Home Liefde Historisch profiel: Liefde
Liefde

Historisch profiel: Liefde

Door Frans Jacobs op 29 januari 2015

Cover van 02-2015
02-2015 Filosofie magazine Lees het magazine

Houden we van haar vanwege haar mooie ogen? Maar wat als ze die mooie ogen zou verliezen? Frans Jacobs vraagt zich af of liefde zich richt op een persoon of op diens eigenschappen.
 
We hebben het allemaal weleens meegemaakt en het zit ons misschien nog steeds dwars: je bent een tijdje met iemand opgetrokken in de hoop dat er een relatie aan het ontstaan is, maar op een kwade dag laat ze je weten dat ze niet genoeg van je houdt om je diepste wensen, die ze overigens respecteert, te honoreren. Maar ze wil je dolgraag als een goede vriend blijven ontmoeten en hoopt dat je daartoe bereid bent. Als je dan zo onverstandig bent om te vragen waarom je niet geschikt bent als liefdespartner, maar wel als een goede vriend, komen er louter onbevredigende verklaringen. Ze ontkent niet dat je intelligent bent, en geestig (daarom wil ze je niet als vriend verliezen), maar dat is niet genoeg: er ontbreekt iets aan je waardoor ze niet helemaal aan jou verslingerd is geraakt. Op de vraag wat dat dan wel is, volgt geen toereikend antwoord – misschien was het met jou te weinig spannend, oppert ze na enig peinzen. Als ze op een nog kwadere dag met een andere geliefde op de proppen komt, is je verbazing groot: is ze gek geworden om het aan te leggen met iemand die geen spoor van intelligentie en humor vertoont? Als je haar vraagt wat ze in hem ziet (jullie zijn immers goede vrienden gebleven), beweert ze dat X ook best intelligent en geestig is, en dat ze zich bij hem helemaal veilig voelt. Op de tegenwerping dat iemand bij wie ze zich helemaal veilig voelt toch niet spannend kan zijn, en dat het ontbreken van spanning juist de reden was dat ze met jou brak, staat ze met haar mond vol tanden. Ze houdt gewoon meer van hem dan van jou. Op grond waarvan? Dat voelt ze zo; ze kan het niet goed verwoorden.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Mythe

Dit (uiteraard gestileerde) verhaal roept vragen op bij iemand die op zoek gaat naar een soort rationele rechtvaardiging van liefde. Op wie richt haar liefde zich eigenlijk: op de persoon of op diens eigenschappen? En indien op allebei, hoe dan? Zulke vragen worden op een aardige manier op scherp gesteld in de oude mythe van Alkmene en Amphitryon.

Alkmene was gehuwd met Amphitryon. In een van zijn overspelige buien nam Zeus de gestalte van Amphitryon aan en verwekte aldus bij Alkmene een kind, Herakles. Hoe Alkmene achteraf reageerde op die persoonsverwisseling vertelt de mythe ons niet; misschien droeg ze haar lot in lijdzaamheid, zoals dat toentertijd verwacht werd van Griekse vrouwen. Moderne vrouwen die zich in Alkmene inleven, verwoorden haar reactie vermoedelijk zo: ze is woedend, voelt walging; ze voelt zich misbruikt, voelt zich beschaamd – allemaal hevige emoties.

Maar stel dat Alkmene die moderne vrouwen volgt in hun afgrijzen, waarop richt haar liefde zich dan eigenlijk wanneer ze van Amphitryon houdt? Blijkbaar niet op de diverse beminnenswaardige eigenschappen van hem, bijvoorbeeld zijn mooie donkere ogen, want die van de vermomde Zeus waren precies even donker. Die liefde was niet gericht op zijn diverse eigenschappen, maar op hem, haar Amphitryon. Maar als dat zo is, wie is hij dan eigenlijk? Niet die man met zijn atletisch gevormde lichaam, of zijn welluidende basstem, of wat dan ook; want dat alles had Zeus evenzeer in de aanbieding, en daarmee was Alkmene niet tevreden. Is de echte Amphitryon van wie Alkmene houdt dan een niet-lichamelijke geest die toevallig de gestalte heeft aangenomen van een mens van vlees en bloed? Natuurlijk niet – want Alkmene houdt tegelijk ook van Amphitryon vanwege zijn atletisch gevormde lichaam en zijn welluidende basstem. Hoe verhoudt de mens Amphitryon zich eigenlijk tot zijn eigenschappen? En waarop richten onze liefdesverlangens zich: op een persoon of op zijn eigenschappen?

