Home Richard Sennett: ‘Ben je zwak en behoeftig, dan word je niet gerespecteerd’

Richard Sennett: ‘Ben je zwak en behoeftig, dan word je niet gerespecteerd’

Door Annette van der Elst op 05 maart 2013

05-2003 Filosofie magazine Lees het magazine
Kun je respect hebben voor iemand die ziek of werkloos is – in een tijd waarin je je schaamt als je zwak of afhankelijk bent? De Amerikaanse socioloog Richard Sennett over de paradox van de moderne samenleving: iedereen is gelijk, maar respect moet je verdienen. ‘Gezien en erkend worden, gerespecteerd worden, is een privilege van de sterkeren.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

‘Kunnen we mensen respecteren die niet aan ons gelijk zijn? Vooral in de moderne verzorgingsstaat draait het om de vraag hoe de sterkeren respect kunnen opbrengen voor hen die gedoemd zijn zwak te blijven’, aldus de populaire Amerikaanse socioloog Richard Sennett (1943), die zijn kindertijd – in een middle class gezin – doorbracht in de achterbuurt Cabrini Green in Chicago. Zijn alleenstaande moeder was er maatschappelijk werkster.

Cabrini was zijn eerste kennismaking met de onderklasse én met paternalistisch georganiseerde hulpverleningsprogramma’s die wel hulp, maar geen respect gaven. ‘Ben je zwak en behoeftig, dan word je niet gerespecteerd’, zegt Sennett, nu hoogleraar aan de London School of Economics en aan de New York University. Hij is even in Nederland om over zijn nieuwste boek Respect in een tijd van sociale ongelijkheid te praten.

Het uitgangspunt in onze moderne samenleving is dat iedereen in principe gelijk is: we hebben gelijke rechten en niemand heeft privileges op grond van zijn afkomst. ‘Maar feitelijk is er ongelijkheid’, zegt Sennett en geeft een voorbeeld. ‘Hoe hoger je klimt in de maatschappij, hoe kleiner de kans – statistisch gezien – dat je terugvalt. Netwerken in de top van de zakenwereld geven veel steun, terwijl de netwerken van mensen op lager niveau te zwak zijn om veel ondersteuning te geven.’

De ongelijkheid in onze samenleving is anders dan in die van de hiërarchische geordende maatschappij van weleer. Daarin was ongelijkheid het gevolg van het lot geboren te zijn in een bepaalde klasse. Nu is ongelijkheid ironisch genoeg een uitvloeisel van de gedachte dat iedereen in principe gelijk is. Sennett: ‘Het belang van afkomst is verschoven naar het belang van talent en wat je ermee doet. Tijdens het ancien régime – voor de revolutie van 1792 – legde zuiver talent weinig gewicht in de schaal bij de verdeling van privileges. Maar wij belonen talent. We leven in een samenleving waar je je plaats kunt en dus ook moet verdienen. We leven in een meritocratie waarin we respect moeten verdienen.’

‘Als gevolg van die gedachte worden de zwakkeren in de moderne kapitalistische maatschappij niet opgenomen. Ze worden onzichtbaar. Gezien en erkend worden, gerespecteerd worden, is een privilege van de sterkeren, terwijl in die traditionele maatschappij ook de zwakkeren waren opgenomen in een vastgestelde hiërarchie’, zegt Sennett. ‘Ongelijkheid en wederzijds respect konden daarin een uitdrukking vinden. Rituelen waren daarbij behulpzaam.’

Hij vertelt het verhaal van een Franse hertogin in 1760, die eenmaal per maand haar bedienden en landarbeiders ontving. Zij zat in een stoel en het gezelschap stond in een halve cirkel om haar heen. Op een tafel stonden flesjes met door haar bereide kruidenmengsels. Eén voor één kwamen de ondergeschikten naar voren en beschreven een kwaal. De hertogin zocht dan een flesje uit, vertelde hoe het te gebruiken en sprak enkele bemoedigende woorden. ‘Het wonder school in het feit dat de hertogin doof was. Alle bedienden en boeren wisten dit, maar deden alsof ze het niet wisten. Ook zij zelf deed alsof ze uitstekend hoorde en met zorg de meest geschikte fles uitkoos’, zegt Sennett. ‘Het was een ritueel waarin iedereen een plaats had die wederzijds werd erkend. Het personeel kende het ritueel en speelde mee. Ook de hertogin gaf niet zomaar een flesje, maar deed daar nog een ‘deskundig’ woordje bij. De overerfde posities en de hiërarchie van het traditionele landgoed werden zo gelegitimeerd. Het maandelijks apotheekspelletje zorgde er in duizend variaties voor dat de machinerie van de traditionele samenleving geolied werd. Het is een spel van eerbied en sociale insluiting.’

