Home Noodzakelijke vrijheid

Noodzakelijke vrijheid

Door Otfried Höffe op 19 maart 2013

03-2004 Filosofie magazine Lees het magazine
Kant ontwierp in de Kritik der reinen Vernunft een invloedrijke opvatting over de werking van ons bewustzijn. Wat is daar nog van over, ruim tweehonderd jaar later, en na enkele decennia diepgravend hersenonderzoek? ‘Kant ontmaskert avant la lettre de vermeende ontmaskering van de vrijheid als een illusie.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Na de sociale wetenschappers zijn het nu de hersenonderzoekers die een kernbegrip van de moderne tijd, de vrijheid, tot een vergissing uitroepen. In naam van een tweede kernbegrip, de wetenschappelijke verklaring, gaan ze het eerste kernbegrip te lijf. Als bewijs daarvan komen zij met experimenten van de gedragsfysioloog Benjamin Libet (1985) en de neuropsychologen Patrick Haggard en Martin Eimer. Libet wilde het bestaan van de vrije wil experimenteel aantonen en onderzocht daartoe hoe bewust gewilde, kleine bewegingen in werking treden. Overtuigd als hij was van de autonomie van de geest verwachtte hij dat er voorafgaand aan het overeenkomstige hersenproces, waarbij een zogeheten actiepotentiaal (‘readiness potential’) ontstaat, een ‘wilsbesluit’ zou plaatsvinden. Maar die verwachting werd niet bewaarheid: de actiepotentiaal ontstond al vóórdat de proefpersoon het wilsbesluit nam. Dit resultaat nu past naadloos in een hele reeks andere neurologische inzichten. Voorafgaand aan handelingen spelen zich in de hersenen processen af, waarover de handelende personen dan achteraf vermelden dat ze ‘door een wilsbesluit zijn veroorzaakt’. Daaruit volgt – zo beweren althans deze hersenonderzoekers – dat de mens noch vrij noch verantwoordelijk is en dat het voor het strafrecht wezenlijke begrip toerekenbaarheid geen bestaansrecht heeft.

Hoe zou de grote voorvechter der Verlichting en de belangrijkste moderne theoreticus over de vrijheid, Immanuel Kant hierop reageren? Ongetwijfeld niet afwerend, maar nieuwsgierig, vermoedelijk zelfs dubbel nieuwsgierig: eerst met de nieuwsgierigheid van de natuurwetenschapper, dan met die van de filosoof. Want Kant bestudeerde aanvankelijk vooral de natuurwetenschappen, met name de newtoniaanse fysica. Zijn hele leven hield hij voordrachten over natuurwetenschap. Conform het devies ‘Geef mij slechts materie, dan zal ik u daaruit een wereld bouwen’ komt hij met opmerkelijke onderzoeksbijdragen, onder andere ter verklaring van de passaat- en moessonwinden, van de ringen van Saturnus en van nevelsterren. Niet aan Newton, maar aan Kant danken wij een zuiver seculiere kosmogonie die van alle theologie is ontdaan.

Zelfs met zijn tweede, filosofische nieuwsgierigheid stelt Kant zich niet zonder meer tegenover het natuuronderzoek op. Hij denkt vooral na over de grondslagen van beide benaderingen, waarbij hij duidelijk prioriteit geeft aan het natuuronderzoek. De nieuwsgierigheid naar grondslagen raakt nu vermengd met bezinningsvragen, die eveneens in het teken van verklaren staan.
 

Koude sneeuw

De eerste bezinningsvraag betreft de reikwijdte van het experiment en begint bij de basisbegrippen ‘oorzaak’ respectievelijk ‘causaliteit’ en ‘wil’ respectievelijk ‘wilsvrijheid’. Eén generatie voor Kants eerste hoofdwerk, de Kritiek van de zuivere rede, had de Schot David Hume het causaliteitsbeginsel in twijfel getrokken: hij stelde dat er slechts sprake was van gewoonte en de regelmaat in onze redenering waarmee bijvoorbeeld vaststellen dat het koud is als we sneeuw zien. De ‘conclusie sneeuw, dus koud’ is afgeleid uit onze ervaring, waarin het altijd zo is dat sneeuw gepaard gaat met kou. In de Kritiek van de zuivere rede brengt Kant tegen Hume in dat een waarneembare verandering, een opeenvolging van gebeurtenissen, helemaal niet objectief kenbaar is, tenzij je iets niet-waarneembaars vooronderstelt. Wie wil vaststellen dat de reeks: eerst sneeuw, dan kou, of bij Libet: eerst actiepotentiaal, dan wilsbesluit, niet slechts in zijn subjectieve fantasie, maar ook in de objectieve wereld plaatsvindt, maakt drie vooronderstellingen. Hij poneert een tijdreeks: ‘eerst actiepotentiaal, dan wilsbesluit’; hij verklaart deze als onomkeerbaar: niet eerst wilsbesluit, dan actiepotentiaal; en omwille van deze onomkeerbaarheid neemt hij een ‘daarom’ aan: het wilsbesluit vindt plaats omdat er voorafgaand daaraan een actiepotentiaal is ontstaan. Kortom: wie een gebeurtenissenreeks als objectief poneert, vooronderstelt – zegt Kant – een oorzaak-gevolgrelatie en dus causaliteit.

