Home Mens en natuur In harmonie met de morele wet
Mens en natuur

In harmonie met de morele wet

Door Tim Miechels op 29 oktober 2020

In harmonie met de morele wet
Cover van 11-2020
11-2020 Filosofie magazine Lees het magazine

Het klimaatdebat wordt uitgevochten door te wijzen op de gevolgen van onze leefstijl. Maar smeltende poolkappen, uitstervende diersoorten en brandende regenwouden sporen niet aan tot goed gedrag, meent Tim Miechels. De categorische imperatief van Immanuel Kant doet dat wel.

Wanneer het over het klimaat gaat zijn de apocalyptische scenario’s nooit ver weg. Beelden van smeltende poolkappen, uitstervende diersoorten en brandende regenwouden moeten ons ertoe overhalen ons gedrag te veranderen. En al met relatief kleine ingrepen (minder vlees, minder vliegvakanties, minder vaak de auto) zouden we het tij nog kunnen keren. Toch lijken we maar mondjesmaat bereid ons gedrag te veranderen.

Tegenover de boodschap van de onheilsprofeten staat het woord van de klimaatsceptici. Politici als Donald Trump en Thierry Baudet en denkers als Bas Haring relativeren de klimaatverandering en de mogelijke gevolgen ervan. Het klimaat zou al eeuwen buiten onze invloed om veranderen, en we zouden ook zeker wel paar diersoorten kunnen missen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Consequenties

Hoe groot de verschillen tussen de partijen ook zijn, het klimaatdebat wordt zowel door voor- als tegenstanders van een ingrijpend ander klimaatbeleid gevoerd op basis van de gevolgen. En hoewel het zichtbaar maken van de consequenties van gedrag een beproefd pedagogische instrument is, lijkt het hier niet de manier om op ons eigen handelen te reflecteren. Op individueel niveau leidt de nadruk op de consequenties veelal tot fatalisme. In mijn eentje kan ik toch niets veranderen op een wereldtoneel vol vervuilende bedrijven, dus waarom zou ik mijn gedrag aanpassen? En op nationaal niveau: wat voor zin heeft het om ons in het kleine Nederland aan het klimaatakkoord te houden, terwijl in China de kolencentrales dag en nacht zwarte rook de lucht in staan te pompen?

Bovendien staan de doemscenario’s te ver van ons af. Natuurlijk, de zomers worden warmer, maar de echt catastrofale effecten laten nog lang op zich wachten. Daar komt bij dat op korte termijn de consequenties voor mijzelf vaak juist positief uitpakken als ik mijn gedrag niet aanpas. Een vliegreis naar Bali levert nu immers een schitterende vakantie op; de gevolgen voor het klimaat spelen veel verder in de toekomst.

Ten slotte zijn consequenties fundamenteel onzeker. Vooral deze vaststelling maakt het denken in consequenties vaak zo krachteloos. De wereld is nog altijd complexer dan onze wetenschappelijke modellen aankunnen, waardoor 100 procent zekerheid over de toekomst nooit gegeven is. Dus zelfs al is de wetenschappelijke consensus over de consequenties van onze huidige levensstijl 99 procent, de deur voor klimaatsceptici blijft op een kier zolang we blijven denken in termen van consequenties.

   “Het gaat om het inzicht dat je sommige dingen niet kunt willen”

Categorische imperatief

Immanuel Kant zag al in de achttiende eeuw dat het voor morele overwegingen geen zin heeft om naar consequenties te kijken. Hij verzette zich daarmee tegen de in zijn tijd populaire utilitaristische ethiek. Deze ethische stroming – ook wel consequentialisme geheten – baseert haar morele oordeel juist volledig op consequenties. Welke handeling moreel juist is hangt volgens deze ethiek af van hoeveel pijn of geluk deze veroorzaakt, waarbij de handeling die het meeste geluk voor de grootste hoeveelheid mensen veroorzaakt dan moreel gezien de beste optie is.

Kants ethiek heeft een geheel andere invalshoek en werpt daarmee ook een andere blik op het klimaatprobleem. Niet de consequenties zouden de leidraad van ons morele handelen moeten zijn, maar de regels die we onszelf stellen. De vraag wordt dan: is de regel die ten grondslag ligt aan deze manier van handelen een goede regel? Kant noemt zo’n regel een maxime, een stelregel. Om te zorgen dat je de juiste stelregel voor je handelen hanteert, formuleert Kant zijn zogenoemde categorische imperatief, een principe waaraan je je eigen stelregels kunt toetsen. Doorstaat je maxime de toets, dan handel je moreel juist.

Fossiele brandstoffen

Kant formuleert de categorische imperatief op twee verschillende manieren. De eerste formulering luidt: handel zo dat de stelregel van je handeling tot algemene wet verheven kan worden. Om te toetsen of een handeling juist is, moet de eraan ten grondslag liggende regel dus een algemene wet kunnen worden. Daarbij hoeven we niet op de consequenties te letten. Het gaat slechts om de innerlijke logica van de regel.