Zorgzaam

Drie theorieën beantwoorden deze vragen. De eerste ervan is de eigenschappentheorie; deze wordt helder uiteengezet door Simon Keller. Deze theorie houdt in dat je van iemand houdt omdat zij bepaalde eigenschappen heeft die je bijzonder op prijs stelt. Dat kunnen fysieke eigenschappen zijn – een bepaald soort schoonheid – of psychologische: ze kan goed luisteren, is zorgzaam, royaal. Die eigenschappen moeten selecterend werken; niet iedereen heeft ze. Van belang zijn overigens niet alleen eigenschappen die ook los van de relatie in kwestie beschreven kunnen worden, zoals uiterlijke schoonheid of intelligentie, maar ook eigenschappen die tot deze unieke relatie behoren: ze weet me op mijn gemak te stellen; het soort gevoel voor humor dat we beiden hebben, werkt aanstekelijk – dit worden wel relationele eigenschappen genoemd. Een aanhanger van de eigenschappentheorie vindt het onbevredigend om te zeggen dat iemand van een ander houdt omdat ze al meer dan tien jaar bij elkaar zijn. Dat je een lange geschiedenis met iemand deelt, geeft je alleen een reden om de relatie te blijven beamen wanneer het intrinsiek de moeite waard is om dat te doen op grond van haar huidige eigenschappen. Er zijn vrouwen die al jaren te maken hebben met een geweld­dadige man. Is dat een reden om die relatie voort te zetten? Je zou eerder zeggen dat die gewelddadigheid haar een goede reden geeft om de relatie te beëindigen. Dat je van iemand houdt omdat hij je al jaren aan het lachen krijgt met zijn geestige opmerkingen, veronderstelt dat je die geestigheid nog steeds intrinsiek waardeert. Ze houdt van hem omdat hij zo’n vrolijk karakter heeft en zo geestig is. Dat vindt hij overigens alleen plezierig wanneer hij die geestigheid en dat vrolijke karakter ook zelf als belangrijke eigenschappen van zichzelf kan waarderen. Iemand die ontdekt dat zijn vrouw alleen van hem houdt omdat hij een kuiltje in zijn wang heeft, kan zich niet erg opgetogen voelen bij zijn relatie. Een aanhanger van deze theorie hoeft ons overigens niet in staat te achten om een complete lijst te geven van haar belangrijke eigenschappen die onze liefde motiveren; dat gaat onze vermogens te boven.

Het grote probleem van deze eigenschappentheorie, dat Keller niet weet op te lossen, bestaat hierin. Als de eigenschappentheorie opgaat, zou monogamie (desnoods seriële monogamie) minder worden opgehemeld en vermoedelijk ook minder voorkomen dan het geval is. Het zou veel meer voor de hand liggen dat mensen telkens uitzien naar andere partners, die de ideale eigenschappen op een nog betere wijze representeren dan hun eigen actuele partner. Ze zouden voortdurend van partner willen wisselen, en laten dat uitsluitend na omdat het leven daardoor zo onrustig wordt, of omdat het telkens weer veel moeite kost om op elkaar ingespeeld te raken, en dus ook een economische schadepost inhoudt. En heeft iemand eenmaal een partner te pakken, dan zal neerwaartse jaloezie hem kwellen: iedereen wil haar immers van hem afpakken. Toch hechten veel mensen aan een monogame relatie. De eigenschappentheorie kan dat niet verklaren.

