Home Waarheid ‘Ja, dat is zo, Socrates’
Waarheid

‘Ja, dat is zo, Socrates’

Totdat Socrates op het toneel verscheen, beoefenden mediavoorlichters avant la lettre, zoals Protagoras en Gorgias, hun gratuite retorische kunstjes. Socrates ontdekte iets wat de doodsteek voor deze sofisten betekende: de waarheid.

Door Nicholas Fearn op 22 november 2012

buste van Socrates in het Palazzo Massimo alle Terme in Rome
09-2001 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Tot het genoegen van politici en het verdriet van filosofen kunnen de meeste mensen van bijna alles worden overtuigd, zo lang er maar geen rationele argumenten worden gebruikt. De sofisten uit de Griekse oudheid, zoals Protagoras en Gorgias, hadden echter te maken met een nog ontvankelijker gehoor. In de vijfde eeuw voor Christus was er voor de hogere klasse weinig dat onderhoudender was dan luisteren naar de debatten van grote redenaars. Omdat ze deel uitmaakten van het politieke systeem van die tijd, vormde een grondige training in de kunst van de retorica – die bestond uit alleen maar luisteren naar een professionele sofist – een essentieel onderdeel van de opvoeding van de jonge aristocraat.

Hoewel de politici van tegenwoordig de voordelen van een klassieke opvoeding verwerpen, maken ze een veel betreurde uitzondering voor de kunst van de sofisten. De Britse Labour-regering stuurde bijvoorbeeld degenen die graag mediavoorlichter wilden worden naar speciale trainingen waar ze leerden hoe ze een directe vraag moesten beantwoorden. Tot een van de moeilijkere oefeningen behoorde een ondervraging van persoon tot persoon waarin de cursist eenvoudigweg gevraagd werd hoe laat het is. Slaagde hij erin om langer dan vijftien minuten om het antwoord heen te draaien, dan ging hij door naar de volgende ronde. Waar die uit bestond, heeft tot nu toe geen van de cursisten bekend gemaakt. Als een van hen dat ooit wél mocht doen, is het waarschijnlijk verstandig hem niet te geloven.  

Alcohol

Totdat Socrates (469-399 v.Chr.) op het toneel verscheen, beoefenden dergelijke huichelachtige figuren hun kunst zonder kleerscheuren op te lopen. Socrates ontdekte, of herontdekte, iets wat de doodsteek voor de sofisten betekende: de waarheid. Hij diende zijn gif toe door middel van een techniek die nu bekendstaat als de ‘socratische methode’: het afvuren van een onuitputtelijke batterij vragen waarmee de stelling van een sofist wordt ondergraven door gebruik te maken van diens eigen woorden en aannames.

Socrates beschikte over de ideale lichamelijke en geestelijke gesteldheid om de richtingenstrijd aan te gaan. Hij was zo iemand van wie men zei, dat hij dagen achtereen blootsvoets in de sneeuw mediteerde en, wanneer hij op het punt stond het huis van een vriend te betreden, urenlang op de drempel kon blijven steken om een filosofisch probleem te doorgronden. Omdat hij tegen een stootje kon, onderscheidde hij zich in zijn jonge jaren als soldaat en schepte hij op over zijn wonderbaarlijke vermogen om alcohol in te nemen. Hij stierf op zeventigjarige leeftijd met achterlating van twee kleine kinderen – waarvan er een al op jonge leeftijd in het leger diende.

Socrates stond bekend om zijn lelijkheid. Een rondreizende specialist in het lezen van gezichten zei hem ooit dat hij het gezicht had van een monster en tot elke misdaad in staat was, waarop de filosoof antwoordde: ‘U heeft me helemaal door, meneer.’ Anderen waren heel wat milder. Het groene blaadje Albiciades vergeleek Socrates met een standbeeld van de afzichtelijke Silenus dat zich opent om de schoonheden te openbaren die erin besloten liggen. Albiciades maakte deze opmerking waarschijnlijk om bij Socrates in het gevlei te komen, wat aangeeft dat de Grieken van destijds over een aanzienlijk dikkere huid beschikten dan wij. Mocht men al enige coulance betrachten om hoe hij eruitzag, dan wist Socrates dat goed uit te buiten. Toen hij al een oude man was, vroeg hij zijn opponenten rekening te houden met zijn leeftijd en hun antwoorden kort en terzake te houden, zodat hij de draad niet zou kwijtraken. Hij maakte zich daarbij geen zorgen over zijn eigen concentratie, maar over die van de verzamelde aanwezigen. Als men ten volle profijt van zijn gedachten wilde trekken, dan moest men leren hoe te luisteren. Men zou goed moeten letten op de inhoud van de vragen en antwoorden in plaats van zich te verwonderen over de esthetische kwaliteiten ervan.

