Home ‘In de hersenen zijn alfa en bèta niet zo strikt gescheiden’

‘In de hersenen zijn alfa en bèta niet zo strikt gescheiden’

Door Frank en Maarten Meester, Frank en Maarten Meester op 10 december 2012

01-2002 Filosofie magazine Lees het magazine
Neuroloog Albert Hijdra treft dagelijks mensen die ‘anders’ waarnemen. Wat blijft er van Kants categorieën overeind na een infarct in de rechterhersenhelft? ‘Blijkbaar bepalen onze hersenen de ruimte die we ervaren.’
 
Ruimte en tijd: maandagmorgen 11.00 in het AMC.
‘Ik kreeg eens een patiënt op bezoek die als klacht had dat zijn vrouw niet meer kon spreken’, vertelt Albert Hijdra, neuroloog bij het AMC. ‘Ze deed volgens hem wel steeds haar mond op en neer maar er kwam geen geluid meer uit. Voor ons was direct duidelijk dat het probleem bij hem lag. ‘Zijn oren waren op zich prima, maar hij had een laesie in beide slaapkwabben, precies in de zogenaamde auditieve cortex, die het binnenkomende geluid analyseert. Deze patiënt had een keer vreselijk lol omdat hij een orkest zag dat stond te mimen, tenminste dat meende hij. Bepaalde geluiden kon hij niet meer “horen” omdat zijn hersenen ze niet konden analyseren. Zoals bij veel patiënten met stoornissen in “hogere” hersenfuncties was hij zich er niet van bewust dat er een defect was in zijn waarneming, en niet in zijn omgeving.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

U krijgt dagelijks te maken met mensen van wie de hersenen niet goed meer werken en zo komt hij de grenzen van het menselijk kenvermogen tegen. Wat blijft er in de neurologische praktijk over van Kants categorieën en zijn voorwaarden voor de waarneming, om te beginnen met: ruimte.
‘Als mensen een infarct of een bloeding hebben in de rechterhersenhelft zijn ze zich vaak niet meer zo bewust van zaken die zich aan hun linkerzijde afspelen. Er is een stuk van hun horizon weg. Dat zie je op onze verpleegafdeling heel duidelijk. Zo’n patiënt  krijgt bijvoorbeeld een dienblad met eten voor zich. Daar zit een zekere rangschikking in. Het bord staat in het midden, rechts een bakje met het voorgerecht en links een bakje met het toetje. De patiënt gebruikt dan alleen het bestek dat aan de rechterkant ligt. Volgens de etiquette is dat het mes, maar daar is het lastig mee eten. Soms ligt er gelukkig ook een lepel bij. Hij eet het bord maar voor de helft leeg. Het voorgerecht eet hij op, maar het toetje laat hij staan. En dat doet hij niet omdat de linkerkant van zijn lichaam verlamd is. Nee, hij is zich minder of niet bewust van alles wat links van hem is. Mensen met zo’n kwaal vergeten ook hun linker manchetknoop dicht te maken of zich links te scheren. En brildragers hebben vaak wat hier op de afdeling inmiddels het teken van Hijdra heet: de linkerpoot van hun bril zit niet goed achter hun oor.’

‘Het interessante is dat dit verminderd bewustzijn voor links ook op conceptueel niveau doorwerkt. Zo vroeg ik aan een Amsterdamse patiënt: “Kent u de Dam?” “Ja, natuurlijk, leer mij de Dam kennen”, antwoordde hij. “Stelt u zich voor, u staat met uw rug naar het monument. Wilt u een beschrijving geven van het plein?” Hij begon: “Eerst de Bijenkorf, dan het Damrak, nog een gebouw dat ik niet precies ken, de Nieuwedijk, de Nieuwe kerk, dan het Paleis. Nou, dat is het wel zo’n beetje.” Hij vergat alles wat vanuit zijn imaginaire positie links van hem was: Peek & Cloppenburg, de Kalverstraat en het Rokin. Toen ik hem vroeg de Dam te beschrijven als hij met zijn rug de andere kant op stond, naar het Paleis, beschreef hij mij precies die zaken die daarvoor ontbraken. Blijkbaar bepalen onze hersenen de manier waarop wij de ruimte ervaren en speelt onze positie in die ruimte, ook als we ons iets in herinnering proberen te brengen, een belangrijke rol. Als er iets gebeurt met je hersenen, ervaar je de ruimte anders.’

 
Dus u kan zich wel vinden in het belang dat Kant aan het begrip ruimte stelde voor de waarneming?
‘Ja. En de plaats in onze hersenen die zich bezighoudt met ruimte is ook duidelijk te lokaliseren. Als informatie binnenkomt via de ogen, gaat die direct naar de visuele schors die achter in je hoofd zit. Van daaruit wordt die informatie weer doorgeloodst naar de hersenschorsgebieden die er voor liggen. Je kunt zo twee stromen informatie onderscheiden. Het waar, de informatie die te maken heeft met het lokaliseren van objecten in de ruimte, gaat naar het bovenste deel. Het wat, de informatie die te maken heeft met identificeren van kleur en vorm van een object, gaat naar het onderste deel. En in de rechterhersenhelft tref je de meeste ruimtelijke functies aan.’
 
Tijd…
‘Tijd is minder makkelijk te lokaliseren dan ruimte. Het is ook moeilijk te zeggen hoe wij iets in de tijd denken. Voor een “normaal” mens is tijd al niet een duidelijk lineair eentonig voortgaan. Soms slaap je, soms gaat een uur voorbij alsof het vijf minuten waren en soms lijken vijf minuten wel een uur. Als mensen door een of andere ernstige lichamelijke ziekte of door een neurologische aandoening in de war raken –  delirant worden, om een technische term te gebruiken -, gaat de tijd voor hen echt door elkaar lopen. Dat kun je vergelijken met de manier waarop je je eigen wereld tegenkomt in dromen. Daar kunnen ook verschillende episoden door elkaar lopen. Als je bij je volle bewustzijn bent, gebeurt dat niet. Het is alleen moeilijk aan te wijzen waar deze stoornis zit in de hersenen.’

Oorzaak en gevolg?
‘Dan denk je snel aan logisch en wiskundig denken. Maar in de hersenen zijn alfa en bèta niet zo strikt gescheiden als op de universiteit. Als er iets mis is met de talige kant van de hersenen dan gaat het ook niet zo goed met abstract redeneren. Wiskunde is ook een taal. Problemen met abstracte redeneringen zie je vaak bij mensen die dementeren. Dementie is een klinisch syndroom waarbij meer dan een hersenfunctie slecht wordt, dus er zijn niet alleen stoornissen van het geheugen, maar ook taalstoornissen en stoornissen in het uitvoeren van handelingen, oftewel apraxie. Demente patiënten hebben vaak problemen met figuurlijk denken. Als je ze vraagt: wat betekent ‘als er één schaap over de dam is, dan volgen er meer’?, geven ze een hele letterlijke uitleg. De figuurlijke betekenis ontgaat ze. Apraxiepatiënten kunnen ook geen complexe handelingen zoals koffiezetten, verrichten. Bij een onderzoek naar deze stoornis waren de opeenvolgende stappen van koffiezetten gefotografeerd. Eerst een foto waarop iemand een koffiefilter pakt, vervolgens een foto waarop iemand dat filter aanbrengt, enzovoort. Mensen met apraxie bleken de kaartjes niet in de juiste volgorde te kunnen leggen. Oorzaak en gevolg, en tijd komen hier wel zeer dicht bij elkaar.’