Home Kan het bestaan van God bewezen worden?

Kan het bestaan van God bewezen worden?

Door Maarten Boudry op 24 april 2014

Cover van 05-2014
05-2014 Filosofie magazine Lees het magazine

Gelovigen houden vol dat ze gelukkiger zijn dan niet-gelovigen. Maar is dat ook een godsbewijs? Atheïsten vinden van niet.

God is terug! Hoe lang al verkeert hij terug onder ons? In 2009 verscheen een spraakmakend boek, getiteld God is Back. Nog wat eerder, in 1990, liet de socioloog Peter Berger optekenen dat het afgelopen is met de secularisatie. Maar in 1980 berichtte Time ook al over Gods vermeende comeback. Is hij eigenlijk ooit weggeweest? In elk geval: terug is hij! Hij werft adolescenten op wereldjongerendagen, laat moskeeën volstromen en verovert het Afrikaanse continent. In zijn naam woeden wereldwijd bloedige conflicten. Doet God zelve het tij van de secularisatie keren?

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Volgens de moraalfilosoof Patrick Loobuyck is die heropleving slechts schijn. De media besteden aandacht aan religie, zo schrijft hij in De seculiere samenleving, als het om zonderlinge en opvallende fenomenen gaat. Uitingen van religieus geloof hadden vroeger geen enkele nieuwswaarde, maar lijken tegenwoordig een curiosum, dat schril afsteekt tegen de voortschrijdende secularisatie: ‘Religies treden opnieuw op de voorgrond juist omdat ze zich terugtrekken.’

En inderdaad: de theoloog Stefan Paas en de filosoof Rik Peels, die in God bewijzen een onverbloemd pleidooi voor godsgeloof houden, erkennen van meet af aan dat ze zebra’s zijn in de academische polder. In het betoog van Paas en Peels is echter een merkwaardige verschuiving merkbaar. Niet langer de rationele basis voor godsgeloof staat centraal, maar de psychische effecten treden op de voorgrond. God maakt gelukkig. Geloof is puur natuur, heilzaam, gezond, biologisch normaal. Positieve argumenten voor het bestaan van God komen, in weerwil van de misleidende titel, slechts helemaal achteraan aan bod, als een soort haastige nabeschouwing. Kroonjuwelen van de klassieke theologie, zoals het ontologische godsbewijs, worden schoorvoetend vermeld als ‘aanvullende steuntjes’. Neem ze voor wat ze waard zijn, maar zet er uw krediet niet op in. Wilt u toch in godsbewijzen beleggen, kies dan voor een gevarieerde portefeuille, voor maximale risicospreiding. Is dit dan toch de zwanenzang van God?

Een andere teneur vinden we bij de atheïst Herman Philipse, die zich blijft uitsloven om precies die redelijke fundamenten van religie onderuit te halen. In zijn magnum opus God in the Age of Science? laat Philipse zich weinig gelegen liggen aan het vermeende geluksvoordeel van religie. Een intellectueel verantwoorde theïst, aldus Philipse, moet rationele argumenten aandragen voor zijn overtuiging, ongeacht de effecten op zijn welzijn. Daarvoor zet hij de gelovige eerst klem met een religieuze beslisboom, die via een aantal vertakkingen uitloopt in één redelijke optie: de natuurlijke theologie, oftewel de rationele verdediging van godsgeloof.

De meeste pijlen in deze doorwrochte turf zijn gericht op de godsdienstfilosoof Richard Swinburne, die volgens Philipse de beste verdediging van het theïsme presenteerde. Philipse wil zich namelijk alleen met de sterkste voorman van God meten. Een ijzersterk boek, maar voor doorbijters.

Maar ligt de bal wel in het kamp van de theïsten? In een sleutelpassage proberen Paas en Peels de bewijslast af te wentelen op de godloochenaars. ‘Geloof in God is nuttig en gezond: je wordt er gelukkiger van en het is goed voor de maatschappij. Dit laat zien dat de bewijslast bij de atheïst ligt[…] De atheïst […] moet laten zien wat er mis is met geloof in God.’ Daar staat Herman Philipse te blinken met zijn rationalistische beslisboom!
 

