Home Taal Wittgenstein, de man die filosofeerde aan het front
Taal

Wittgenstein, de man die filosofeerde aan het front

Niemand dacht oorspronkelijker, speelser en scherper dan Ludwig Wittgenstein. Bert Keizer vindt dat iedereen deze lastige man moet leren kennen.

Door Bert Keizer op 24 december 2021

Wittgenstein, de man die filosofeerde aan het front Beeld: Anne Caesar
Cover van 01-2022
01-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Vaders aandringen

Ludwig was het achtste en laatste kind van Leopoldine Kalmus en Karl Wittgenstein. Hij werd in 1889 in Wenen geboren, waar de Wittgensteins inmiddels een zeer vooraanstaande familie waren: zowel cultureel als financieel behoorden zij tot de geëmancipeerde, ooit joodse maar nu vagelijk katholieke elite die in economisch, muzikaal, artistiek, literair en journalistiek opzicht de ruggengraat vormde van het geestelijke leven in het Wenen van rond de eeuwwisseling.

Op zijn vaders aandringen studeerde Wittgenstein werktuigbouwkunde in Berlijn. Vader Wittgenstein drong nogal eens aan, waar het zijn zoons betrof. Met catastrofale gevolgen voor twee van hen. Hans was een muzikaal genie die zijn talent onder vaderlijke druk niet mocht volgen. Hij moest en zou de staalindustrie in. Hij vluchtte van zijn vader weg naar Amerika, waar hij in 1902 van een boot verdween in Chesapeake Bay, naar men aanneemt door zelfmoord. Een andere broer, Rudolf, pleegde zelfmoord in 1904 in Berlijn, waar hij zich tegen zijn vaders wil ophield om bij het toneel te gaan. Rudolf kwam tot zijn wanhoopsdaad door de dood van een vriend en vanwege vertwijfeling over zijn homoseksualiteit. Hij doodde zichzelf op de avond van 2 mei in een Berlijns restaurant waar hij kaliumcyanide in zijn melk deed terwijl de pianist op zijn verzoek het nummer Verlassen, verlassen, verlassen, bin ich speelde. Zijn lichaam werd twee dagen later zonder ceremonie in Wenen begraven.

Wittgensteins redding

In 1908, negentien jaar oud, ging Wittgenstein naar Manchester om onderzoek te doen in aërodynamica. Daar las hij onder meer Bertrand Russells Principles of Mathematics en raakte hij gefascineerd door het probleem van een logische onderbouwing van wiskundige kennis en de aard van logica zelf. Het werd een obsessie voor hem, en in 1911 bezocht hij Frege in Jena, met plannen voor een filosofisch werk. Frege verwees Wittgenstein naar Russell, die filosofie doceerde in Cambridge, waar Wittgenstein zich in oktober 1911 dan ook presenteerde.

Ongetwijfeld heeft Wittgenstein een deel van zijn eerste filosofische bloei aan de ontmoeting met Russell te danken. Russell heeft deze ontmoeting met Wittgenstein in alle stadia van inspiratie, onbegrip, vertedering, woede, vriendschap, frustratie en bewondering beschreven in brieven aan zijn geliefde uit die tijd, Ottoline Morrell:

9 oktober 1911
‘(…) Mijn Duitse vriend dreigt een last te worden, hij liep met me mee na mijn college en bleef maar door-argumenteren tot het souper; dwars en raar, maar niet dom.’

1 november 1911
‘(…) Mijn Duitse ingenieur erg vermoeiend, eindeloos debatterend. Hij wilde niet toegeven dat er zeker geen neushoorn in de kamer was.’

De fanatieke intensiteit waarmee Wittgenstein zich vastbeet in de problematiek was kenmerkend voor hem in deze periode. Hij weifelde tussen aërodynamica en filosofie en eiste min of meer van Russell dat deze hem uit zijn strijd zou verlossen. Dit deed Russell door hem aan te moedigen en algauw te erkennen dat Wittgenstein de jongeman was die de problemen waar Russell zich te oud voor voelde worden, misschien zou oplossen.

