Log in

Wachtwoord vergeten?

Word lid Log in Contact

Filosofie.nl

Filosofie Magazine nr. 2/2021

‘Sport heeft het lichaam niet bevrijd’

Peter Henk Steenhuis

Als topsporter was ooit haar motto: ‘Een dag niet getraind is een dag niet geleefd.’ Als filosoof ziet Sandra Meeuwsen het anders. ‘De romantiek van het spel verhult de biopolitiek van de sport.’

Tijdens de laatste klimtijdrit in de Tour de France van afgelopen jaar, toen de jonge
Sloveen Tadej Pogačar boven zichzelf uitsteeg, zat filosoof Sandra Meeuwsen op het puntje van haar stoel. ‘Ik kan nog steeds genieten van sport, maar ik heb er wel iets van een slecht geweten bij.’ Om dat ‘slechte geweten’ te onderzoeken schreef ze het proefschrift Kritiek van de Sportieve Rede, waarop ze aan de Vrije Universiteit Brussel promoveerde.

Meeuwsen kent de sportwereld van binnenuit: ze was tri­atleet, coach en jarenlang beleidsprofessional bij NOC*NSF. Sinds 2008 is ze onafhankelijk adviseur voor diverse partijen in de sport. ‘Ik geloof dat sport een trainingsgebied voor het leven kan zijn. Niet alleen je lichaam wordt er sterker van, je verbetert er ook je mentale veerkracht door. Sport verbindt, allereerst met het eigen lichaam, maar daarmee ook met de wereld om ons heen. Sport leert je diep te gaan en verlies te nemen. Daarmee kan sport een vehikel zijn om je transformatie en volwassenwording te versnellen.’

Waarom dan toch dat slechte geweten? ‘Als filosoof fascineerde het me hoe wij als maatschappij blijven hameren op de heilzame kracht van “de belangrijkste bijzaak van het leven”, ondanks excessen als geweld, doping, misbruik van sporters, zoals nu in het turnen, en de vercommercialisering van de Olympische Spelen of het WK voetbal in Qatar, met allerlei sociale misstanden als gevolg.’

Moreel

In de media worden die misstanden graag van moreel commentaar voorzien, maar Meeuwsen kijkt hier met heel andere ogen naar. In haar proefschrift schrijft ze: ‘Hoe verhoudt deze keerzijde zich tot de veelgeroemde “kracht van sport”, de positieve effecten die sport ook kan hebben, zowel op individueel vlak als in maatschappelijk verband? Dit wonderlijke spanningsveld tussen de productieve en destructieve aspecten van de moderne sport heeft mij altijd gefascineerd.’

Meeuwsen richt zich in haar proefschrift niet in de eerste plaats op sport, maar op het denken over sport. ‘Wil je iets kunnen zeggen over de ontsporing van sport, dan moet je naar onze opvattingen erover kijken – wat hoort wel en wat niet bij sport?’ Als een filosofisch archeoloog houdt ze daarbij alle betekenislagen die zich in onze opvattingen hebben opgestapeld tegen het licht.

Een dominante opvatting is de hardnekkige mythe dat sport maar een spelletje is. ‘De sport ontleent deze mythe aan de Nederlandse historicus Johan Huizinga, die in zijn boek Homo Ludens uit 1938 spel als een noodzakelijke voorwaarde ziet voor het ontstaan van cultuur.’

Meeuwsen is diep in die tekst gedoken. ‘Ik heb gekeken welke passages van Homo Ludens zijn ingesloten in het denken over sport, en welke inzichten zijn weggelaten.’ In de sleutelpassage noemt Huizinga spel ‘een vrije handeling waaraan geen direct materieel belang verbonden is of nut wordt verworven, die zich afspeelt buiten het gewone leven binnen bepaalde grenzen van plaats en tijd’.

‘Ondanks alle excessen in de sport noemen we sport heilzaam’

Op die passage van Huizinga wordt eindeloos teruggegrepen door sportonderzoekers, beleidsadviseurs en journalisten. ‘Ik was onthutst toen ik in Homo Ludens las dat Huizinga óók opmerkt dat sport voor de oorlog allang geen spel meer is. In de archaïsche beschavingen maakten wedkampen deel uit van gewijde feesten, maar dat sacrale verband is in de moderne sport verloren gegaan. De “oude spelfactor” is afgestorven, schrijft Huizinga, waardoor sport “een steriele functie” krijgt.’

Meeuwsen constateert dat aan dit inzicht uit Homo Ludens steevast voorbij wordt gegaan in het denken over sport. ‘Sport als “onschuldig spelletje” romantiseert en idealiseert de sport. Zo wordt een praktijk gelegitimeerd die in werkelijkheid al veel commerciëler en agressiever is dan een spel. Vasthouden aan “sport als spel” verhult de excessen in diezelfde sport.’

Huizinga was niet de eerste die de andere kant van de medaille belichtte. ‘Toen Pierre de Coubertin in 1896 de moderne Olympische Spelen stichtte, deed hij dat met de beste bedoelingen: hij was een vitalist, die het lichaam wilde bevrijden van de preutse victoriaanse moraal. Maar de Spelen vielen onmiddellijk ten prooi aan economische doelen; bestuurders en projectontwikkelaars grepen hun kans. Coubertin heeft hier nog wel tegen geageerd, maar tevergeefs; de economische exploitatie viel al snel niet meer te keren.’

