Home Jos Kessels: ‘We zijn nu eenmaal blind voor onze blinde vlekken’

Jos Kessels: ‘We zijn nu eenmaal blind voor onze blinde vlekken’

Praktische filosofie helpt bij het zoeken naar nieuwe ideeën, laat Jos Kessels al jaren zien. Hij legt uit hoe je echt moet filosoferen.

Door Maarten Meester op 19 augustus 2022

Jos Kessels praktische filosofie beeld Amke
Cover van 09-2022
09-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

‘Veel mensen houden zich met filosofie bezig, maar weinig mensen kunnen filosoferen,’ stelt Jos Kessels (1948), de grootmeester van de Nederlandse praktische filosofie. Tijdens de studie wijsbegeerte leer je dit volgens Kessels in elk geval niet. Op het terras van een Amsterdams café, op veilige afstand van de universiteit, legt hij uit hoe je wél leert filosoferen.

‘De meeste mensen hebben gek genoeg geen idee wat een gesprek is, ofschoon ze voortdurend aan het praten zijn,’ schrijft u. Wat bedoelt u daar precies mee?
‘Mensen praten voortdurend met elkaar, maar een gesprek voeren over essentiële zaken, oftewel filosoferen, kunnen ze niet. Zelfs leidinggevenden zijn niet in staat om daar gesprekken over te voeren.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Ook filosofen kunnen dit vaak niet, volgens u.
‘Filosofen hebben de neiging om metagesprekken te voeren. Wat voor methode passen we toe? Is die legitiem? Zo kom je nooit in het gesprek zelf terecht. Filosoferen is een techniek op zich, een vak dat je moet leren. Als je rechten of medicijnen studeert, krijg je naast de theorie ook de praktijk. Bij de studie filosofie krijg je alleen de theorie.’

Hoe het in de praktijk wél moet staat in het recent verschenen handboek Hoog spel, waaraan u hebt meegewerkt. Dat telt meer dan 300 pagina’s, waarop 85 verschillende technieken staan, met elk weer hun eigen stappenplannen. Die overdaad suggereert dat je filosoferen beter aan de expert kunt overlaten.
‘Vrijwel iedereen drinkt weleens een borreltje en denkt na over diepere zaken – dat is ook een vorm van filosoferen. Maar als je het op een hoger niveau wilt beoefenen, moet je beseffen dat filosoferen een vak is. Zelf heb ik eindeloos geoefend. Ik heb veel geleerd van de klussen die ik heb gedaan met mensen uit de top van de bankwereld, zorg en overheid, die geen enkel geloof in mij hadden en die ik moest overtuigen.’

Tijd voor een gedachte-experiment. Aarde II is een exacte kopie van onze aarde, alleen loopt de tijd er vijftig jaar achter. Daar leeft Jos Kessels II, 24 jaar oud. U, Jos Kessels I, kunt hem via een interplanetaire verbinding een consult geven. Wat zou u hem zeggen?
‘Gedachte-experimenten zijn typisch iets voor academische filosofen. Nadenken over ervaringen verschilt radicaal van nadenken over theorie. Met dit voorbehoud zou ik zeggen: “Je moet vooral doen wat je te doen hebt.” En dat is precies wat ik heb gedaan.’

Maar hoe weet je wat je te doen staat?
‘Ik kan vertellen hoe het bij mij is gegaan. Ik studeerde rechten, zat in de muziek en volgde sensitivitytrainingen. Maar alles wat ik aanraakte – relaties, woonvormen, studie, werk – ging kapot. Ik ben een tocht langs kloosters gaan maken, druiven gaan plukken in Frankrijk, maar ik raakte steeds gedeprimeerder. Totdat ik in een berghut met uitzicht over een dal Jean-Jacques Rousseau las, de Franse achttiende-eeuwse filosoof en schrijver. In Montpellier had ik toevallig een boek van hem gevonden, zijn ­Vertoog over de ongelijkheid. Opeens wist ik: dit wil ik! Ik wil de grote boeken van de mensheid lezen. Ik ga daar geen droog brood mee verdienen, maar het is tenslotte mijn leven, dus ik maak die keus. Ik moet er wel bij vertellen dat ik rond die tijd ook mijn vrouw tegenkwam. Dat hielp, zal ik maar zeggen. Ik ben spoorslags teruggegaan naar Nederland en filosofie gaan studeren.’

‘Je moet de duistere kennis die in je zit helder voor ogen krijgen’

‘Iedereen maakt in zijn leven dit soort situaties van grote emotionele druk mee,’ schrijft u. Sommige daarvan leiden volgens u tot groei, andere niet. Hoe komt dit?
‘Bij therapie is er de regel: je kunt niet verdergaan dan een cliënt op een bepaald moment kan. Je kunt iemand naar de bron leiden, maar je kunt niet zorgen dat hij drinkt. Leonard Nelson, de grondlegger van de praktische filosofie, hanteerde de intuïtietheorie van de waarheid. Voor je in staat bent om de waarheid te articuleren, heb je al een intuïtie van wat klopt. Nelson noemt deze intuïtie duistere kennis. Deze kennis zit al in je, maar je moet die nog helder voor ogen krijgen. Duistere kennis kun je zien als een soort zoekmechanisme: dáár moet ik kijken. En dat mechanisme kan werken, of niet.’

