Home Waanzin Roland Barthes: ‘Ben ik verliefd? Ja, want ik ben aan het wachten’
Liefde Waanzin

Roland Barthes: ‘Ben ik verliefd? Ja, want ik ben aan het wachten’

‘Ik zit vast in de volgende tegenstrijdigheid: aan de ene kant meen ik de ander beter te kennen dan wie ook, en vertel hem dat op triomfantelijke manier en aan de andere kant staat me duidelijk voor ogen dat de ander ondoorgrondelijk, onvindbaar en eigengereid is.’ Roland Barthes onderwierp zijn verliefde ziel aan een kritisch zelfonderzoek.

Door Roland Barthes op 12 december 2012

wachten liefde beeld Ümit Bulut
02-2002 Filosofie magazine Lees het magazine

Het uitgangspunt was het volgende: de verliefde mag niet simpelweg worden gereduceerd tot een subject met bepaalde symptomen, maar het gaat erom duidelijk te maken dat zijn stem zich in sommige opzichten koppig aan de actualiteit onttrekt. In zekere zin wordt hier een portret geschetst, maar dat portret is niet psychologisch, het is structureel: het ontvouwt, voor de ogen van de lezer een plaats waar gesproken wordt: de plaats van iemand die in zichzelf praat, met de stem van een verliefde, tegenover de ander (het liefdesobject), die niet praat.  

Onnozel

Delibererende figuur: angstig wordt het verliefde subject voor allerlei gedragsproblemen gesteld, vaak onzinnige: welk alternatief moet ik kiezen? Hoe moet ik handelen?

Mijn angst om een gedragslijn te kiezen is onnozel, steeds onnozeler, tot in het oneindige. Wanneer de ander me terloops of achteloos een telefoonnummer geeft waar ik hem op bepaalde tijden kan bereiken, raak ik meteen de kluts kwijt: moet ik hem nu bellen of niet? (Het zou geen zin hebben tegen mezelf te zeggen dat ik hem kan bellen – dat is de objectieve, verstandelijke betekenis van de boodschap –, want het is juist die toestemming waar ik me geen raad mee weet). Onnozel is datgene wat blijkbaar geen gevolgen heeft of zal hebben. Maar voor mij, verliefd subject, wordt alles wat nieuw is, alles wat verwarrend is, niet opgevat als een feit maar als een teken dat interpretatie behoeft. Vanuit de verliefde gezien heeft het feit gevolgen, omdat het meteen wordt omgezet in een teken: het teken, niet het feit, heeft gevolgen (door zijn weerklank). Als de ander me dit nieuwe telefoonnummer geeft, waar staat dat teken dan voor? Is het een uitnodiging om er meteen gebruik van te maken, voor de lol, of geldt het alleen voor het geval dat, als het nodig is? Mijn antwoord zal ook een teken zijn, dat de ander noodgedwongen zal interpreteren, waardoor er tussen hem en mij een onstuimig over en weer gaan van beelden wordt ontketend. Alles heeft betekenis: door die stelling raak ik verwikkeld, raak ik verstrikt in berekeningen, en maak ik het mezelf onmogelijk te genieten. Soms zit ik zozeer over ‘niets’ na te denken (zo zou de wereld het in ieder geval noemen), dat ik uitgeput raak; dan probeer ik in een opwelling, zoals een drenkeling die met zijn hak op de zeebodem stampt, tot een spontaan besluit te komen (spontaniteit: grootse droom: paradijs, macht, genot): nou, bel hem dan op, je wil toch zo graag! Dit redmiddel is echter tevergeefs: de amoureuze tijd staat niet toe impuls en handeling op één lijn te zetten, samen te laten vallen: ik ben geen man van de ‘acting-out’; mijn waanzin wordt getemperd, ze laat zich niet zien; ik ben meteen bang voor de gevolgen, voor elk gevolg: spontaan is mijn angst – mijn deliberatie.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Gêne

Scène met meerdere personen, waarin het onuitgesprokene van de liefdesband belemmerend werkt en een collectief ongemak veroorzaakt dat onuitgesproken blijft.