Met de anekdote houdt Sennett geen pleidooi voor een terugkeer naar de feodale ongelijkheid, maar wil hij duidelijk maken dat ‘je respect moet doen. Anderen met respect bejegenen, gebeurt niet zo maar. Zelfs niet met de beste wil van de wereld. Om respect uit te drukken moet je de woorden en gebaren vinden die het op een overtuigende manier overbrengen op anderen.’
 

Flexibel kapitalisme

De analyses die Sennett in Respect maakt, sluiten aan bij zijn vijf jaar geleden verschenen boek De flexibele mens. Daarin beschrijft hij de effecten van de verschuiving van een bureaucratisch naar een flexibel kapitalisme voor werk en arbeidsverhoudingen. In het moderne kapitalisme wordt van de arbeider flexibiliteit verwacht. Als het voor het werk nodig is, dan past hij z’n werkomgeving, woonplaats of werkstijl aan. Volgens Sennett botst deze eis met fundamentele menselijke behoeften van stabiliteit, betrouwbaarheid en continuïteit. Wanneer die er niet zijn, raakt de mens op drift.

De flexibele mens gaat over de gevolgen van het modern kapitalisme voor werk, Respect gaat over de gevolgen voor de verzorgingsstaat’, zegt Sennett. ‘De twee boeken vormen een geheel. Het modern kapitalisme benadrukt de mogelijkheid en noodzaak van sociale mobiliteit, van je plaats te verdienen. Maar het benadrukken ervan heeft de compassie, het mededogen verzwakt voor hen die achterblijven. Zwak en afhankelijk zijn, is iets om je voor te schamen.’



Met een beschuldigende vinger wijst hij naar de sociaal-democratie. ‘Kijk wat de moderne sociaal-democraten doen. Die hebben nu een politiek om mensen te stimuleren niet meer afhankelijk te zijn van hulp van anderen en van de welvaartsstaat. Ze willen mensen helpen zichzelf te helpen. Maar dat is te beperkt. Ze passen een economisch model toe op sociale problemen waar dat niet kan. Als je bijvoorbeeld tegen oude mensen zegt dat ze nergens van afhankelijk mogen zijn, dan veroordeel je ze tot een afschuwelijke eenzaamheid. Het is een heel erg beperkt economisch denken. Je gaat uit van de homo economicus in relaties die niet economisch zijn. En als je dat doet, doe je mensen tekort.’

Sennett pleit voor sociale insluiting van de zwakkeren. Een voorwaarde daarvoor is wederzijdse erkenning. Dat betekent dat er notie wordt genomen van mensen en naar hen geluisterd wordt. Sennett put uit zijn herinneringen aan Cabrini Green om dit te illustreren. ‘Ik had een ongebruikelijke kindertijd. De herinneringen daaraan gebruik ik om de filosofische analyses wat concreter te maken.’

Cabrini Green – in 1942 opgeleverd – was een wijk met een sociaal doel: zwarte en blanke arbeiders laten samenleven. De ontwerpers van Cabrini pasten huisvesting toe als middel in de strijd tegen rassenscheiding. ‘Ze pasten dat middel trouwens niet op zichzelf toe. Voorzover ik weet heeft geen van de bedenkers daadwerkelijk tussen ons gewoond’, zegt Sennett.

