Wetenschap checkt met experimenten de feiten, filosofie checkt het denken.
Een volwassene vertoont zich niet gauw in een poppenhoek of binnenspeeltuin, terwijl hij daar als kind urenlang kon vertoeven. Wat we als volwassen mensen leuk vinden, komt vaak niet overeen met onze vroegere interesses. Toch zeggen we dat we dezelfde persoon zijn als het kind dat zo graag speelde. Maar zou je dat nog steeds zeggen als je helemaal geen herinneringen meer aan die tijd hebt? Hoe weet je dat je dan nog dezelfde persoon bent? Ben je nog jezelf als je je geheugen verliest?
De Engelse filosoof John Locke (1632-1704) denkt van niet. Wie je bent, hangt volgens hem af van je herinneringen. Alleen iemand die zich zijn verleden kan herinneren, is nog dezelfde persoon als voorheen. Om zijn argument kracht bij te zetten, bedacht hij een gedachte-experiment. Stel je voor: een prins ontwaakt in het lichaam van een schoenmaker. De prins herinnert zich zijn voorgaande leven nog goed: hij weet wie hij is, wat hij denkt en wat hij gedaan heeft. Maar de mensen om hem heen zien het lichaam van een schoenmaker. Is de prins dezelfde persoon als in zijn prinsenlichaam? En zo ja, zou je dan zeggen dat degene die rondloopt in de kleren van de schoenmaker nu de prins is?
Locke meent dat de prins nog altijd Âdezelfde persoon is als hij voor de zielsÂverhuizing was. De prins herinnert zich immers nog zijn belevenissen. Dat hij in een ander lichaam wakker wordt dan het zijne, verandert daar niets aan volgens ÂLocke. Ook als ons lichaam door de tijd heen verandert, beseffen we dat we nog altijd dezelfde persoon zijn. Locke beschrijft een persoon als een denkend, intelligent wezen dat zich bewust is van zijn voorgaande handelingen. Wie zijn geheugen verliest, raakt dus ook zichzelf kwijt.
Echt?!
Maar als wie we zijn, afhangt van ons geheugen, verliezen we onszelf dan niet voortdurend? Onze herinneringen laten ons immers vaak in de steek. Alsof iemand zich nu nog bewust is van wat hij twintig jaar geleden allemaal gedaan heeft of van hoe zijn kindertijd er precies uitzag. Moeten we dan concluderen dat de man op latere leeftijd niet meer dezelfde is als het kind? Of slaan we door als we het feit dat we niet meer weten wat we vorige week gegeten hebben al als een teken zien dat iemand anders onze maaltijd gegeten heeft?