Werther maakt ruzie met Charlotte (net voor zijn zelfmoord), maar de scène wordt onderbroken doordat Albert binnenkomt. Men zwijgt, er wordt ongemakkelijk door de kamer geijsbeerd; onbeduidende onderwerpen worden aangesneden, maar elk onderwerp slaat dood. De situatie is geladen. Waardoor? Doordat elke persoon door de andere twee gezien wordt in zijn rol (van echtgenoot, van minnaar, van begeerd object), zonder dat er in het gesprek met die rollen rekening mag worden gehouden. Wat zo zwaar is, is het stilzwijgende weten: ik weet dat jij weet dat ik weet: dat is de algemene formule van de gêne, dat onbeschreven, ijzige schaamtegevoel dat je kunt herkennen aan de onbeduidendheid (van het gesprek). Paradox: het verzwegene als symptoom … van het bewuste.  

Onkenbaar

Moeite die het verliefde subject doet om de geliefde ‘als zodanig’ te begrijpen en hoe hij karakterologisch, psychologisch of psychopathologisch te typeren valt, los van de specifieke gegevens van de amoureuze relatie.

Ik zit vast in de volgende tegenstrijdigheid: aan de ene kant meen ik de ander beter te kennen dan wie ook, en vertel hem dat op triomfantelijke manier (‘Ik ken jou. Alleen ik ken jou goed!’); en aan de andere kant staat me duidelijk voor ogen dat de ander ondoorgrondelijk, onvindbaar en eigengereid is; ik krijg hem niet open, ik kan zijn oorsprong niet te pakken krijgen en zijn raadsel niet oplossen. Waar komt hij vandaan? Wie is hij? Ik doe alle moeite, maar ik zal het nooit weten. (Van iedereen die ik heb gekend was X… ongetwijfeld het meest ondoorgrondelijk. Je kwam gewoon niets over zijn verlangens te weten: iemand kennen, is dat niet juist zijn verlangen kennen? Ik wist meteen alles van Y…’s verlangens: hij kwam dan ook als ‘doorzichtig’ op mij over en ik was geneigd hem niet langer met angst en beven lief te hebben, maar begripsvol, als een moeder haar kind.) Ommekeer: ‘Het lukt me niet je te leren kennen’ wil zeggen: ‘Ik zal nooit weten wat jij echt over mij denkt.’ Ik kan je niet doorgronden, omdat ik niet weet hoe jij mij doorgrondt.

Zich in bochten wringen, zijn best doen voor een ondoorgrondelijk object is pure religie. Wanneer ik van de ander een onoplosbaar raadsel maak waar mijn leven van afhangt, dan wijd ik hem als een godheid; nooit zal het me lukken de vraag die hij me stelt op te lossen, de verliefde is Oedipus niet. Dan blijft er voor mij maar een ding over: mijn onwetendheid in waarheid omzetten. Het klopt niet dat je iemand beter begrijpt hoe meer je van hem houdt; het verliefd zijn brengt slechts de volgende wijsheid in mij naar boven: de ander is niet te kennen; achter zijn ondoorzichtigheid gaat geen geheim schuil, maar eerder een soort vanzelfsprekendheid, waarin het spel van schijn en wezen wordt opgeheven. Dan raak ik in vervoering vanwege het feit dat ik zielsveel van iemand houd die ik niet ken en die ik nooit zal kennen: mystieke gemoedsbeweging: ik verwerf de kennis van het niet-kennen.  

Roddel

Pijn die het verliefde subject voelt wanneer hij constateert dat er over de geliefde ‘gekletst’ wordt en wanneer hij op banale wijze over hem hoort praten.

Werther heeft nog geen kennisgemaakt met Charlotte; maar in het rijtuig dat hem naar het bal op het land brengt (onderweg moet Charlotte worden opgepikt), vertelt een vriendin – de stem van de Roddel – over degene wier beeld hem over enkele ogenblikken gaat betoveren: ze is al verloofd, hij moet niet verliefd op haar worden, etc. Zo vormt de roddel een samenvatting en een aankondiging van het toekomstige verhaal. De roddel is de stem van de waarheid (Werther wordt verliefd op iemand die al beloofd is aan een ander) en die stem heeft toverkracht: de vriendin is een boze fee die onder het mom van een waarschuwing voorspelt en oproept. De vriendin spreekt zonder gevoel (een fee heeft geen medelijden): de roddel is licht, kil en krijgt zo de status van een soort objectiviteit; haar stem lijkt eigenlijk precies op die van de wetenschap. Beide stemmen zijn reducerend. Als ik de wetenschap hoor praten, meen ik haar betoog soms te horen als een roddel die lichtjes, kil en objectief opdist en afbreekt waar ik van houd: die erover praat naar alle waarheid.