En al die stappenplannen van de praktische filosofie kunnen zorgen dat het mechanisme werkt?
‘Die plannen zijn hulpmiddelen. Je kunt in jezelf zitten peuren, maar met de juiste technieken en de juiste gesprekspartners heb je meer invalshoeken, heb je meer kleuren en een rijker domein. Dit helpt, want je bent nu eenmaal blind voor je eigen blinde vlekken.’

Mensen en organisaties zoeken vaak hulp bij de praktische filosofie als er problemen zijn. Volgens u is dat eigenlijk te laat.
‘Een praktisch filosoof is er niet om problemen op te lossen. Hij is er om samen naar ideeën te zoeken. Dit is van groot belang. Als je dat niet doet verlies je je oorspronkelijke motivatie. Gesprekken voeren over ideeën voedt en herijkt die motivatie. Zeker als je op een leiderschapspositie zit gaat het erom dat je mensen kunt laten zien, horen en voelen wat jou inspireert.’

Dus onze premier heeft terecht spijt van zijn uitspraak dat ‘visie als een olifant is die het zicht belemmert’?
‘Of het nu om een organisatie gaat of om je eigen leven, op gezette tijden moeten de volgende vragen worden gesteld: wat ben ik aan het doen? Klopt het wel? Hoe verhoudt dat zich tot de anderen met wie ik leef?’

U hebt daar een mooie methode voor: in de agenda kijken.
‘Ja, kijk in je agenda naar de afspraken en vergaderingen die je hebt gehad. Zoek daar een moment uit waarbij concrete waarden in het geding kwamen. Zo kwam ik zelf terecht bij een gesprek waarin ik iemand had afgekapt. Vind ik dat je dat zomaar kunt doen? Nee. Waarom dan niet? Welke waarden maken dat ik dat niet mocht doen? Welke dat ik het wel mocht doen? Welke waarden wegen zwaarder?’

‘Je kunt iemand naar de bron leiden, maar je kunt niet zorgen dat hij drinkt’

Volgens u bouwt de praktische filosofie voort op Plato’s grotallegorie.
‘Ja, in die allegorie zitten mensen vastgebonden in een grot. Het eerste niveau van hun kennisontwikkeling – hun tocht uit de grot naar het licht van de zon – betreft de uiterlijke waarneming, de feiten. In het voorbeeld van de agenda zijn dit de feiten van het gesprek: ik onderbrak iemand. Het tweede niveau gaat over de innerlijke waarneming: wat gebeurt er in mij in die situatie? In dit geval: het duurde mij te lang, ik hou van snelle, efficiënte communicatie. Dat is het niveau van de houding, gevoelens, meningen. Het derde niveau is: hoe kun je naar die uiterlijke en die innerlijke feiten kijken? Dit is het niveau van mogelijke perspectieven, verschillende wijzen van zien. Bijvoorbeeld: ik had die persoon ook meer ruimte kunnen geven, of misschien wel móéten geven, op grond van de regel dat je ieder mens in zijn waarde moet laten.

Er is bij praktische filosofie sprake van een verkenningsfase: welke begrippen gebruik je? En er is een concretiseringsfase: kun je daar voorbeelden van geven, concrete eigen ervaringen? Daarna moet je zo’n specifieke situatie te lijf gaan. De kennis zit in die begrippen en voorbeelden, in die ervaring. Dat is het materiaal dat je als filosoof gaat bewerken. Je vraagt naar vooronderstellingen, gaat steeds een laag dieper, tot je op een punt stoot waarvan je denkt: dit is het!’

Zou je dat punt niet zelf ook weer kritisch moeten onderzoeken? Is het geen dogma dat ieder mens een authentieke kern heeft en dat je alleen goed leeft als je leven overeenstemt met die kern?
‘Je hoort vaak dat de grotallegorie Plato’s ideeënleer illustreert, waarbij die ideeën statische maatstaven zouden zijn. Maar het Griekse woord voor “idee” is eidos, “vorm”. Plato heeft het over de vraag: hoe ben je als je in vorm bent? En hoe is een specifieke kwestie als die in vorm is? Als een muzikant in vorm is, hoor je dat. Op soortgelijke wijze merk je ook in het dagelijks leven als iemand in vorm is. Ook in een filosofisch gesprek kan het gaan zingen, in jou, in een groep.

De vergelijking met een fuga, een meerstemmige vorm van muziek, ligt voor de hand: er zijn allerlei lijnen. Soms drijven die ver uit elkaar, soms komen ze juist weer samen. Dat sluit aan bij het vierde niveau van innerlijk weten, dat volgt op de drie niveaus van de grotallegorie waar we het zojuist over hadden. Dat vierde niveau is vaak deels of geheel taalloos. Je kunt er wel indirect over spreken, via dans, schilderkunst, architectuur en muziek.’

Vandaar ook de aandacht in het handboek voor kunst, stem, ademhaling en houding?
‘Ja, als het alleen in je kop zit en niet in je handen, je buik en de rest van je lichaam, houdt het geen stand.’

Terug naar het gedachte-experiment. Jos Kessels II is inmiddels 74 jaar oud, zo oud als u nu bent. Wat zou Jos Kessels I, inmiddels een krasse kerel van 124, hem adviseren?
‘Precies hetzelfde. De regel die ik heb afgeleid uit mijn ervaring in Frankrijk staat nog steeds: als je niet doet wat je werkelijk wilt, roep je onheil over je af.’

Hoog spel. Filosoferen in de praktijk
Jos Kessels, Jan Ewout Ruiter en Luuk Stegmann (red.)
ISVW Uitgevers
396 blz.
€ 39,95