Russells aanmoediging betekende Wittgensteins redding, na een periode van negen jaar waarin hij vaak aan zelfmoord had gedacht in hopeloze eenzaamheid. Althans, zo vertelde Wittgenstein later aan zijn vriend David Pinsent. Maar zijn verdere leven zou gekenmerkt blijven door wisselende wanhoop over wat hij kon, zou willen kunnen, en vooral over wat hij, in moreel opzicht, deed.

Filosoferen aan het front

Het is voor ons vrijwel onmogelijk om augustus 1914 na te voelen. Wat wij achteraf met nutteloze zekerheid kunnen kenschetsen als een ellendige rotoorlog, een vreselijke gehaktmolen waar Europa zichzelf met enthousiasme in prakte, werd in die eerste weken allerminst zo ervaren. Over heel Europa stroopten mannen en vrouwen vreugdevol en vastberaden de mouwen op voor een stevige kloppartij. Slechts zeer zeer weinigen vielen niet voor die roes van de eerste paar weken. In dit opzicht was Wittgenstein in ieder geval geen uitzondering en je kunt het slechts handenwringend gadeslaan, maar hij meldde zich als vrijwilliger. Hij beschouwde het soldatenleven in oorlogstijd, de moed die hij zou moeten tonen in de nabijheid van de dood, als een beproeving waar hij als een beter mens uit tevoorschijn hoopte te komen.

Gedurende de eerste twee jaar van de oorlog bevond hij zich achter de linies, waar hij onder andere in een reparatiewerkplaats werkte. Zijn filosofische werk ging overigens door, ondanks de beroerde omstandigheden waarin hij verkeerde. Hij had het erg moeilijk in het leger en werd er zelfs suïcidaal, niet door kogelregens of handgranaten, maar door de manschappen tussen wie hij zich als gewoon soldaat bevond en met wie hij het vrijwel onmogelijk vond zijn leven te delen. De afbeeldingstheorie over taal – het idee dat taal net als een afbeelding een model van de werkelijkheid is – ontwikkelde hij ergens in 1916, toen hij in een tijdschrift las hoe tijdens een rechtszaak in Parijs de toedracht van een verkeersongeval met enkele eenvoudige hulpmiddelen in de rechtszaal werd gereconstrueerd. In 1916 had hij een eerste versie van de Tractatus op papier.

Een stuk gereedschap

Na de Tractatus liet Wittgenstein filosofie enkele jaren voor wat ze was. En toen hij zijn denkwerk weer opvatte, ontstond er geleidelijk die versoepeling van zijn denken, waarmee de staalblauwe zekerheid van de Tractatus verandert in iets lenigs en beweeglijks dat hij nooit meer zou verliezen.

In de Filosofische onderzoekingen, zijn latere, postuum gepubliceerde werk, komt Wittgenstein terug op het idee dat alle woorden als afbeeldingen van de werkelijkheid functioneren. Het gaat er Wittgenstein om te laten zien dat woorden net zo verschillen als stukken gereedschap of als handgrepen. Laten we, tegen deze les in, toch nog eens proberen alle woorden, of alle taaluitingen, als beschrijvend te beschouwen. Wat beschrijft dan bijvoorbeeld mijn uitroep ‘Ga weg!’?

Nou, mijn gevoel van woede over de aanwezigheid van wat het ook is dat weg moet, zeg maar een vreemde kat in mijn keuken. En uw dreigende gebaren, uw ‘Kssst, kssst’, zijn die ook allemaal beschrijvend? En de vrouw die op deze analyse reageert met: ‘Ammehoela!’, wat beschrijft zij met dat ene woord? Zij beschrijft haar afkeuring van mijn analyse, zou je kunnen zeggen. Maar waarom zou je zo vasthouden aan taal als beschrijving? Kijk eens naar een willekeurige opsomming van dingen die we doen met woorden: vragen – bedanken– vervloeken – uitstellen – beschrijven – bidden – bevelen – gehoorzamen – liegen – bekennen – gissen – beminnen – kwetsen. Waarom zou je daar steeds het woordje ‘beschrijven’ voor zetten? Volgens Wittgenstein zit betekenis dus niet in een woord, als een snoepje in papier. De betekenis van een woord is wat je ermee doet.

Een woord is, inderdaad, als een stuk gereedschap.

Leven en werk van Ludwig Wittgenstein

Voor deze tekst is gebruik gemaakt van Leven en werk van Ludwig Wittgenstein van Bert Keizer.