Kant zou zich daarom weliswaar voor het Libet-experiment hebben geïnteresseerd, maar het resultaat zou hem niet hebben verrast. Om het wilsbesluit aan te kunnen merken als een objectieve gebeurtenis, moet men als oorzaak daarvan namelijk een eraan voorafgaande gebeurtenis aannemen. Deze noodzakelijkheid lijkt vrijheid en daarmee moraal te ontmaskeren als onbestaanbaarheden. In het derde deel van de Kritiek van de zuivere rede blijkt deze indruk in werkelijkheid niet meer dan schijn te zijn. En daarmee ontmaskert Kant de vermeende ontmaskering van de vrijheid als een illusie.
 
Kant constateert in de Kritiek van de zuivere rede eerst dat er twee fundamenteel verschillende wetmatigheden zijn: de wezenlijk causale natuurwetten en de voor het handelen geldende vrijheidswetten. Vervolgens wordt vastgesteld dat daartussen een diametrale tegenstelling bestaat, die uiteindelijk in een derde redeneerstap wordt opgeheven. Kant komt de critici van de vrijheid in zoverre tegemoet, dat bij elke gebeurtenis de vraag naar het waarom speelt. Ook bij handelingen kunnen we de oorzakelijkheidsvraag noch afwijzen, noch als onbeantwoordbaar bestempelen. Daarmee is elke gebeurtenis, dus tevens elke handeling, potentieel gedetermineerd. Wie echter uit dit methodisch determinisme direct het dogmatisch determinisme dat vrijheid totaal onmogelijk acht afleidt, houdt zich niet aan een methodische beperking. Gebeurtenissen zijn slechts gedetermineerd voorzover ‘ze zich bevinden in het domein van de mogelijke ervaring’, maar buiten de ervaring blijft de vrijheid op zijn minst denkbaar. Daarmee kunnen we een eerste tussenbalans opmaken: veel hersenonderzoekers komen op basis van ongetwijfeld onomstreden observaties tot beslist omstreden interpretaties.



Deze filosofische tussenbalans vindt overigens steun bij bepaalde vakwetenschappen. In zijn nieuwsgierigheid naar het huidige natuuronderzoek zou Kant zich niet beperken tot de trotse verklarende stellingen van enkele neurowetenschappers, maar zich ook verdiepen in de sceptische tegenwerpingen van andere onderzoekers: dat er in de hersenen slechts weinig direct waarneembaar is en het meeste eerst geïnterpreteerd moet worden, dat zulke interpretaties zich moeten richten op de hersenen als geheel en niet louter op plaatsen van maximale activiteit, dat wetenschappen als wiskunde en natuurkunde dynamische processen opdelen over een reeks vaste punten, zodat fysiologisch niet-geactiveerde hersengebieden, ‘stille plaatsen’, van belang worden, of dat het in de experimenten gaat om kortdurende gebeurtenissen terwijl bijna alle psychische processen zich op de lange termijn afspelen en beslissingen bijvoorbeeld jaren in beslag kunnen nemen.
 
Met de eerste tussenbalans, de loutere denkbaarheid van de vrijheid, stelt Kant zich niet tevreden. Hij richt zich ook op de werkelijkheid, maar verheldert eerst het begrip: zoals de meeste steekwoorden in ons leven heeft de term ‘vrijheid’ namelijk vele betekenissen. Dat komt niet door een onnauwkeurigheid van de taal of de spreker, maar door de veelduidigheid van de wereld. Volgens de eerste betekenis is er al een elementaire vrijheid te vinden bij kleine kinderen, en ook nog bij dieren, planten, ja zelfs stenen. In deze eerste, bescheiden zin immers noemen we een beweging vrij wanneer deze – als de vrije val – niet door iets van buitenaf gehinderd wordt. Daaraan grenst de tweede betekenis: een handeling die niet voortkomt uit dwang van buiten, maar van de handelende persoon zelf uitgaat. Als iemand zo hard geduwd wordt dat hij omvalt, dan is degene die duwt vrij, maar degene die valt niet.
 

Leugen

De fijnzinniger derde betekenis impliceert een weten. Bij de vrije of autonome wil waaraan Kant zoveel belang hecht gaat het niet slechts om een zelfbepaling zonder meer, maar om een zelfbepaling op dit hoogste, derde niveau. De wil is vrij indien hij zichzelf de wet (nomos) stelt. Omdat ‘zelf’ in het Grieks ‘auto’ is, spreekt Kant van auto-nomie. Ook op de lagere vrijheidsniveaus gehoorzamen we een wet, die dan echter niet uit de wil zelf stamt maar van elders komt, zodat het hierbij om hetero-nomie gaat. Beslissend voor de vraag naar de wilsvrijheid is in alle gevallen niet de ‘atomaire’ handeling, maar het type wet dat eraan ten grondslag ligt. Omdat echter zowel het Libet-experiment als zijn verbeterde versies zich daar niet mee bezighouden, raken deze experimenten dus niet aan de werkelijke wilsvrijheid.