Tegenwoordig is het formuleren van beweringen in de vorm van vragen voor redenaars een erkende tactiek bij het debatteren, maar Socrates wordt niet als de grondlegger van de westerse filosofie beschouwd om zijn retorische vaardigheden. Het doel van de socratische methode is niet zomaar het dispuut te winnen, maar in een bepaalde kwestie de absolute waarheid te achterhalen. Men moet altijd naar waarheid streven, beweerde Socrates, zelfs als dat betekent dat men zijn mening moet herzien of een debat verliest. Socrates was het niet gewend discussies te verliezen, maar zo nu en dan erkende hij zijn gelijke. Als dat betekende dat hij aan het einde van een debat zijn onwetendheid even stellig moest erkennen als hij die aan het begin ervan had voorgewend, dan gebeurde dat slechts onder het voorbehoud dat zijn tegenstander zich evenzeer gewonnen gaf. Voor iemand die uiteindelijk eigenhandig zou afrekenen met de heersende redenaarspraktijk was Socrates merkwaardig bescheiden. In tegenstelling tot de sofisten vroeg hij geen gage en beweerde hij zelfs dat hij geen les kon geven. Waar hedendaagse debaters een verzoek om hun persoonlijke standpunt te geven misschien afwijzen en ondertussen dat van anderen fileren, gaf Socrates zijn eigen mening juist in alle openheid – want beweerde dat hij niets wist. Om deze ruiterlijke erkenning verklaarde het orakel van Delphi hem tot de meest wijze man van Griekenland. Maar was, zoals hij beweerde, het enige dat hij wist inderdaad dat hij niets wist, dan weerhield dat hem er niet van zijn eigen opvattingen omstandig uiteen te zetten. Zijn bescheidenheid verraadt echter integriteit. Wie benadrukt dat we ‘de redenering moeten volgen, waarheen zij ons ook leidt’, doet er verstandig aan zich niet dogmatisch vast te houden aan opvattingen die als uitgangspunt van een discussie dienen. Dat betekent dat men bereid is zowel kritiek te aanvaarden als beweringen te verdedigen. Zelfs politici worden immers wel eens onheus bejegend.  

Vroedvrouw

Socrates streefde niettemin wel degelijk een doel na en omhelsde een complex filosofisch systeem. Maar hij geloofde niet dat de waarheid iets was wat hem als zodanig aankleefde – een oorspronkelijke opvatting waarvan hij zich naar believen kon bedienen. Volgens hem lag de waarheid veeleer besloten in de wereld en in de mensen zelf en kon hij haar te voorschijn brengen door middel van beredeneerd vragen stellen. Dus in plaats van zichzelf op de borst te slaan omdat hij een groot vat vol wijsheid zou zijn – zoals de sofisten deden –, vergeleek Socrates zichzelf met een vroedvrouw die de waarheid ter wereld brengt.

In de praktijk vroeg hij erkende experts gewoonlijk om hun definitie te geven van concepten als gerechtigheid, moed of het goede. De eerste stadia van de discussie werden vervolgens nauwgezet stap voor stap opgebouwd, waarbij de filosoof ogenschijnlijk onbetekenende opmerkingen plaatste, terwijl degene die door hem werd ondervraagd voortdurend de mantra ‘Ja, dat is zo, Socrates’ herhaalde. Socrates liet daarop de inhoud van zijn vragen zwaarder wegen totdat hij een opvatting vond die zijn opponent aanhing en die zowel waar was als in tegenspraak met diens uitgangspunt. Het vragen ging verder totdat er een aanvaardbare definitie werd overeengekomen. De reactie van de opponent was meestal dat hij zich over Socrates’ wijsheid verbaasde, in plaats van dat hij aanstoot nam aan zijn verbale vuurwerk.  Dat is iets wat niet uitsluitend mag worden toegeschreven aan de goede manieren van de Grieken, maar ook aan het feit dat van Socrates geen geschreven werk is overgeleverd; zijn gedachten zijn tot ons gekomen via de dialogen van zijn briljante leerling Plato.

Wanneer de ondervraagde zich eenmaal klem had gezet, was er geen weg terug, omdat Socrates zijn tegenstanders niet toestond een standpunt van tijdelijke aard in te nemen of een waarin zij zelf niet geloofden. Volgens Socrates zelf was de reden daarvoor dat zijn methode een moreel aspect bezat. Hij hield zich niet bezig met wat mensen zouden kunnen denken, maar met wat ze daadwerkelijk dachten. De filosofie moest zorgen voor een beter mens en niet slechts voor de verfijning van een onstoffelijke canon van kennis. In de praktijk betekende dat, dat Socrates wilde voorkomen dat zijn opponenten voorgebakken antwoorden herhaalden die ze letterlijk van zogenaamde deskundigen hadden overgenomen. ‘Een boek,’ zei hij, ‘is niet in staat vragen te beantwoorden.’

