Home Werk ‘Wat heeft dit werk met mijn leven te maken?’
Werk

‘Wat heeft dit werk met mijn leven te maken?’

Door Wilhelm Schmid op 19 maart 2013

05-2004 Filosofie magazine Lees het magazine
Geen autoriteit, geen dominee of politieke partij zal ons nog vertellen hoe we moeten leven; de moderne mens moet zichzelf zien te redden. De Berlijnse denker Wilhelm Schmid bespreekt deze condition humaine. 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Kent u dat gevoel om ‘opgebrand’ te zijn? Het is een betrouwbare indicator voor de zin van het werk maar ook die van het leven.
 
Veel mensen zoeken werk, en nog veel meer mensen zijn bang om werkloos te worden. Werk lijkt de spil te zijn waar het in de moderne samenleving allemaal om draait: je hebt werk of je bent werkloos, en daarvan is je persoonlijk geluk afhankelijk. Toch worden ook degenen die werk hebben en gewoon hun dagelijks werk verrichten met het probleem geconfronteerd dat ze geen band met hun werk ervaren, wat de vraag bij hen oproept: ‘Wat is de zin van wat ik doe?’. Want zinvolheid schenkt onuitputtelijke krachten, maar zinloosheid maakt iemand futloos, opgebrand, ziek en uiteindelijk dwingt deze ziekte dan tot nadenken.

Kent u dat gevoel om ‘opgebrand’ te zijn? Het is een betrouwbare indicator voor de urgentie van de vraag naar zin, de zin van het werk maar ook die van het leven. Een burnout ontstaat als zin in al zijn vormen ontbreekt. Dat werk, leven en zin ver uit elkaar zijn gedreven, blijkt wel uit de veelvuldigheid waarmee op de tegenwoordige managementseminars over een work-life-balance wordt gesproken: werk en leven, hard werken en genieten van het leven, beroep en gezin, zinloosheid en zinvolheid moeten weer met elkaar verzoend worden. Begripsmatig gezien is hier echter sprake van een soort vereffening en daaruit blijkt waar het eigenlijke probleem ligt: doordat het werk niet langer als onderdeel van een zinvol leven wordt ervaren, is men gedwongen om naar een ‘balans’ tussen de twee te zoeken. Kan dat wel goed gaan?
 

Sabbatical

Wellicht zit het probleem, en daarmee de oplossing, in onze opvatting van werk zelf. Wat is werk nu precies? Het antwoord lijkt voor de hand te liggen: een baan hebben en je taken overeenkomstig de functieomschrijving vervullen, zodat je van de opbrengst kunt leven. Dit is echter slechts de moderne visie op het begrip arbeid, die stamt uit de industriële maatschappij en die zijn langste tijd gehad heeft. Voor een toekomstige, ‘andere moderniteit’ willen wij hier een poging doen het begrip anders te definiëren: werk is al datgene wat ik in relatie tot mijzelf en mijn leven doe om een mooi en waardevol leven te leiden. Alle aandacht hiervoor, elke hieraan bestede inspanning kan werk zijn, lichamelijk, psychisch of geestelijk.

 

Allereerst gaat het hierbij om werken aan zichzelf. Deze vorm van werk heeft tot doel vertrouwd te raken met het zelf en staat volledig in dienst van het zelf. Werkloosheid is hierbij niet aan de orde en het is werk dat de voorwaarde vormt voor alle andere soorten werk en die doordringt. Dat geldt bijvoorbeeld voor het werken aan vriendschap, waaraan moderne mensen zich moeten wijden om hun banden met anderen te hernieuwen, terwijl het onderhouden van vriendschappen in niet-moderne culturen nog een vanzelfsprekendheid was. Het geldt ook voor het werken aan het gezin: de intiemste relaties te onderhouden, het moeilijke samenleven te organiseren, de huishoudelijke taken te verrichten, het gemeenschappelijke levensritme zien te vinden, het dagelijkse gezinsleven te volbrengen, kinderen op te voeden.

Naarmate de maatschappij verbrokkelt, neemt bovendien het belang van het werken als burger toe, dat begint met het vormgeven aan de ontmoeting met anderen in het dagelijks leven en niet ophoudt met het werken aan de maatschappij in de zogeheten ‘derde sector’ die naast overheid en bedrijfsleven bestaat, en dat gericht is op maatschappelijke dienstverlening en zelfredzaamheid. Het is bij uitstek hier dat de zin van werk en levenszin ervaarbaar zijn. Onze opmerkzaamheid verdient verder het nietsdoen als werk, dat nieuwe perspectieven kan openen: werken is geenszins alleen een doen, maar ook een laten, niet enkel activiteit, maar ook passiviteit, die in het moderne leven echter dusdanig verwaarloosd is dat het individu niet meer aan bezinning toekomt en het vermogen verliest om samenhang te zien. En ten slotte, maar nu ingebed in de verschillende aspecten van werk, is er het werken voor de kost, waarbij het van belang is of het in relatie tot het eigen leven bezien en als op zichzelf betekenisvol kan worden begrepen. Ontbreekt dit inkomensaspect, dan blijven de andere aspecten van werk desondanks behouden.
 