Oorspronkelijk moest Cabrini driekwart blank en een kwart zwart zijn. Toen de huizen opgeleverd werden, waren deze percentages omgekeerd. En de blanken waren vervolgens de eersten die vertrokken. De blanken die achterbleven waren invalide oorlogsveteranen die niet meer konden werken, geesteszieken die niet gestoord genoeg waren voor een instituut maar nog steeds te hulpeloos om zelfstandig te wonen. Bijna alle bewoners, zwart en blank, waren afhankelijk van uitkeringen en sociale hulpverlening.

Wederzijdse erkenning

Sennett zag dat de bewoners in Cabrini een groot gebrek aan zelfrespect hadden. Hij concludeert dat zelfrespect niet alleen afhankelijk is van de tevredenheid over eigen kunnen, maar ook van de mate waarin mensen met respect worden behandeld. Terugblikkend zegt hij dat het zelfrespect van de bewoners in Cabrini op twee manieren werd aangetast. Door de afhankelijkheid van de sociale diensten en door de manier waarop de paternalistische hulp was georganiseerd. De mensen waren slechts consumenten van de aan hen verleende zorg.

‘Het probleem van de sociale diensten en hulpverlening in de verzorgingsstaat is dat het gaat om hulp van economisch sterkeren aan zwakkeren, van mensen met macht en mensen zonder macht. En juist die relatie kan het zelfrespect van de zwakkeren aantasten’, zegt Sennett. ‘Liefdadigheid kan verwonden. Cabrini is een voorbeeld van hoe mensen die afhankelijk zijn van de welvaartsstaat een gebrek aan respect ervaren. Dit gebrek aan respect bestaat eruit niet gezien te worden, niet geteld te worden als een volledig mens’, zegt Sennett.

Cabrini leerde Sennett ook hoe complex het voor hulpverleners is om mensen te respecteren die afhankelijk zijn van hulp. Als mededogen effectief wil zijn, moet er een zekere afstand blijven. Sennett: ‘Wanneer de grens van ongelijkheid wordt overschreden door de sterkere persoon, is het misschien noodzakelijk dat die zich afstandelijk opstelt. Een afstandelijke houding kan een uiting van respect zijn. Alle hulpverleners die ik later als onderzoeker ben tegengekomen, worstelen met dit dilemma tussen afstand en betrokkenheid.’
Sennett is zeker geen voorstander van verzakelijkte hulp zonder mededogen. ‘Hannah Arendt ontwikkelde een minachting voor liefdadigheid uit medelijden. Ze wilde een strikte scheiding tussen zorg en mededogen. Dat is het soort zorg waar ook huidige sociale hervormers voor pleiten en bijvoorbeeld iedereen een soort ‘basisinkomen’ willen toekennen waarmee ziektekosten, opleiding en ook de oude dag kunnen worden gefinancierd.’

Volgens Sennett zal dat echter de ongelijkheid van respect versterken en raken mensen die van deze ‘uitkering’ afhankelijk zijn alleen nog maar verder van de rest van de samenleving vervreemd. ‘Het probleem is niet afhankelijkheid, maar passiviteit’, zegt hij. ‘Mensen die geholpen worden, moeten ook iets terug kunnen doen. Nuttig zijn, is een soort oplossing. Een uitwisseling tussen degene die helpt en degene die wordt geholpen is noodzakelijk. Iets voor een ander doen, kan leiden tot zelfrespect en gerespecteerd worden en dat moet twee kanten opgaan.’

Hoewel Sennett zegt geen ‘receptenboek’ voor respect te hebben geschreven, geeft hij wel enkele aanwijzingen hoe respect voor zwakkeren vorm kan krijgen. ‘Door voor uiteenlopende resultaten waardering op te brengen in plaats van talent voorrang te verlenen. Door volwassenen een gerechtvaardigd beroep op hulp toe te staan en door mensen actiever te laten participeren in de vormgeving van hun eigen hulp.’

Respect in een tijd van sociale ongelijkheid. Verschenen bij uitgeverij Byblos, Amsterdam, 2003. Vert. Jan Hamminga. Oorspronkelijke titel: Respect. The formation of character in an age of inequality
De flexibele mens. Uitgeverij Byblos, 2000. Vert. Margaretha Blok. Oorspronkelijke titel: The Corrosion of Character (1998).