De ware

De tweede theorie is diametraal tegenovergesteld aan de eigenschappentheorie: wanneer je van iemand houdt, doe je dat niet omwille van haar eigenschappen, maar omdat je haar waardeert als de persoon die ze zelf is; laat ik dit de ware-persoonstheorie noemen. De meest besproken variant hiervan is afkomstig van David Velleman. Hij is een kantiaan: wat mensen tot mensen maakt is hun persoon-zijn, hun autonomie. Dat is iets wat we allemaal met elkaar delen, maar toch maakt het ons telkens weer uniek; we mogen elkaar dan ook nooit louter als middel gebruiken, maar moeten elkaar altijd ook respecteren als ‘doel op zichzelf’. Velleman weet natuurlijk wel dat de verplichtingen waartoe dit leidt op het eerste gezicht abstraheren van de bijzondere eigenschappen die mensen hebben en die hen van elkaar doen verschillen. Dat ik een unieke persoon ben, is niet uniek voor mij. Ik ga niet gedetailleerd na hoe Velleman recht kan doen aan de bijzondere relatie die liefdespartners met elkaar aangaan, en niet met de rest van de mensheid. Ik probeer het zo: dat ik een unieke persoon ben, verplicht alle mensen ertoe om mij als zodanig te respecteren, en verplicht mij ertoe om alle andere mensen te respecteren. Maar de unieke persoon die ik ben, verlangt er ook naar om in het bijzonder door één andere persoon te worden bemind als de persoon die ik echt ben, bij wie ik mijn normale verdedigingsmechanismen kan laten varen en aan wie ik me in mijn kwetsbaarheid durf te vertonen. Wanneer twee unieke personen dan voor elkaar kiezen, respecteren ze elkaar nog steeds als de unieke personen die ze zijn, maar ze openen zich ook voor elkaars bijzondere uniciteit, die ze bij elkaar liefhebben, en dat leidt tot een bijzondere relatie en tot bijzondere verplichtingen.

Velleman is van oordeel dat alleen zijn theorie erin slaagt om de tegenwerping te pareren die ik eerder bij de eigenschappentheorie opperde. Wanneer je je aan een unieke persoon hebt gegeven, die ook aan jou als unieke persoon haar liefde heeft geschonken, pleeg je verraad aan haar en aan jullie relatie door de ander in te ruilen voor iemand anders, die toevallig beter oogt. En dat wil je nu juist niet, want je houdt van haar (en zij van jou).

Het grote probleem van deze ware-persoonstheorie, dat Velleman niet weet op te lossen, bestaat hierin. Als de ware-persoonstheorie opgaat, zouden ontrouw, jaloezie, bedrog en echtbreuk alleen voorkomen bij mensen die immoreel en irrationeel zijn. Mensen zouden, als het met hun rationaliteit en hun moraliteit in orde is, nooit in de verleiding komen om vreemd te gaan, want dan zouden ze niet alleen de unieke persoon van hun partner geweld aandoen (wat immoreel is), maar ook die van henzelf (wat irrationeel is). Bovendien kan Velleman zich geen rekenschap geven van de bijzondere band die mensen hebben met hun eigen lichaam en met dat van hun partner, dat meestal gericht is op ‘het andere geslacht’. Dat iemand een heteroseksuele man is die verlangt naar een relatie met een heteroseksuele vrouw, is een toevalligheid die beider ‘ware persoon’ niet raakt. Deze vreemde consequentie maakt de ware-persoonstheorie onaannemelijk. 

Toevallig

Door liefde te thematiseren vanuit het alternatief van de persoon of van haar eigenschappen, is het vrijwel onvermijdelijk om als derde theorie een soort van tussenweg te schetsen, die voordelen van beide theorieën combineert en nadelen ervan uit de weg gaat. Ik noem haar de historische liefdestheorie, met een term die ik aan Robert Nozick ontleen. Volgens hem is liefde niet overdraagbaar op iemand anders met dezelfde eigenschappen, en zelfs niet op iemand die daarin beter scoort. We houden van iemand die we toevallig zijn tegengekomen; meer hoeft het niet te zijn.