‘Levenswerk’

Wie werk en leven afzonderlijk beziet, zal daartussen een balans moeten zoeken. Daarentegen stellen de voorgaande aspecten ons in staat een veelomvattender begrip van werk te formuleren: het ‘levenswerk’, waarin werk en leven en de verschillende aspecten van werk een geheel vormen. Levenswerk herstelt de samenhangen die in het zuiver economisch opgevatte arbeidsbegrip zo schrijnend ontbreken: werk is niet louter ‘goederenproductie’ of enkel ‘lonende activiteit’, maar een daad in de vormgeving van het leven, een ars laborandi als bestanddeel van de ars vivendi. En voor alle werk geldt de basisregel van het fabricando fabricamur: door te werken bewerken wij onszelf. Het werken aan iets, het soort werk en de manier van werken, de houding tegenover het werk – dat alles heeft zijn uitwerking op het zelf, en wel in zo sterke mate dat ook karaktereigenschappen daardoor gevormd en veranderd worden. Dat gebeurt altijd, maar het is de vraag of men het ook als volgt opvat: werk als ascese, als medium om te oefenen en zich door deze oefening en gewenning zelf vorm te geven.


Levenswerk omvat naast de beide andere genoemde aspecten echter bovenal het werken aan zin, in eerste instantie met betrekking tot het werk zelf. Bij deze wijze van werken gaat het erom het eigen werken, ja alle werken, in zijn verband tot een breder kader te bezien en te onderzoeken of en zo ja, welke betekenis het heeft: in een huis, in een instelling, in de maatschappij. In perioden van rust, ‘retraite’, sabbaticals zijn dergelijke verbanden beter te achterhalen dan te midden van dagelijkse verplichtingen. Het gaat allereerst om de vraag naar teleologische samenhangen, het ‘waarvoor doe ik het?’, opdat ons werk nut heeft en we kunnen toewerken naar een doel (Grieks: télos), bijvoorbeeld om bepaalde verhoudingen te veranderen of verbeteren, om onszelf en anderen te helpen. Onderwerp van de eigen zingeving zijn verder de sociale samenhangen, die erop gericht zijn andere dan louter functionele, op zijn minst coöperatieve en in het beste geval vriendschappelijke betrekkingen in de werkomgeving te realiseren. Want als we naast de teleologische samenhangen ook de sociale nog moeten missen, dan kan elk werk uitlopen op de bittere ervaring van totale zinloosheid. Daartegenover blijkt de reikwijdte van economische samenhangen slechts beperkt te zijn: heeft het werken voor het geld, heeft het werken in deze onderneming, heeft het huidige ondernemen of zelfs het welvaartsstreven op zich wel zin? Als de onderkende samenhangen uitsluitend van economische aard zijn, leidt dat onvermijdelijk tot vragen naar ethische samenhangen, naar hoe werk en economie gerelateerd zijn aan waarden en aan een maatschappelijke, sociale en ecologische verantwoording. Ook de economie komt er niet omheen ‘zin te verschaffen’ en mag daarbij de mensen niets opleggen: niet geproclameerde, maar invoelbare samenhangen komen in aanmerking voor een duurzame zingeving.
 
Werken aan zin zoekt vooral antwoord op de vraag: ‘Wat heeft het werk met mijn leven te maken?’ Werk, in welke vorm ook, is geen ‘zin op zich’. Zin krijgt werk pas in het kader van samenhangen, in het bijzonder met het eigen leven. ‘Levenswerk’ is werken aan ideële samenhangen, bovenal aan het zich in ideële zin toe-eigenen van het werk, óók het ‘werken voor de kost’, zodat we het als deel van ons eigen leven zien. Dit niet om tegemoet te komen aan het belang van een zogenaamd ‘kapitaal’, maar uit welbegrepen eigenbelang, om het gevaar te bezweren dat we werk als louter een bijkomstigheid gaan zien, want daarmee verkwisten we zin en verdoen we een deel van ons leven. Zal het ooit mogelijk worden om werk als kunst op te vatten, als een autonome, creatieve activiteit ter verwerkelijking van mogelijkheden en als streven naar een optimale zelfrealisatie? Het zou bijzonder jammer zijn, voor iedereen, wanneer dat slechts een droom zou blijven.
 
Wilhelm Schmid is filosoof. Hij woont in Berlijn. In Nederland is van hem verschenen Filosofie van de levenskunst. Inleiding in het mooie leven, uitg.Ambo/Anthos, Amsterdam 2001. Homepage: www.lebenskunstphilosophie.de
 
Vertaald uit het Duits door Ruud van de Plassche