Kant legt dit uit met het volgende voorbeeld: stel, ik leen een hoop geld van iemand. Ik beloof daarbij dat ik het geld terug zal betalen, terwijl ik allang weet dat ik die belofte helemaal niet waar kan maken. Kan de regel ‘iets beloven zonder het voornemen je aan je belofte te houden’ tot algemene wet geformuleerd worden? Nee, zegt Kant; daarmee verliest het concept ‘belofte’ zijn betekenis. Natuurlijk zouden ook de consequenties desastreus zijn, maar daar gaat het Kant niet om. Het gaat erom dat deze stelregel niet consistent is: ze blaast zichzelf op door een innerlijke tegenstrijdigheid. Je kunt dus niet redelijkerwijs willen dat deze maxime algemene wet wordt.

Laten we met deze regel eens kijken naar onze huidige omgang met fossiele brandstof. In tegenstelling tot bijvoorbeeld wind- en zonne-energie zijn fossiele brandstoffen eindige energiebronnen: ze raken op. Doorgaan met het gebruiken van fossiele brandstoffen alsof er niets aan de hand is, is daardoor gebaseerd op een maxime die onmogelijk tot algemene wet verheven kan worden. De regel is tegenstrijdig, voor zover ze oproept tot een oneindig gebruik van een eindige bron. De tegenstrijdigheid van eindigheid en oneindigheid zorgt ervoor dat je niet kunt willen dat deze stelregel een algemene wet wordt. Kants categorische imperatief is dan ook fundamenteel anders dan het bijbelse gebod ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt doe dat ook een ander niet’. Het gaat er in Kants ethiek niet om dat je inziet dat het asociaal zou zijn om iets te willen waarvan jij ook niet wilt dat anderen het doen, het gaat om het inzicht dat je sommige dingen niet kunt willen.

Doel op zich

De andere formulering van de categorische imperatief die Kant hanteert, maakt de tegenstrijdigheid van de stelregel nog urgenter, omdat in deze formule de mens centraal staat. Handel zo, schrijft Kant, dat je de mens altijd ook als doel en nooit alleen als middel gebruikt. Het is niet erg dat we in het dagelijks leven anderen voortdurend ook als middel gebruiken (de docent als middel om dingen te leren en de ober als middel om een drankje te bestellen), als de ander maar niet alleen maar een middel wordt.

In het voorbeeld van de belofte gebruik je de persoon aan wie je de belofte doet als louter middel. Je had hem immers je situatie ook kunnen uitleggen. Dat je werkloos bent en schulden hebt, waardoor je het geld onmogelijk terug kunt betalen. Dan had de ander zelf kunnen beslissen of hij je het geld alsnog zou willen geven of niet. Door hem iets te beloven zonder de intentie je aan die belofte te houden reduceer je de ander tot louter middel om aan geld te komen. Je ontneemt diegene de mogelijkheid een autonome keuze te maken.

Op deze manier bekeken is ons huidige consumptiegedrag niet in overeenstemming met de categorische imperatief. Als iedereen ter wereld net zo zou leven en consumeren als een Nederlander, dan hebben we 3,5 keer het aardoppervlak nodig om in ieders behoeften te voorzien Met andere woorden, onze levensstijl is alleen houdbaar zolang anderen het minder goed hebben. De mensen die onder weinig humane omstandigheden onze kleding produceren, en alle andere mensen die leven in armoede om in onze behoeften te voorzien, reduceren we met onze levensstijl tot louter middel. Ze hebben geen enkele autonomie in hun situatie. En wanneer ze die wel opeisen en naar het rijke Westen komen, sluiten we ze op in vluchtelingenkampen.

Copernicaanse wending

Een van de grondgedachten die de basis vormen voor Kants filosofie is het idee van de copernicaanse wending. Genoemd naar de Pools-Duitse astroloog Nicolaas Copernicus, die ontdekte dat de aarde niet het stilstaande middelpunt van het heelal was waar alle andere hemellichamen omheen draaiden, maar een actief onderdeel van het universum, dat zelf om de zon draaide. Kants kijk op de mens is analoog aan het inzicht van Copernicus. Vóór Kant dacht men dat de mens passief tegenover de wereld stond, bijvoorbeeld in het verkrijgen van kennis. Bij Kant staat de mens actief tegenover de wereld. In onze kennis van de wereld brengen wij er altijd al onze eigen structuur in aan. In die zin vormen we dus altijd een geheel met de wereld om ons heen.

Het beeld van de copernicaanse wending laat zich extrapoleren naar de huidige verhouding tussen mens en natuur. Lang hebben we gedacht dat we als passieve consumenten de natuur eindeloos konden gebruiken en manipuleren, zonder er iets in te veranderen. Inmiddels leven we in het Antropoceen, de geologische periode waarin de invloed van de mens op zijn omgeving groter is dan ooit. Dit brengt een morele verantwoordelijkheid met zich mee die niet pas urgent wordt zodra de gevolgen van onze leefstijl desastreus zichtbaar worden. Als we Kants categorische imperatief serieus nemen moeten we klimaatverandering niet tegenhouden vanwege de mogelijke consequenties, maar omdat de alternatieven gebaseerd zijn op onhoudbare maximes. Zelfs als de klimaatscepticus gelijk krijgt en de doemscenario’s van klimaatwetenschappers niet uitkomen, is een omschakeling naar duurzame energie, en een betere verdeling van welvaart, het goede om te doen.