Laat ik die theorie schetsen in een variant van de mythe van Amphitryon en Alkmene. Amphitryon en Alkmene worden aan elkaars zijde geleidelijk ouder, verliezen daarbij sommige eigenschappen en krijgen er andere voor in de plaats. Ze zijn echter geen neutrale waarnemers van elkaar die een reeks foto’s naast elkaar leggen en constateren dat er geen onverklaarbare breuken zijn. Op elk moment van zijn levensgeschiedenis noemt Alkmene hem bij zijn naam, en identificeert zij Amphitryon als ‘haar Amphitryon’; en ook hij bejegent Alkmene als ‘zijn Alkmene’. Ze bekijken elkaar vanuit de band die ze met elkaar hebben. Ze zijn op elkaar betrokken in een geschiedenis die hun beider eigenschappen niet fixeert in hun oorspronkelijke gestalte; hun eigen­schappen ondergaan allerlei veranderingen, mede door de gunstige invloed die ze op elkaar uitoefenen, waardoor hun beider relatie een open toekomst heeft.

De echte, historische, ouder wordende Amphitryon en Alkmene zijn zo niet de optelsom van hun samenstellende delen, maar een historisch fenomeen dat oude eigenschappen verliest en er nieuwe voor in de plaats krijgt (meestal geleidelijk, soms plotseling), maar waarvan zij telkens relationeel bevestigen dat het dezelfde persoon is. Een in het verleden aangevangen en in een proces van voortdurende (fysieke en psychologische) veranderingen tot zijn huidige gestalte gekomen persoon, die ook in de toekomst zal blijven veranderen, en wiens voortdurende betekenis door (gemeenschappelijke) verhalen in stand wordt gehouden en dus ook een ‘narratief’ karakter heeft: dat maakt blijkbaar de identiteit van Amphitryon en Alkmene uit binnen deze bijzondere relatie. Op den duur is hun identiteit dermate verknoopt met die van hun partner dat ze kunnen volstaan met te wijzen op relationele eigenschappen: ik hou van haar omdat ik al zo lang van haar hou, en zij van mij. Ofwel: omdat ze mijn vrouw is – relationeler kan het niet.
Zulke banden worden door allerlei gevaren bedreigd. Wat de een als een voortzetting beleeft van een oude en vertrouwde omgang met elkaar, kan bij de ander een toenemende verveling opwekken. Een ander gevaar: wanneer je een relatie begint, doe je dat wellicht wegens de plezierige combinatie van de eigenschappen a, b en c, maar op den duur zit je opgescheept met x, y en z, en soms valt het toenemende verschil met jongere abc-vrouwen je op (waarbij je er voor het gemak aan voorbijgaat dat je zelf inmiddels ook een oude sok bent geworden). Dan kun je in de verleiding komen om met een andere persoon in zee te gaan, die een heel nieuwe en verleidelijke combinatie van a, b en c tentoonspreidt. Nog een gevaar: haar treft een herseninfarct en je kunt haar niet meer op de oude manier als je partner blijven beschouwen; misschien koester je in de gestalte van die dementerende persoon slechts een kostbare herinnering aan je voorbije liefde.

Een liefdesrelatie, in de zin van een exclusieve band die openstaat naar de toekomst, is al met al onderhevig aan allerlei gevaren. Zonder die gevaren, wanneer we het eeuwige leven hadden en volstrekt zeker waren van elkaars liefde, zou liefde veel van haar aantrekkelijkheid verliezen.

Karakter

We kunnen nu weer de vraag opnemen die ik in het begin stelde: waarop richtte zich de liefde van Alkmene, op de persoon van Amphitryon of op zijn eigenschappen? Alkmene combineert die twee wanneer ze zou zeggen: ik hou van jou omdat je zulke mooie ogen hebt (en zo’n sterk karakter enzovoort), maar die ogen zijn en blijven zo mooi omdat het de jouwe zijn.