Zonder enige moraliserende ondertoon wordt de moraal bij Kant bepaald als de absolute, hoogste vorm van het goede. Alleen dát kan invulling geven aan het filosofische begrip van de vrije wil. Deze manifesteert zich niet in het wilsbesluit, maar in de omstandigheid dat de wil geen vreemde, maar de eigen wet gehoorzaamt. Dat we ten behoeve van eigen voordeel, maar vooral om te overleven, bij gelegenheid immoreel kunnen handelen en bijvoorbeeld liegen, acht iedereen mogelijk. Evenzo achten we het echter mogelijk om niet tot de leugen over te gaan. Daarom concludeert Kant: ‘Hij oordeelt dus dat hij iets kan doen, omdat hij zich ervan bewust is dat hij het moet doen, en hij bemerkt in zichzelf de vrijheid die hem zonder de morele wet onbekend gebleven zou zijn.’

Met de drang tot weten die de mens is aangeboren, blijf ik nieuwsgierig, of het hersenonderzoek een cruciaal experiment, een beslissende vraagstelling, kan formuleren voor dit type vrijheid, de werkelijke vrije wil. Want in elk oordeel over de juiste handeling tonen moraal en daarmee wilsvrijheid zich in hun volstrekte realiteit.
 
Vertaald uit het Duits door Ruud van de Plassche
 
© Frankfurter Allgemeine Zeitung / Otfried Höffe
 

Kritik der Urteilskraft

In zijn Kritik der Urteilskraft (1790) onderzoekt Kant de mogelijkheid om objectieve uitspraken over gevoelservaringen te doen. Al onze gevoelens zijn lust- of onlustgevoelens. Een bevredigde behoefte bezorgt ons een gevoel van lust, een onbevredigde behoefte een gevoel van onlust. Een behoeftebevrediging kan in de ruime zin van het woord een doel genoemd worden, en een uitspraak over een gevoelservaring gaat dus altijd over een zekere doelmatigheid.

Kant onderscheidt smaakoordelen en schoonheidsoordelen. Zintuiglijke smaakoordelen zijn subjectief en veranderlijk. Eten als je hongerig bent wekt eten lust op; wanneer je geen honger hebt staat hetzelfde voedsel je tegen. Schoonheidsoordelen daarentegen claimen wel algemene geldigheid. Schoonheid is een doelmatigheid zonder doel en vrij van regels. Onze gevoelens en kenvermogens werken hier als een vrij spel van krachten op elkaar in. Dat ‘spel’ laat zich door een inwendige harmonie leiden, die alle mensen in zich hebben. Daarom hebben ook alle mensen eenzelfde min of meer formele voorstelling van schoonheid.
De wereld van het verhevene betreden we wanneer dit vrije spel van de verbeelding betrokken wordt op voorstellingen van iets waardevols, iets oneindig groots of net enorm kleins. Hier worden we ons bewust van onze eigen nietigheid maar beseffen we tegelijkertijd dat onze bestemming elders ligt. De ervaring van het verhevene gaat gepaard met een gevoel van moreel ontzag of respect, dat ‘zowel kan worden opgewekt door de sterrenhemel boven mij als de morele wet in mij’.
 

Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung?

‘Verlichting is het uittreden van de mens uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft.’ Zo begint het korte maar wereldberoemde geschrift dat Kant in 1784 in de Berlinische Monatschrift publiceerde. Niet een gebrek aan intelligentie maar luiheid en lafheid zijn er volgens Kant de oorzaak van dat de meeste mensen onmondig zijn, niet in staat zijn om hun verstand te gebruiken. Hij roept zijn lezers daarom op om zelf te denken: ‘Sapere aude! Heb de moed, je van je eigen verstand te bedienen!’ Om de verlichting van een heel volk tot stand te brengen moet het gebruik van de rede in het openbaar wel vrij zijn. Hij roemt de toenmalige koning Frederik de Grote omdat die de mens tenminste vrij liet ‘zich in alles wat gewetenszaak is, van zijn eigen rede te bedienen.’ Daarom noemt Kant de periode waarin hij leefde ‘een tijd van Verlichting’.

Michel Foucault heeft twijfels bij die beschrijving: ‘Terugblikkend op Kants tekst vraag ik me af of we de moderne tijd niet eerder als een houding dan als een historische periode moeten zien. Met houding bedoel ik (…) een manier van denken en van voelen en een handelwijze’ schrijft hij tweehonderd jaar later. Verlichting is volgens Foucault niet een bevrijding uit onmondigheid, maar een taak om jezelf op eigen kracht vorm te geven.