Socrates wilde dat de mensen zelfstandig nadachten (al was het maar omdat ze dan rijp waren om door zijn argumenten te worden overtuigd). De socratische methode is er niet alleen op gericht te weten te komen wat een goed leven is, maar ook hoe het individu dit leven moet kunnen leiden.

Elk weldenkend mens vraagt zich van tijd tot tijd af wat zijn beweegredenen en behoeften zijn en welke opvattingen daaraan ten grondslag liggen. De ondervragingen die Socrates handelsmerk vormden, waren gericht op de meer algemene waarheden, het ‘grotere geheel’ om het zo maar te zeggen. In het alledaagse leven is vragen naar de grondslag van onze wereldbeschouwing echter geen gemeengoed. Een beeld ontwikkelen van wie we zijn en waar we naar toe zouden moeten, is een nauwgezet proces, en elke verandering in onze levens wordt gemaakt op basis van wat eraan vooraf is gegaan. Als ik bijvoorbeeld het advies van een vriend inwin over hoe ik me tijdens een sollicitatiegesprek moet presenteren, wil ik graag horen of ik een nieuwe das moet kopen of me een flitsend nieuw kapsel moet aanmeten. Ik verwacht als antwoord niet dat ik mijn hele garderobe moet vernieuwen of voor een ander beroep moet kiezen. Aan de andere kant is de gedachte achter de socratische methode, dat een waarlijk juiste wereldbeschouwing er een is waarin geen tegenstrijdigheden zitten, die door die methode aan het licht kunnen worden gebracht. Als we een zuiver, consistent standpunt aantreffen, dan zijn we op de waarheid gestuit.

Vandaag de dag geloven we misschien niet langer dat er maar één ‘juiste’ wereldbeschouwing is. En de meesten van ons accepteren dat een zekere mate van inconsistentie in iemands overtuigingen niet zozeer wijst op zijn onwetendheid, dan wel dat die een weerspiegeling is van een wereld die absolute waarden niet kan garanderen. Als mijn sollicitatiegesprek echter gaat over een baan bij een ouderwetse verzekeringsmaatschappij en als mijn persoonlijke voorkeur uitgaat naar schouderlang haar en piercings in mijn gezicht, dan vereist de consistentie dat ik óf mijn uiterlijk drastisch wijzig óf ergens anders een baan zoek. Te denken dat ik de baan toch zou krijgen betekent op z’n minst dat ik er een wat onevenwichtige kijk op de wereld op zou nahouden. De wens van de Atheners om betere mensen te worden hield uiteindelijk geen gelijke tred met hun geduld. Omdat Socrates’ zoektocht naar de waarheid bestond bij de gratie van de openlijke afrekening met het grote en goede, werd die terecht beschouwd als een ondermijning van de essentie van de Griekse maatschappij. Aristocraten als Critias en Charmides hadden laten zien niet te weten wat gematigdheid en zelfbeheersing inhielden. De grote generaals Laches en Nicias hadden aangetoond onwetend te zijn van de betekenis van moed. Uiteindelijk holde Socrates het essentiële uitgangspunt van de democratie van Athene uit door aan te voeren dat beslissingen niet bij meerderheid zouden moeten worden genomen, maar door koning-filosofen, op basis van hun superieure wijsheid. Alleen op die manier, beweerde hij, zouden we de onrechtvaardigheid kunnen vermijden die het resultaat is van de heerschappij van het gepeupel en van leiders die toegeven aan de laagste sentimenten van hun electoraat.

In een ander, minder prijzenswaardig opzicht, lijkt Socrates’ standpunt op dat van Amerikaanse en Europese communisten tijdens de Koude Oorlog. Door het Westerse model van democratie te veroordelen, bekritiseerden zij het systeem dat dergelijke protesten juist toeliet. Op McCarthy met zijn processen na, waren de autoriteiten van Athene niet zo toegeeflijk als die van vandaag de dag. Socrates werd ervan beschuldigd jongelingen op te hitsen tegen de democratie en werd veroordeeld tot de dood door het drinken van de gifbeker. Toen de dollekervel eenmaal begon te werken, kwamen Socrates’ vrienden om hem heen staan om zijn laatste wijze woorden te kunnen vernemen. ‘We zijn Asclepius nog een haan verschuldigd,’ sprak hij met schorre stem. ‘Vergeet niet de schuld te vereffenen.’

Dit is een bewerking van een gedeelte uit Zeno en de schildpad; denken als de grote filosofen van Nicholas Fearn, dat is verschenen bij uitg. Ambo/Anthos.