Home Spijt

Spijt

Door Suzanne van den Eynden op 26 februari 2015

Cover van 03-2015
03-2015 Filosofie magazine Lees het magazine

Het doet pijn om spijt te hebben en daarom vermijden we die emotie. Toch is het belangrijk om je af en toe schuldig te voelen. ‘Mensen die nooit spijt betuigen, zijn hoogst onaangename figuren.’

In 2013 betuigde de Nederlandse regering bij monde van vicepremier Lodewijk Asscher spijt over het slavernijverleden van ons land. Twee jaar eerder ging de regering een stap verder: zij bood de nabestaanden van het bloedbad in het Indonesische Rawagede in 1947 niet alleen haar excuses aan, maar kende hun ook een schadevergoeding toe.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De vraag of Robert M. spijt had van het seksueel misbruik van tientallen kinderen was voor de Amsterdamse rechtbank zo belangrijk dat dit onderwerp werd van onderzoek. M. betuigde uiteindelijk spijt. Dat gold niet voor Erik Staal, de oud-directeur van woningcorporatie Vestia. Mede door zijn toedoen was Vestia bijna ten onder gegaan, maar hij liet weten dat hij spijt ‘een heel moeilijk begrip’ vond. Ook het vorstelijke salaris dat hij opstreek voor zijn wanbeleid zat hem niet dwars: ‘Dat hoorde er destijds gewoon bij.’

Spijt kent vele verschijningsvormen. De Amerikaanse taalfilosoof John Searle definieert de spijtbetuiging als ‘een handeling die de mentale toestand van een spreker over een gebeurtenis beschrijft, waarbij de spreker de gebeurtenis als feit beschouwt en diens uitspraak over die gebeurtenis als waar of onwaar’.

In het Nederlands moeten alle vormen van spijt het doen met hetzelfde woord, maar het Engels maakt onderscheid tussen regret en remorse. Regret is het vervelende gevoel dat we hebben wanneer onprettige zaken gebeuren door onze schuld: ‘Het spijt me dat ik niet goed uitkeek en tegen je aan botste.’ Remorse gaat verder en betreft een diepe, emotionele vorm van spijt over een daad die door de maatschappij wordt afgekeurd. En de Britse filosoof Bernard Williams introduceerde met agent-regret een afgeleide variant van spijt. Bijvoorbeeld het verschrikkelijke gevoel dat een chauffeur overvalt die zich aan alle verkeersregels houdt, maar toch een kind doodrijdt. Hij heeft geen schuld, wel een gevoel dat volgens Williams het dichtst in de buurt komt van spijt.

Nog een koffie
Het interessante aan spijt is volgens Bart Geurts, hoogleraar taalfilosofie aan de Radboud Universiteit Nijmegen, dat het zowel een cognitieve als een emotionele component bevat. Cognitief, omdat spijt betrekking heeft op een handeling die in het verleden is verricht. ‘Om spijt te ervaren, moet je die handeling uit het verleden afzetten tegen een alternatief. Dat alleen al maakt spijt hebben een geavanceerde mentale toestand. Neem de uitspraak: “Ik had nog een kop koffie kunnen drinken.” Daarmee zeg je dat je in een alternatieve stand van zaken nog een consumptie zou hebben genuttigd. Dat is heel vreemd: je hebt het over iets dat niet zo is, maar had kunnen gebeuren, en beschrijft hoe je onder die omstandigheden zou hebben gehandeld. Dit vraagt nogal wat van mensen. Kleine kinderen hebben bijvoorbeeld erg veel moeite met deze zogenoemde counterfactuals. Een tweejarige heeft nog niet de cognitieve vermogens om terug te blikken op wat hij heeft gedaan en te bedenken wat hij had kunnen doen.’

Daarnaast heeft zuivere spijt altijd een emotionele component, stelt Geurts. ‘Die emotie bij spijt is te vergelijken met pijn, een signaal van je lichaam dat het aandacht nodig heeft en dat je, als het goed is, tot handelen aanzet. Net als pijn drukt de emotionele component van spijt je met je neus op de feiten. Het is een teken dat je iets gedaan hebt dat je niet of anders had moeten doen. Het dwingt ons na te denken over onze handelingen en eventueel zaken recht te zetten.’