Verpletterende bewijslast

Geloof is volgens Paas en Peels een ‘basale overtuiging’, die geen rationele ondersteuning behoeft. Een soort metafysisch onderbuikgevoel. Dat klinkt vreemd, maar volgens de auteurs hebben we allemaal zulke basale overtuigingen. Geloof in het bestaan van de buitenwereld, of de betrouwbaarheid van ons geheugen, kunnen we net zomin rationeel onderbouwen. Wie zonder basaliteit is, werpe de eerste steen.

Die kentheorie, ontleend aan de godsdienstfilosoof Alvin Plantinga, tracht religieus geloof te redden door andere overtuigingen mee het moeras in te sleuren. Maar ze deugt voor geen meter. Er is een verpletterende bewijslast voor het bestaan van een externe buitenwereld. Neem de robuustheid van onze waarneming: als ik mijn ogen sluit en weer open, of mijn kantoor verlaat en morgen weer binnenkom, dan doet de wereld zich nog altijd op dezelfde manier aan mij voor, in al zijn rijke details en schakeringen. Dat zou volkomen miraculeus zijn indien er geen externe wereld bestond die al die ‘informatie’ opslaat wanneer we er niet zijn om alles waar te nemen. De werkelijkheid is onze trouwste metgezellin: zij laat het niet afweten als we even niet aan haar denken, of elders vertoeven. Inbreuken op de continuïteit van onze waarneming (zoals hallucinaties) tekenen zich af tegen een achtergrond van robuuste vastheid.

Idem voor ons geheugen. Hoewel soms schromelijk overschat, kwijt het zich prima van zijn taak in alledaagse situaties. Dat weten we, omdat we het voortdurend kunnen nagaan: mensen die we met de verkeerde naam aanspreken, zetten dat misverstand doorgaans recht. Als ik mijn rekeningen vergeet te betalen, herinnert een incassobureau mij eraan dat mijn geheugen feilbaar is.

Van andere aard is de ‘basale overtuiging’ aangaande een onzichtbaar, bovennatuurlijk wezen dat het hele universum zou bestieren, maar daar hoegenaamd weinig van laat merken. Wie geloof hecht aan zo’n wezen, kan zich niet zomaar beroepen op een veredeld onderbuikgevoel.

In hun voorlaatste hoofdstuk maken Paas en Peels zich zorgen over de langetermijneffecten die ongeloof kan hebben op de ethiek. Beseffen we wel wat we aanrichten als we God verbannen uit de samenleving? Lijnrecht tegenover hen staat de moraalfilosoof Dirk Verhofstadt, die de terugtocht van religie in Atheïsme als basis voor de moraal juist toejuicht. Religies perverteren de moraal, aldus Verhofstadt, door hun afkeer van andersdenkenden, hun verheerlijking van lijden en hun misprijzen voor het aardse leven ten faveure van een ingebeeld hiernamaals.

Patrick Loobuyck valt hem bij, hoewel hij iets milder blijft voor religie. Verhofstadt presenteert ‘Tien Seculiere Geboden’ als toetssteen voor een goddeloze moraal, aangevoerd door het gebod ‘Bovenal bemin de mens’. Een wereld van verschil met de bijbelse geboden, die de slaafse onderwerping aan een behaagziek opperwezen centraal stellen, om pas bij het vijfde gebod aan de liefde voor de mens toe te komen.

Gelovigen zouden gezonder, gelukkiger en meer sociaal betrokken zijn, volgens sommige studies, maar andere wijzen uit dat zowel overtuigde atheïsten als gelovigen zich beter in hun vel voelen. De bepalende factor lijkt vooral levensbeschouwelijke standvastigheid. De psychische effecten van bovennatuurlijk geloof zijn fascinerend, maar we moeten die kwestie gescheiden houden van de waarheidsvraag. Door zich te wentelen in hun basale onderbuikgevoel, en met de geluksvoordelen van religie uit te pakken, wagen Paas en Peels zich aan een hachelijke spagaat. Neem daarbij hun defensieve omdraaiing van de bewijslast en hun onwennige behandeling van de positieve godsbewijzen – weggemoffeld in het laatste hoofdstuk – en de lezer bekruipt enige argwaan: wie proberen Paas en Peels eigenlijk te overtuigen? Geloven zij nog dat de waarheid zal vrijmaken, zoals Johannes leert? Of vinden ze vooral troost bij Prediker? Daar staat: ‘Want in veel wijsheid is veel verdriet, en die wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart.’