Log in

Wachtwoord vergeten?

Word lid Log in Contact

Filosofie.nl

Filosofie Magazine nr. 7/2021

Spoedcursus: Intimiteit

Michel Dijkstra

Intimiteit is een voortdurende spanning tussen overgave en autonomie. Ook in de kunst komt die tot uiting. Vier wegen van ik naar de ander.

Beeld Pauline Cremer

Terug naar de bron – Paul Celan (1920-1970)

Dankzij zijn iconische gedicht ‘Fuga van de dood’ (‘Todesfuge’) staat Paul Celan bekend als de dichter van de Holocaust. Zijn werk, dat verwant is met de filosofie van Emmanuel Levinas, heeft echter ook een andere kant: gerichtheid op een jij. Op die manier is Celan net zo goed de dichter van ‘de ander’. Of, zoals hij het zelf verwoordt: ‘Het gedicht kan flessenpost zijn met de overtuiging dat het ooit op hartland aanspoelt. Gedichten zijn op weg naar een aanspreekbaar jij.’

Aan het eind van Celans carrière wordt zijn poging om de ander via poëzie te bereiken steeds meer gekleurd door mystieke filosofie, met name die van Meister Eckhart. Volgens deze dertiende-eeuwse auteur kan de mens terugkeren naar de bron van zijn bestaan: God. Dat doet hij door elke vorm van zelfzuchtigheid los te laten of zijn ‘dikke ik’ tot zwijgen te brengen. Op dat moment bereikt de mens een ultieme intimiteit met het goddelijke, door Eckhart uitgedrukt met frasen als ‘Gods grond is mijn grond en mijn grond is Gods grond’. Paul Celan geeft echter aan dat hij niet in God kan geloven. Tegelijkertijd is hij gefascineerd door de mystieke redeneertrant van de Meister. Een dubbelheid die om een antwoord vraagt.

In een liefdesgedicht uit zijn laatste scheppingsperiode trekt Celan de uiterste consequentie uit deze ambivalentie. ‘De polen’, geschreven voor de in Israël hervonden jeugdliefde Ilana Shmueli, beschrijft de verhouding tussen de twee geliefden in de terminologie van Meister Eckhart. Het paar ‘God en de ziel’ is echter vervangen door ‘ik en jij’. Zij openen zich voor elkaar, zodat ze volkomen leeg of ‘wit’ worden: ‘Zeg dat Jeruzalem er is// zeg het alsof ik/ dat wit van je was,/ als was je/ dat van mij,// als konden we zonder elkaar zijn.’ In dit proces van zich voor elkaar openstellen lijkt het alsof de geliefden volledig in elkaar overvloeien. Bij nader inzien behouden ze juist hun autonomie: Celan spreekt immers van ‘mijn’ en ‘jouw’ wit. Hoe meer je de ander ontmoet in het ‘wit’ van de oorsprong, hoe meer jij jezelf kunt zijn.

Compassie met alle levende wezens – Claude Viviver (1948-1983)

De ideale beoefenaar van het latere of Grote Voertuigboeddhisme wordt bodhisattva genoemd, dat letterlijk ‘verlichtingswezen’ betekent. Deze persoon heeft beloofd om zijn ultieme verlichting uit te stellen totdat hij alle levende wezens heeft geholpen op hun eigen pad naar bevrijding. Of, zoals de klassieke tekst Gelofte van de bodhisattva stelt: ‘Hoe talloos de levende wezens ook zijn, ik beloof ze alle te bevrijden!’

De moderne Canadese componist Claude Vivier voelde zich aangesproken tot deze boeddhistische oproep. Je kunt zijn muziek opvatten als een voortdurende zoektocht naar liefde en compassie voor de mensheid. Deze queeste werd gemotiveerd door zijn eigen biografie: Vivier was een vondeling en zocht, zeker in de laatste maanden van zijn leven, naar zijn biologische moeder. Als jongeman ambieerde hij een geestelijke carrière, maar hij moest vanwege zijn flamboyante en rusteloze karakter (en misschien ook vanwege zijn homoseksualiteit) al snel het klooster verlaten. De toonkunst bleek een vruchtbaarder pad: muziek werd voor de componist een manier om de medemens te dienen.

Centraal in Viviers muzikale esthetica staat de manipulatie van de tijd. Goede muziek, zo beweert hij, zet de tijd stil en laat de mens proeven van de eeuwigheid. Op die manier kan een componist zijn luisteraars alvast een blik op het hiernamaals geven. Vandaar dat Vivier dan ook stelt: ‘Ik wil menselijke wezens een muziek schenken die hun bewustzijn direct in de eeuwigheid doet overvloeien zonder door de dood heen te gaan, zonder te betalen aan de oude Veerman van Acheron.’ Dit wegnemen van de angst voor de dood is voor Vivier het meest compassievolle geschenk aan zijn publiek.

Vivier was echter niet alleen in zijn kunst, maar ook in het dagelijks leven intensief met de dood bezig. Bewust of onbewust zocht hij de grenzen op om inspiratie te vinden voor zijn compassievolle composities. Het is dan ook even tragisch als onvermijdelijk dat Vivier door een homofobe escortjongen werd doodgestoken. Op zijn bureau lag zijn laatste, huiveringwekkende compositie: Glaubst du an die Unsterblichkeit der Seele?