Er gebeurde meer, want Meeuwsen stelt dat sport het lichaam niet bevrijdde, zoals Coubertin hoopte, maar juist in zijn vrijheid beknotte. Elk lichaam heeft naast opbouwende krachten destructieve krachten in zich. De Duitse filosoof Friedrich Nietzsche sprak over het apollinische, rationele en beheerste, tegenover de wilde, onbeheersbare krachten van het dionysische. Meeuwsen gebruikt daarvoor ook wel het psychoanalytische onderscheid tussen Eros en Thanatos: levensdrift tegenover doodsdrift.

Kotsen

‘Bij duursportevenementen zie je deelnemers soms kotsend over de finish komen. Ze zijn “voorbij het gaatje” gegaan. Daar zien we iets van de doodsdrift, de destructieve kant die via sport gedisciplineerd wordt. De mogelijkheid om onze lichamen via sport te disciplineren heeft ervoor gezorgd dat sport onderdeel is geworden van “biopolitiek”.’

De term ‘biopolitiek’ ontleent Meeuwsen aan de Franse filosoof Michel Foucault, die er de overgang naar de moderniteit mee aanduidde, waarin politieke macht bestaat uit het controleren van het menselijk lichaam. ‘Sport blijkt een geweldig instrument om onze vitale krachten te beheersen, te disciplineren. Dat hoor je tijdens de corona-epidemie ook geregeld: sport houdt je afweer op orde. Als we om deze reden sporten, worden we ongemerkt gedrild tot “gehoorzame lichamen”. Vroeger zei ik zelf ook: “Een dag niet getraind is een dag niet geleefd.” We leggen onszelf een repressief regime op.’

Toen Meeuwsen ontdekte dat ze zichzelf jarenlang vrijwillig zo’n regime had opgelegd, vroeg ze zich af: ‘Waar heb ik me voor laten gebruiken?’ Door de knellende sportieve moraal heeft ze zich van alles ontzegd. ‘Als triatleet hield ik weinig tijd over voor een sociaal leven. Ik kon me als mens pas verder ontwikkelen toen ik hiermee stopte.’

Bij topsporters, maar ook bij recreanten, zie je vaak dat ze het zware trainingsregime waartoe ze zichzelf dwingen niet meer kunnen opbrengen als ze de buitenwereld toelaten. Dat ziet Meeuwsen ook al in de breedtesport gebeuren: jonge wielrenners haken in de puberteit massaal af. ‘Misschien maar goed ook,’ zegt Meeuwsen. ‘Er is meer in het leven dan elke dag acht uur fietsen. De puberteit, waarin de wereld steeds meer opengaat, is een gezonde nivellerende kracht.’

Dit soort invloeden biedt kansen voor de sport om een nieuw evenwicht te bereiken, meent Meeuwsen. ‘De opgave voor de sport ligt erin een hedendaagse vorm van sacrale inbedding te vinden in de maatschappij.’ Met ‘sacraal’ verwijst ze naar een cruciaal begrip uit het werk van de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben. Daarmee bedoelde hij niet: christelijk of kerkelijk. ‘Wel “heilig”, zoals de Grieken de term opvatten.’ Bij de Grieken was lichamelijke oefening onderdeel van een bredere sacrale cultus, die ten dienste stond van de goden, het hogere doel. ‘Bij ons heeft sport geen hoger doel meer. Het gaat om meedoen, bij voorkeur winnen. Elke sacrale inbedding is verloren gegaan, ook al noemen sommigen het stadion de kerk van deze tijd.’

Toch ziet Meeuwsen kansen om nivellerende krachten in de sport te introduceren. ‘Bij veel Betaald Voetbal Organisaties, BVO’s, zijn ze bezig met maatschappelijke thema’s. Soms bestaat dat enkel uit ziekenhuisbezoekjes door de selectie. Dat is vooral greenwashing.’

Het kan ook anders. ‘Bij Sparta Rotterdam bijvoorbeeld combineren ze de talenten­opleiding met een maatschappelijke stage, waar talenten op een veldje in de wijk jongeren met overgewicht begeleiden. Dat nivelleert, doet de jonge profvoetballers inzien dat zij gezegend zijn, dat sport een onderdeel is van onze maatschappij. Je zou zo’n stage een hedendaagse variant kunnen noemen van het offerritueel bij de Grieken. Als we erin slagen sport weer die rijke in­bedding te geven in een betekenisgevend geheel, kan sport zijn functie als trainings­gebied voor het leven beter waarmaken. En kunnen we zonder slecht geweten van Pogacˇar of Van der Poel genieten.’

Sandra Meeuwsen
Sandra Meeuwsen (Curaçao, 1966) deed tijdens haar studie filosofie (1984-1990) al op hoog niveau aan atletiek. Vanaf 1992 ging ze verder als topsporter in de triatlon. In september 2020 promoveerde Meeuwsen aan de Vrije Universiteit Brussel. Haar  proefschrift Kritiek van de Sportieve Rede. Een filosofische archeologie van de moderne sport is te downloaden via www.sandrameeuwsen.nl.