De roddel reduceert de ander tot hij/zij en die reductie vind ik onverdraaglijk. De ander is voor mij noch hij noch zij: de ander heeft alleen zijn eigen naam, zijn eigennaam. De derde persoon is een vals voornaamwoord: het is het voornaamwoord van de niet-persoon, het verafwezigt, het vernietigt. Als ik vaststel dat de taal van iedereen mijn ander aanpakt en me hem teruggeeft in de bloedeloze vorm van een universeel substituut dat gebruikt wordt voor alle dingen die niet hier zijn, dan lijkt het alsof mijn ander in mijn ogen dood is, gereduceerd, opgeborgen in een urn, in de muur van het grote taalmausoleum. Voor mij kan de ander geen referent zijn: jij bent altijd alleen jij, ik wil niet dat de Ander over jou praat.  

Tederheid

Het genieten, maar ook het verontrustende evalueren van de tedere gebaren van de geliefde, in zoverre het subject begrijpt dat ze niet alleen voor hem zijn bedoeld.

Het gaat niet alleen om een behoefte aan genegenheid, maar ook om een behoefte teder te zijn voor de ander: we sluiten ons op in een wederzijdse goedheid, we bemoederen elkaar; we komen weer uit bij de kiem van elke relatie, daar waar behoefte en verlangen bij elkaar komen. Het tedere gebaar zegt: vraag aan mij wat je wil om jouw lichaam in slaap te sussen, maar vergeet daarbij niet dat ik een beetje naar jou verlang, lichtjes, zonder meteen iets vast te willen grijpen.  

Wachten

Angstaanval veroorzaakt door het wachten op de geliefde wanneer deze verlaat is (afspraken, telefoontjes, brieven, thuiskomsten).

Het wachten is een betovering: ik heb het bevel gekregen niet te bewegen. Het wachten op een telefoontje wordt bijvoorbeeld tot in het oneindige beheerst door kleine ontzeggingen, op het gênante af; ik maak het mezelf onmogelijk de kamer uit te gaan, naar de wc te gaan, zelf te bellen (ik moet de lijn niet bezet houden); ik lijd wanneer ik gebeld word (om dezelfde reden); ik word gek wanneer ik bedenk dat ik straks even weg moet, waardoor ik het risico loop het aangename telefoontje, de terugkeer van de Moeder, mis te lopen. Al die afleidingen die mijn aandacht trekken zouden voor het wachten verloren momenten zijn, onzuiverheden van mijn angst. Want de angst van het wachten, in haar zuiverste vorm, eist dat ik in een stoel blijf zitten met de telefoon binnen handbereik, zonder ook maar iets te doen.

Het wezen op wie ik wacht is niet reëel. ‘Ik creëer hem’, zoals de zuigeling de moederborst, ‘onophoudelijk en steeds opnieuw vanuit mijn vermogen tot liefhebben, vanuit de behoefte die ik aan hem heb’: de ander komt daar te voorschijn waar ik op hem wacht, daar waar ik hem al gecreëerd heb. En als hij niet komt, hallucineer ik dat hij er toch is: wachten is een waan. Weer de telefoon; telkens als hij rinkelt neem ik vliegensvlug de hoorn op, ik denk dat het de geliefde is die belt (want hij zou bellen); als ik nog even mijn best doe ‘herken’ ik zijn stem, ik begin het gesprek, op het gevaar af dat ik kwaad word op die lastpost die mij uit mijn waan wakker schudt. Zo wordt ook iedereen die het café binnenkomt, op basis van de geringste gelijkenis van gezichtsprofiel, in een opwelling herkend. En lang nadat de liefdesrelatie is bekoeld, blijf ik waanbeelden hebben van de persoon van wie ik gehouden heb: soms word ik nog steeds angstig vanwege een telefoontje dat op zich laat wachten en meen ik in elke lastpost die belt de stem van de ander te herkennen: ik ben een gehandicapte die pijn blijft houden aan zijn afgezette been.

‘Ben ik verliefd? – Ja, want ik ben aan het wachten.’ De ander, die is nooit aan het wachten. Soms wil ik doen alsof ik degene ben die niet wacht; ik probeer me dan met andere dingen bezig te houden, te laat te komen; maar in dit spel ben ik altijd de verliezer: wat ik ook doe, uiteindelijk ben ik altijd niet bezig, op tijd, te vroeg zelfs. De noodlottige identiteit van de verliefde is niets anders dan: ik ben degene die aan het wachten is.

Dit zijn fragmenten uit Uit de taal van een verliefde, door Roland Barthes, vertaling Dennis van den Broek, uitg. IJzer Utrecht, 256 blz.. In maart ligt het in de boekhandel. Prijs: € 20, -,