Hoe meer je geeft, hoe meer je krijgt – Clarice Lispector (1920-1977)

De taoïstische basistekst Daodejing bevat de volgende mysterieuze dichtregels: ‘De wijze pot niet op/ Als hij wat hij heeft aan anderen geeft/ Heeft hij zelf nog meer.’ De eveneens geheimzinnige schrijver Lao Zi geeft hiermee een reflectie op vrijgevigheid. Wie vanuit openheid zijn al dan niet geestelijke bezit met de ander wil delen, krijgt hier steevast meer voor terug.

Een moderne auteur die Lao Zi’s boodschap ter harte heeft genomen, is de Braziliaans-Oekraïense Clarice Lispector. Haar werk werd de afgelopen jaren wereldwijd herontdekt. In haar laatste, door oosterse en westerse mystiek beïnvloede roman Het uur van de ster voert zij een armoedig meisje op, dat Macabéa heet. Deze armoede neemt bizarre vormen aan, want ze is graatmager, vraagt niets voor zichzelf en heeft als enige verlangens sparen voor een glas cola of dromen van dure gezichtcrème. Verder is Macabéa typiste; dit beroep benadrukt dat zijzelf niets te zeggen heeft.

Op het eerste gezicht lijkt het alsof Macabéa zichzelf volledig wegcijfert. In plaats van zichzelf te poneren ondersteunt ze iedereen om zich heen, vooral haar macho vriendje Olímpico. Deze jongen heeft als levensdoel beroemd worden, iets dat Macabéa niet kan begrijpen. De dialogen tussen Olímpico en het meisje lezen als een discussie tussen het ‘dikke ik’ en iemand die ‘zijn ego heeft losgelaten’. Macabéa’s armoede blijkt namelijk bij nader inzien een beeld voor geestelijke ontvankelijkheid. Net als de wijze mens uit Lao Zi’s Daodejing heeft ze ‘geen eigen hart’, maar maakt ze ‘het hart van de anderen tot haar eigen hart’. Dit alles neemt niet weg dat ze een weinig begerenswaardig leven heeft. Bovendien komt Macabéa sneu aan haar einde, want ze wordt overreden door een Mercedes, ‘het merk met de ster’.

Op het moment van haar overlijden gebeurt er echter het volgende: ‘Precies op dit moment voelt Macabéa een grote misselijkheid, ze moest bijna overgeven, ze wilde iets uitbraken wat niet lichamelijk was, iets stralends. Een ster met duizend punten.’ Hier verandert innerlijke leegte of armoede in licht: alle vrijgevigheid komt bij Macabéa terug.

Succesvol falen – Alberto Giacometti (1901-1966)

‘Het is een soort opwindend delirium. Ik duik in een gezicht, elke dag een beetje dieper. Ik ga voorwaarts. Ik ben me er volledig van bewust dat de kern, dat het geheim van het leven zich net zo hard terugtrekt en dat ik het nooit zal bereiken. Maar het avontuur, het grote avontuur is om elke dag iets onbekends te zien verschijnen in hetzelfde gezicht. Dat is meer waard dan welke reis ook, waar ter wereld ook.’ Met deze woorden omschrijft de Zwitserse tekenaar, schilder en beeldhouwer Alberto Giacometti zijn kunstopvatting, die in het teken staat van de mislukking. Voor de artiest heeft het begrip ‘falen’ echter geen negatieve bijklank. Integendeel, juist door je bewust te zijn van je onvermogen kun je steeds met grote openheid proberen om je doel te bereiken. Zo vormt falen juist de motor voor het creatieve proces.

De inzet van deze artistieke arbeid ligt hoog: Giacometti wil de kern van zijn modellen weergeven, die hij ook wel ‘het geheim van het leven’ noemt. Hiervoor zijn urenlange poseersessies nodig, die vaak tot diep in de nacht duren. Tijdens deze intensieve uren merken Giacometti’s laatste modellen, de Japanse filosoof Yanaihara en de jonge escortgirl Caroline, dat de kunstenaar hun gezichten steeds weer wegwist. Intussen roept hij frasen als: ‘Ik ben tot niets in staat, laat mij maar een groentewinkel openen!’, en: ‘Het is alsof ik stenen moet vreten!’ Uiteindelijk ontstaan er schilderijen die opgebouwd zijn uit een netwerk van fijne lijntjes en die een wonderlijke dieptewerking hebben. Als je ervoor staat, voel je de presentie van de ander op een wijze die je in het dagelijks leven minder vaak tegenkomt.

Vanwege zijn zoektocht naar de onvatbare aanwezigheid van de medemens vertoont Giacometti’s kunst verwantschap met het zenboeddhisme. Bij beide benaderingswijzen gaat het erom het hart van de ander te raken zonder hem te willen opsluiten. In die zin vormt Giacometti’s nadruk op falen een ultiem respect voor de ander, die je per definitie ontglipt. Door dit mislukken zelf weer te geven opent de kunstenaar paradoxaal genoeg onze ogen voor de onmetelijke rijkdom en schoonheid van alles om ons heen.