt een beroemde uitspraak uit het taoïsme. Gelukkig houdt kenner Jan De Meyer zich daar niet aan in zijn nieuwe boek Wat kan ik leren van de taoïsten. De Tao in vijf lessen.

1 Wees bescheiden met kennis

Jan De Meyer: ‘De taoïsten stellen de vraag: hoeveel kunnen wij kennen? In het eerste gedicht van de basistekst Daodejing of Boek van de Weg en de Kracht komt het besef ter sprake dat woorden er nooit in slagen om de meest fundamentele realiteit uit te drukken. Deze ultieme werkelijkheid kun je aanduiden met het woord “Tao”. Dit begrip wordt vaak met “de Weg” vertaald, maar heeft daarnaast ook andere betekenissen, zoals “kosmisch beginsel” of “oorsprong van het heelal”. Tao was er al voordat wij er waren en blijft bestaan als wij er allang niet meer zijn. Verder is de Weg ook een proces in de natuur, het menselijk lichaam en de menselijke persoonlijkheid. Bovendien is Tao alomvattend en trekt die zich niets van onze concepten aan. Al onze woorden en gedachten ketsen op dit mysterie af.
Deze ontoereikendheid van ons denken impliceert overigens niet dat de mens te dom is om iets over Tao te zeggen. Integendeel, de Weg moet ongrijpbaar zijn omdat je anders zijn alomvattendheid aan het zicht onttrekt of op z’n minst niet respecteert. Als je Tao bijvoorbeeld met een paar dingen vereenzelvigt, suggereer je dat die een heleboel andere zaken niet is. En dat kan niet, want Tao is juist alomvattend. Je komt dichter bij dit mysterie met uitspraken als: “Tao is groot én klein” en: “Tao overstijgt alle dingen én is aanwezig in alle dingen.” Hier stuiten we op de grenzen van ons voorstellingsvermogen en past een bescheiden visie op kennis. De taoïsten wijzen ons erop dat het accumuleren van kennis vaak gepaard gaat met hoogmoed. Wij denken bijvoorbeeld dat we de natuur begrijpen en dat we haar vervolgens kunnen beheersen. In werkelijkheid is de mens maar een klein onderdeel van de “tienduizend dingen” of alles wat is. Een onderdeeltje, bovendien, dat de neiging heeft om zichzelf te overschreeuwen.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

2 Doe het niet-doen

‘Niet doen is geen niets-doen. Taoïsten waarschuwen er alleen voor dat je niet iets moet ondernemen wat indruist tegen de natuurlijke processen. Een vogel maakt tijdens het vliegen ontiegelijk veel bewegingen met zijn vleugels. Als hij echter bij elk van die bewegingen zou denken: “Nu moet ik iets doen!”, valt hij direct uit de lucht. “Niet-doen” of wuwei slaat dan ook op een spontane of authentieke handeling. In dit concept valt trouwens de negatie op, het wu of “niet”: je moet niet storend ingrijpen in de natuurlijke gang der zaken. Politiek gezien vertaalt deze opvatting zich in de aanwijzing aan de vorst om zich zo min mogelijk te bemoeien met het leven van zijn onderdanen. Op die manier is iedereen in staat om zijn “natuurlijkheid” of ziran te verwezenlijken. Dit Chinese begrip, dat je letterlijk kunt vertalen als “uit-zichzelf-zo” slaat trouwens ook op de natuur. Je kunt het denken van de taoïsten als een utopie opvatten: ze vertrouwen erop dat er zich een spontane orde manifesteert als iedereen vanuit spontaniteit handelt. Vandaar ook dat er in de Daodejing staat: “Als niet-doen wordt gedaan, blijft niets ongedaan.” Concreet betekent dit dat de mens wordt uitgenodigd om het “niet-doen” en de “natuurlijkheid” in zijn of haar leven te belichamen.’

3 Zorg voor het milieu

‘Volgens het taoïsme is de mens met al zijn pretentieuze kennis maar een klein onderdeel van een groter geheel. Als individu ben je bijvoorbeeld verbonden met je familie, het land, de planeet en de “tienduizend dingen” of het universum. De taoïsten benadrukken bovendien dat de mens onlosmakelijk verbonden is met de natuur: “De Aarde is onze Moeder.” Omstreeks de tweede eeuw na Christus ontstaat er in China een stroming, de zogenoemde Weg van de Hemelse Meesters, die een ecologische levensvisie ontwikkelt op basis van de Daodejing. De hoofdgedachte van deze richting is even eenvoudig als fundamenteel: juist omdat de mens maar een klein onderdeel van het heelal vormt, mag hij de schepping niet naar zijn hand zetten. Het is buitengewoon frappant dat deze taoïsten zo vroeg in de geschiedenis al het inzicht hebben dat de mens het milieu volkomen kan vernietigen.