‘Ik hou van jou omdat je zulke mooie ogen hebt’ maakt liefde in zekere zin rationeel: je geeft gronden aan waarom je van haar houdt. ‘Jouw ogen zijn zo mooi omdat ze van jou zijn’ voert iets irrationeels in – een typisch element in veel liefdestaal. Ik denk dat beide elementen (het rationele en het irrationele) onontbeerlijk zijn.

We kunnen niet volstaan met het irrationele element, hetgeen we zouden doen wanneer we ons louter baseerden op relationele eigenschappen (in de trant van: ‘Ik hou van je omdat je mijn vrouw bent’), want, zo zagen we, zo’n relatie kan alleen standhouden wanneer de geliefde persoon intrinsiek waardevolle eigenschappen blijft hebben (die natuurlijk mogen veranderen).

We kunnen evenmin volstaan met het rationele element, want dan zou de ontdekking dat iemand anders in grotere mate de gewenste intrinsiek waardevolle eigenschappen heeft haar vervangbaar maken en zouden er zelfs natuurlijke hiërarchieën kunnen ontstaan tussen mensen, zoals er schijnen te zijn bij herten. Maar de ideale eigenschappen zijn niet ‘objectief’ waardevol; ze danken hun waarde aan de ontstane relatie.

Liefde is dus rationeel in die zin dat je er gronden voor kunt aanvoeren. Maar die gronden zijn slechts overtuigend zolang je feitelijk liefhebt, en wanneer dat niet of niet meer het geval is, verliezen ze elke overtuigingskracht.

Een liefdesrelatie blijven beamen is geen natuurlijk proces: een oude relatie vergt veel onderhoud, en daarvan word je soms een beetje moe. Dat noodzakelijke onderhoud drukt Robert Brown aldus uit:
 
Wie van een bepaalde persoon houdt, verbindt zich vaak tot een relatie met een open einde. […] terwijl de relatie voortgaat, en wij ons ertoe verbinden haar voort te zetten, kunnen we niet weten welke kwaliteiten we zullen ontdekken in de geliefde en in onszelf, of welke kenmerken de relatie zal blijken te hebben.
 
Dat commitment, dat soms heel wat onbaatzuchtigheid vergt, kan je soms te veel worden. Dan kunnen deugden als doorzettingsvermogen en trouw je te pas komen. Maar precair is het allemaal wel, hetgeen ons voorzichtig maakt in onze reacties op zulke drama’s. Iemand die na verloop van tijd die deugden niet meer kan opbrengen, hoeven we niet te verwijten dat het hem ontbreekt aan doorzettingsvermogen en trouw, al zal de in de steek gelaten partner het wellicht zo noemen. Hij kan ook zeggen: ik leef maar één keer, en de relatie met jou heeft geen toekomst meer. Dan ontbreekt een gewichtig element van Browns omschrijving van liefde: ‘zich verbinden tot een relatie met een open einde.’ Als je echt meent dat er niets nieuws meer te verwachten valt van je relatie, zit er weinig anders op dan die te beëindigen en eventueel met een ander opnieuw te beginnen (wat zelfs enige moed vergt, aangezien de macht der gewoonte zwaar weegt), in de hernieuwde hoop dat je met die persoon inderdaad oud zult willen worden.
 
Na dit alles zal duidelijk zijn waarom liefde niet een emotie is, maar een samenspel van verlangens, die betrekking hebben op de speciale band die iemand met een ander wil hebben. De wat vreemde invalshoek van de vraag of je nu houdt van iemand vanwege hemzelf of vanwege zijn eigenschappen, maakte het mogelijk om de liefde met een frisse blik te bekijken (we weten er te veel van en zijn geneigd er positief over te denken).

Relevante berichten