Net als het vermijden van pijn kan ook het vermijden van spijt een doel op zich worden. Mensen verrichten bepaalde handelingen dan juist wel of niet uit angst dat ze van het alternatief later spijt krijgen. Geurts: ‘In de jaren tachtig is spijt zelf opgenomen in de beslissingstheorie, die eerst alleen uitging van het voordeel dat mensen van handelingen dachten te hebben. Vanuit het gegeven dat dit voordeel vaak moeilijk in te schatten bleek, is spijt toegevoegd als factor in het model. Zo werd het rationeel om spijt te minimaliseren.’

In plaats van te spreken van twee verschillende soorten spijt, zoals in het Engels door het verschil tussen regret en remorse, is het volgens Geurts beter om te spreken van spijt die in verschillende constellaties voorkomt. ‘Soms ontbreekt het ware gevoel. Bijvoorbeeld bij een officiële spijtbetuiging door een regering over iets wat uit naam van het land, maar niet onder de verantwoordelijkheid van de zittende regering, is gedaan. En soms betreft de gevoelde spijt geen handeling van iemand zelf.’

Dit laatste is volgens Geurts het geval bij de agent-regret van Williams. ‘Waar heeft die chauffeur dan precies spijt van? Van het feit dat hij op die weg reed? Dat lijkt me sterk. Wellicht ontstaat de spijt die hij voelt door het feit dat we, als we met een auto iemand aanrijden, er automatisch van uitgaan dat dit onze verantwoordelijkheid is. Vervolgens gaan we op zoek naar de handeling of de keuze die tot deze gebeurtenis heeft geleid. In dat geval is het cognitieve element ondergeschikt. Wat niet helpt, is onze neiging te denken dat er wel iemand schuld móét hebben bij nare dingen als een ongeluk.’ 

Reactieve houding
Hendrik Kaptein, rechtsfilosoof aan de Universiteit Leiden, voegt aan cognitie en emotie als kernelementen van spijt nog een derde toe: oordeel. ‘Oftewel: het vermogen om na te gaan wat je hebt gedaan, wat daarvan de gevolgen zijn en tot de conclusie te komen dat dit niet deugt.’ Agent-regret is volgens de rechtsfilosoof afgeleide spijt. ‘Het gaat hier over het schemergebied tussen wat je doet en wat je overkomt. We zouden het begrijpen als de chauffeur zou zeggen: ik vind het gruwelijk wat er is gebeurd, ik slaap er niet van, maar ik heb geen spijt. Emotie en oordeel als onderdelen van spijt kunnen echter dicht bij elkaar liggen. Dus ook die chauffeur, die geen emoties hoeft te ervaren die rechtstreeks terugslaan op zijn handelen, voelt natuurlijk wel aan dat de ontstane situatie niet goed was. Spijt is hoe dan ook een reactieve houding. Je kunt je vergissen en misplaatste spijt voelen, maar spijt heeft per definitie een cognitief element. Je kunt niet zeggen: ik voel spijt, maar heb geen idee wat ik heb gedaan en wat de gevolgen zijn.’

Spijt hebben betekent volgens Kaptein dat je jezelf en je slachtoffer serieus neemt. ‘Je beschouwt en behandelt de ander als volwaardig medemens. Daarnaast betekent de ervaring van spijt dat je instaat voor je eigen daden. Je verwacht niet alleen beloond te worden voor de dingen die je goed deed, maar neemt ook de verantwoordelijkheid voor je fouten. Daarmee laat je zien geen slachtoffer te zijn van de omstandigheden, maar een autonome dader. Iedereen kent wel mensen die zelden of nooit spijt betuigen. Dit zijn hoogst onaangename figuren: zij hebben nooit iets gedaan. Mensen die continu de schuld bij de ander leggen, ontkennen hun eigen daderschap, hun eigen handelen. Overigens komt dergelijk gedrag meestal meer voort uit onbewuste angst dan uit kwade trouw: de vrees dat er helemaal niets van hen overblijft zodra ze schuld bekennen.’

Het zou geen kwaad kunnen om in het gewone leven vaker spijt te betuigen, betoogt Kaptein. ‘We zijn erg bang voor daderschap, bang op onze kop te krijgen en om gezichtsverlies te lijden. In die houding zit veel narcisme. Tegelijkertijd hechten we er inderdaad meer belang aan om een schuldige aan te wijzen; het zondebokmechanisme viert hoogtij. Dat symboliseert de asymmetrie tussen wat we onszelf gunnen en wat we de ander gunnen. Wij zijn nooit schuldig, maar de ander per definitie wél.’