De Weg van de Hemelse Meesters roept dan ook op om bossen en water in ere te houden. Volgens deze stroming moet je primair het water zuiver houden, want dat is levengevend.

Natuurlijk zijn er ook situaties waarin er te veel water is, bijvoorbeeld als je uit je bootje tuimelt en verdrinkt, maar daar gaat het hier niet om. De taoïsten roepen ons op om de natuur de natuur te laten zijn, zodat zij zich kan herstellen. Dit denkbeeld wordt geschraagd door een groot vertrouwen dat de natuur zichzelf prima kan beheren, zonder ons. Zo’n denkbeeld staat haaks op het huidige streven om de natuur te “redden”. Opnieuw komt het erop aan om niet storend in te grijpen, maar te vertrouwen op wat er al is, namelijk de zelfregeneratie van Moeder Aarde.’

4 Vind vrijheid

‘Het taoïsme staat in het Westen bekend als een filosofie van de vrijheid, maar dit ligt bij nader inzien ingewikkeld. In het klassieke China bestaat het woord “vrijheid” namelijk niet. Toch voel je dat de klassieke taoïstische geschriftenbundel Zhuangzi één ode aan dit concept is. Hoe kan dit? Tegenwoordig leven we in een wereld van rechten: de lijst van zaken waar we recht op denken te hebben is nog nooit zo lang geweest. In het klassieke China zijn er geen rechten, maar alleen plichten. Er valt dus ook niets op te eisen. Het enige wat je kunt doen, is jouw vrijheidsideaal in de praktijk realiseren. Hoe vertaal je wuwei en ziran in je eigen leven? Je kunt deze kwestie zelfs verbinden met de welbekende vraag naar de zin van het leven. Volgens de taoïsten ligt het antwoord op deze vraag in “de leegte”. Dit op het eerste gezicht hoogst abstracte begrip slaat op het openhouden van je geest, het je ontdoen van zo veel mogelijk vastgeroeste ideeën en schijnzekerheden. In plaats van je geest vol te stoppen met kennis, komt het erop aan om een leegte in jezelf te creëren. Op dat moment kan jouw talent zijn werk doen. Je ziet dit proces bijvoorbeeld bij de artistieke creatie, als de kunstenaar ineens door inspiratie wordt overvallen. In de Zhuangzi tref je allerlei verhalen aan van specialisten die hun talent in optima forma hebben gerealiseerd. Zij leggen zich toe op specifieke activiteiten als zwemmen in levensgevaarlijke watervallen of een rund zodanig ontleden dat hun mes na negentien jaar nog niet bot is.’

5 Zorg dat je niet opbrandt

‘Je kunt de taoïstische levenspraxis samenvatten als: “Een kalme geest in een bewegend lichaam.” Als de mens zijn lijf niet beweegt, stagneert alles en komt hij wellicht voortijdig te overlijden. De geest moet echter rustig zijn. Als die te zeer door emoties wordt beroerd of met kennis wordt overladen, slaat ze op hol. Dan brandt de mens op en zal hij het natuurlijk aantal jaren dat hem gegeven is niet kunnen uitleven. Onze energie is niet oneindig; je moet er zuinig mee omgaan. In de Zhuangzi staat een verhaal over een “nutteloze boom” die deze levenshouding verzinnebeeldt. Juist omdat hij geen specifiek doel dient, kan de boom zo lang bestaan als hem door de natuur wordt gegeven. Het klinkt misschien een tikkeltje bizar, maar de taoïsten roepen ons op om gezamenlijk een groot bos vol nutteloze bomen te worden. Zoiets kan alleen als iedereen bij zichzelf begint. Met andere woorden, probeer terug te keren tot je oorspronkelijkheid. Niet voor niets stelt de Daodejing: “Terugkeer is de beweging van Tao.”
Een ander beeld dat de taoïsten gebruiken voor hun ideale “maatschappij” waarin niemand opbrandt is dat van de “vissen die elkaar vergeten in de rivier”. Als je zo’n uitspraak voor het eerst hoort, klinkt die misschien hardvochtig: zijn de vissen dan niet met elkaar begaan? Bij nader inzien duiden deze woorden op de natuurlijkheid van elk wezen. Als iedereen in zijn element is, verdwijnt eventuele obstructie vanzelf. Iedereen geeft aan iedereen de ruimte om volledig te leven.’

Wat kan ik leren van de taoïsten?
Jan De Meyer
Pelckmans
247 blz. | € 20,-