Home Schoonheid is een ervaring

Schoonheid is een ervaring

Door Marco Kamphuis op 22 juni 2010

Cover van 06-2010
06-2010 Filosofie magazine Lees het magazine

Roger Scrutons boek over schoonheid staat vol met aanvechtbare redeneringen. Dat is precies waarom we hem lezen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Wie op vakantie naar Florence gaat, zal onderweg in zijn reisgids ongetwijfeld iets over het syndroom van Stendhal lezen – de zenuwtoeval die de Franse schrijver kreeg toen hij bevangen raakte door de artistieke schoonheid waar in die stad geen ontkomen aan is. Met een glimlach zal de reiziger denken dat het zo’n vaart wel niet zal lopen. Een paar uur later echter, aangenomen dat hij de aanblik van de onvolprezen Dom redelijk heeft doorstaan, bevindt hij zich in het Uffizi-museum en betreedt, al enigszins onvast op zijn benen, de zalen 10 tot en met 14, oftewel de gevreesde zaal van Botticelli, waar hij oog in oog met Geboorte van Venus komt te staan. In onmacht zal hij neerzijgen en zich afvragen wat de betekenis hiervan is, niet alleen van dit ene werk, maar ook van de adembenemende, serene schilderijen die hem in deze zaal omringen – wat de betekenis is van pure Schoonheid. En dan weet hij nog niet eens dat Leonardo da Vinci hem in de volgende zaal opwacht.

Belangeloos genoegen

De Engelse filosoof Roger Scruton doet in zijn nieuwste boek Schoonheid een poging licht te werpen op wat ons op zulke momenten raakt. Schoonheid, betoogt hij, is geen eigenschap van een object, maar een ervaring. Die schoonheidservaring definiëren is lastig, maar er valt wel het een en ander over te zeggen. Zo is deze ervaring een genoegen, en wel een belangeloos genoegen. Mijn genoegen hangt alleen af van de aandacht die ik voor dit schilderij heb, daar zijn geen persoonlijke belangen mee gemoeid. (Anders dan wanneer ik bijvoorbeeld student kunstgeschiedenis ben en studiepunten voor mijn museumbezoek krijg.) De schoonheidservaring is een gevoel dat een object mij inboezemt, maar dat wil niet zeggen dat mijn oordeel erover (‘Dit schilderij is mooier dan dat schilderij’) louter een kwestie van subjectieve voorkeur is. Het esthetisch oordeel gaat over het object, niet over de gevoelens van het subject. Het ene oordeel is beter onderbouwd dan het andere: over smaak van eten valt niet te twisten, over esthetische smaak wel.

Schoonheid manifesteert zich in verschillende objecten, waarvan Scruton de belangrijkste categorieën bespreekt. Zijn hoofdstuk over de schoonheid van mensen is het minst overtuigend. Menselijke schoonheid is dikwijls met seksuele begeerte verbonden, en dan moeten er vraagtekens worden geplaatst bij het aspect van belangeloosheid. De esthetische contemplatie waarin je verzinkt met een mooie vrouw voor je neus is toch wezenlijk anders dan die wanneer je voor een schilderij staat. Toegeven dat er verschillende typen schoonheid bestaan, is echter de gemakkelijkste weg, en die kiest Scruton niet graag. Hij probeert te bewijzen dat ‘de begeerte zoals opgeroepen door het zien van menselijke schoonheid een soort vergissing is’. Een mooie man of vrouw wekt weliswaar onze begeerte op, maar die gaat uit naar dat individuele wezen (zeg maar diens ziel) en niet naar de gepresenteerde vorm ervan. Het is een hoofdstuk met een moralistische strekking, dat bol staat van aanvechtbare redeneringen. Dat is precies waarom we Roger Scruton lezen.

In hoger sferen

In het hoofdstuk over de natuur behandelt de auteur het onderscheid tussen het schone en het sublieme, zoals geformuleerd door Edmund Burke en overgenomen door Kant. Er is een groot verschil tussen een vredig Toscaans landschap en kale, woeste bergketens, maar de aanblik van zowel de lieflijke als de ontzagwekkende natuur doet de beschouwer in hoger sferen belanden, en in beide gevallen spreken we van schoonheid. Zo is het ook niet alleen bekoorlijke muziek die een esthetische ervaring teweegbrengt, maar ook duistere, complexe of zelfs atonale muziek.

Daarmee komen we bij de artistieke schoonheid, Scrutons specialisme, dat altijd tot bevlogen analyses leidt, al zullen zijn trouwe lezers wel vinden dat hij zichzelf begint te herhalen. Kunst staat volgens Scruton ‘op de drempel van het transcendente’ – een opvatting die teruggaat op Plato. ‘[Kunst] wijst, voorbij deze wereld van toevallige dingen zonder samenhang, naar een andere sfeer.’ Die sfeer is er een van volmaaktheid, liefde en zelfopoffering. Kunst heeft een religieuze oorsprong, een heilige status. En wat heilig is, kan ontheiligd worden: het sprekendste voorbeeld daarvan is waarschijnlijk de snor die Marcel Duchamp aan Mona Lisa meegaf. Scruton windt zich op over hedendaagse kunst, die wel voor schoonheid op de vlucht lijkt. ‘Er heerst een verlangen schoonheid te bederven, een soort esthetische beeldenstorm uit te voeren.’ Wanneer hij moderne ensceneringen van klassieke opera’s kritiseert, koketteert hij niet met zijn eigen goede smaak. Wel geeft hij uiting aan een oprechte verontwaardiging over kunstenaars die de schoonheid bezoedelen… en met de schoonheid ook de morele wereld waarnaar ze verwijst.
Scruton onderkent de goede bedoelingen die modernistische kunstenaars tot hun experimenten dreven. De kunst van T.S. Eliot, Schönberg en Matisse was schokkend voor het publiek. Toch had die niet tot doel te breken met de traditie, maar deze te herstellen. De negentiende-eeuwse kunst was sleets geworden, ‘vergeven van herhalingen en clichés’, en dreigde te ontaarden in kitsch, dat wil zeggen in ‘kunst zonder een eigen boodschap, waarin alle effecten imitatie waren en alle emoties onecht’. Authentieke kunstenaars die niet door de populaire cultuur waren bedorven, hadden nieuwe vormen, nieuwe stijlen nodig om zich uit te drukken. De revolutie die zij ontketenden was een enorme stimulans voor alle kunstdisciplines. Maar de schokeffecten van de modernisten werden in handen van hun navolgers goedkope trucs. De grap van Duchamp was ooit gerechtvaardigde rebellie. Hedendaagse kunstenaars blijven echter snorren tekenen omdat het ontheiligen van schoonheid zonder risico is, terwijl ze de kans lopen gehoond te worden als ze de spirituele aanspraken van schoonheid serieus nemen.