Soms wordt het gewicht van spijt overdreven, stelt Kaptein. In de rechtszaal benadert het belang dat aan spijt wordt toegekend volgens de rechtsfilosoof het niveau van volkstoneel. In een blog op de juristenwebsite Mr.Online schreef hij over de zoektocht door de rechter naar de gevoelens van spijt van Robert M. Kapteins stelling: als Robert M. werkelijk spijt heeft van zijn daden moet hij daaraan geen woorden meer vuilmaken, maar erkennen dat hij straf verdient. ‘Spijt zonder vervolgdaden betekent namelijk niets. Dan is een spijtbetuiging niets meer dan een holle frase. Pas wanneer degene die spijt heeft zijn daden op een of andere manier goedmaakt, weet je dat diegene het meent. In het geval van Robert M. betekent dit: ten volle worden gestraft en dit accepteren. Strafvermindering kan en mag dan ook geen doel van spijt zijn.’ Het uitspreken van spijt en het daar vervolgens bij laten noemt Kaptein een vorm van oplichting. ‘Simpel: je doet niet wat je zegt en handelt dan niet integer.’

Toneelstukje
Overeenkomsten met theater ziet Geurts in de spijtbetuiging door regeringen. ‘Als een staatshoofd namens zijn land spijt betuigt over wat er 200 jaar geleden is gebeurd en hij maakt daarmee mensen gelukkig, is er sprake van een toneelstukje waarvan alle partijen zich bewust zijn. De spijtbetuiging moet op een bepaalde manier geschieden, met de juiste, omslachtige woorden; “sorry” volstaat niet. Iedereen weet dat de premier die spijt betuigt persoonlijk niets hoeft te voelen, maar toch verwachten we dat hij doet alsof. Hij moet op geen enkele manier de indruk wekken lacherig te doen over de spijtbetuiging. Alleen al het feit dat regeringsleiders spijt moeten betuigen over iets waarbij zijzelf niet betrokken zijn geweest, is in het licht van de kernelementen van spijt wat vreemd.’

Niet dat dit overigens kwaad kan, vindt Geurts. ‘Er zijn wel meer situaties in het taalgebruik waarbij we doen alsof, maar waar dit geaccepteerd is en zelfs verwacht wordt. Bijvoorbeeld de beleefdheden aan het begin van een gesprek. Authenticiteit is misschien niet altijd even belangrijk.’

De noodzaak om spijt te vertalen naar handelingen, bijvoorbeeld een schadevergoeding voor nabestaanden, kan de spijtbetuiging door regeringen ingewikkeld maken, vindt ook Kaptein. ‘Neem het Nederlandse slavernijverleden. We zijn het erover eens dat slavernij verkeerd was en is, en dat een overheid daar spijt van moet hebben. Maar wat zou hier een passende schadevergoeding zijn? De betrokkenen zijn er allemaal allang niet meer. Een schadevergoeding betekent dat het verschil tussen rechtmatig en onrechtmatig handelen wordt goedgemaakt, maar dat is in het geval van slavernij bijna niet mogelijk. Sterker nog: door de slavernij zijn de afstammelingen van slaven misschien wel beter af, doordat ze meer kansen hebben gekregen dan wanneer ze in Afrika zouden zijn opgegroeid. Hoe kom je daar ooit uit, hoe onmenselijk slavernij ook was?’

Er is één vorm van spijt waar we volgens Kaptein heel ver van moeten blijven: spijt van daden die gericht zijn op onszelf. ‘Spijt jegens anderen kan hoogst zinvol zijn – sterker nog: tot die vorm van spijt móéten we in staat zijn. Maar als je spijt gaat hebben over daden die op jezelf zijn gericht, kom je in een gemiste-kansenscenario terecht: je hebt spijt over dingen die je zelf hebt gedaan, bijvoorbeeld een verkeerde studie- of beroepskeuze. Het aardige van spijt jegens anderen is dat je ten opzichte van hen zaken kunt veranderen. Maar keuzes ten aanzien van jezelf kun je meestal niet meer herstellen. Spijt daarvan hebben is dan ook betekenisloos. Onzin. Meteen mee stoppen.’