Home Moreel dilemma Moreel dilemma: moeten we voorkomen dat Sapiens uitsterft?
De dood Moreel dilemma

Moreel dilemma: moeten we voorkomen dat Sapiens uitsterft?

Aan de horizon van de eenentwintigste eeuw doemen bedreigingen op voor het menselijk voortbestaan. Moet de mensheid alles doen om existentiële risico’s te keren?

Door Jeroen Hopster op 29 oktober 2020

Moreel dilemma: moeten we voorkomen dat Sapiens uitsterft? beeld Bas van der Schot
Cover van 11-2020
11-2020 Filosofie magazine Lees het magazine

‘Er is maar één ernstig filosofisch probleem,’ verkondigde Albert Camus: ‘De zelfmoord. Oordelen of het leven wel of niet de moeite waard is geleefd te worden, is antwoord geven op de fundamentele vraag van de filosofie.’ Maar zo mogelijk heeft zich ruim driekwart eeuw later, terwijl de wereldbevolking is toegenomen van ruim 2 tot bijna 8 miljard, een nog ernstiger probleem aangediend. Niet de suïcide, maar de speciecide: de soortenmoord. Niet alleen andere diersoorten worden steeds dichter tot de rand van uitsterven gedrongen, ook Homo sapiens zelf wankelt. De gevolgen van klimaatopwarming zullen de komende decennia steeds dramatischer worden. De uitbraak van een volgende pandemie – mogelijk veel catastrofaler dan de huidige – is alleszins te verwachten. Nucleaire wapens lijken in vergetelheid geraakt, maar de wijzers van de zogenoemde doemdagklok, die sinds 1947 wordt bijgehouden, staan dichter bij twaalf dan ooit. Dus dringt de vraag van Camus zich op, vertaald naar het collectief: zouden we Sapiens koste wat kost voor uitsterving moeten behoeden?

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Een wereld zonder mens is niet meer voorbehouden aan sciencefictionfilms

Ja

De Australische filosoof Toby Ord, onderzoeker aan Future of Humanity Institute in Oxford, bracht dit jaar een boek uit over existentiële risico’s, waarin hij de kans inschat dat Homo sapiens binnen nu en 100 jaar zijn precaire evenwicht verliest en de afgrond in stort: een kans van één op zes. Dat zou een reusachtig verlies zijn, stelt Ord, vooral vanwege ons niet-verwezenlijkte potentieel. Ga maar na: de kwaliteit van een doorsnee mensenleven is de laatste eeuwen en decennia exponentieel toegenomen. Dat geldt voor onze materiële welvaart, maar ook voor onderwijs en gezondheid. Vóór de Industriële Revolutie kon slechts één op de tien personen lezen en schrijven; nu zijn dat er meer dan acht op de tien. Millennia lang was de gemiddelde levensverwachting in ons boerenbestaan 20 tot 30 jaar; tegenwoordig ligt het globale gemiddelde rond de 72. En de belofte van de toekomst is nog veel groter. Er zouden nog eindeloos veel generaties kunnen leven die van dezelfde levensstandaard genieten, zo niet een betere. De menselijke geschiedenis staat pas aan het begin. Ons intergenerationele project om kennis te verwerven, moreel inzicht op te doen en menselijk welzijn te vergroten kunnen we nog vele millennia, misschien zelfs miljoenen jaren voortzetten. Maar dan moeten we toekomstige mensen daar wel de gelegenheid toe geven. Volgens Ord staan we op een kruispunt in de geschiedenis: met onze toenemende welvaart en techniek kunnen we vele miljarden mensen een aantrekkelijke toekomst bieden, maar met groot gemak kunnen we die mogelijkheid ook permanent tenietdoen.

Nee

Er zijn ten minste twee denkrichtingen in de hedendaagse filosofie waarvoor het vooruitzicht van menselijke uitsterving geen gruwel is – integendeel.

Ten eerste geldt dat voor zogenoemde ‘antinatalisten’, zoals de Zuid-Afrikaanse filosoof David Benatar, die een doorsnee mensenleven negatief waarderen. Volgens Benatar weegt het leed van het leven zwaarder dan het plezier ervan. De balans valt negatief uit, en daarom is het een slechte zaak om nieuwe mensen op de wereld te zetten. Bovendien zal die balans de komende eeuwen alleen maar verder omlaagschieten. Uitsterven gebeurt immers niet plotseling; daar gaan generaties van beklagenswaardige mensenlevens aan vooraf.

Ten tweede zijn er denkers, zoals de Britse filosoof John Gray, die hun neus ophalen voor een mens-centrisch wereldbeeld, dat ons eigen voortbestaan neerzet als summum bonum. De opmars van de mens is ten koste gegaan van bijna alle andere diersoorten, waarvan de aantallen in moordend tempo afnemen. Is het te verantwoorden om met alle middelen die ene soort – niet toevallig de eigen – te behouden, terwijl zoveel andere soorten het loodje leggen, juist dankzij ons?

Ultimologie

De verbeelding van een wereld zonder mens is niet meer voorbehouden aan sciencefictionfilms. Waar in Oxford onderzoek wordt gedaan aan het Future of Humanity Institute, heeft Cambridge zijn eigen Centre for the Study of Existential Risk. René ten Bos nam afscheid als Denker des Vaderlands met het boek Extinctie. Onlangs vertelde een curator mij dat zij zich bezighoudt met ultimologie: de studie van al wat dood of stervende is. Uitsterving en existentiële risico’s behoren tot de grote vragen van deze tijd, en daarmee ook van de filosofie. Ten eerste als onderwerp van fundamentele reflectie: waarom doet menselijk voortbestaan er eigenlijk toe? Maar ook als dilemma waarover we praktische keuzes moeten maken, in het hier en nu. Hoeveel risico’s mogen we op volgende generaties afwentelen? En hoeveel offers zijn we bereid te brengen om die risico’s te verkleinen?