Home Historisch profiel: Camus

Historisch profiel: Camus

Door André Comte-Sponville op 23 september 2013

Cover van 10-2013
10-2013 Filosofie magazine Lees het magazine

Het absurde is ‘de eerste van mijn waarheden’, schrijft Camus in De mythe van Sisyphus. Is het volgens de Franse denker en schrijver mogelijk om in die absurde wereld een wijs en zelfs gelukkig leven te leiden?

Als u mij een ontboezeming toestaat: het maakt mij niet uit of mijn kinderen al dan niet De kritiek van de zuivere rede of De fenomenologie van de geest lezen; maar ik zou het jammer vinden voor hen als zij niet op een dag, en het liefste in hun kinderjaren, De mythe van Sisyphus lezen. Camus is, men heeft het hem al vaak verweten, vooral een auteur voor de jeugd. Natuurlijk niet omdat hij niet later kan worden gelezen of herlezen, maar omdat hij geen specifieke reeks ervaringen, geen enkele specifieke kennis vooronderstelt. Hou oud de lezer ook is, Camus spreekt vooral de jeugdigheid aan die nog in de lezer is gebleven of die hij heeft teruggevonden. Ik zie hier eerder een verdienste in dan een gebrek. Jongeren zijn een moeilijk publiek. Zij hebben niet de tijd om te wachten, zij willen nog niet iets laten schieten: zij denken zoals zij leven, vol urgentie en improviserend. Dat is het leven zelf. Dat is de gedachte zelf. Camus denkt zo dicht mogelijk bij het leven, bij de emoties die het lichaam laten trillen, en bij de beklemming die het aangrijpt. Daarom denkt hij zo goed, zo juist, zo sterk.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Stilte

Niets is op zichzelf absurd. Het is dus niet de wereld of de mens die absurd is, maar hun samenkomst. ‘De mens bevindt zich tegenover het irrationele. Hij is zich bewust van zijn verlangen naar geluk en naar redelijkheid. Het absurde komt voort uit deze confrontatie tussen het menselijke appèl en de onzinnige stilte van de wereld.’ Door de mens komt het absurde de wereld binnen: ‘Als ik een boom tussen de bomen was, of een kat tussen de dieren, dan had dit leven een zin gehad of was het probleem er niet geweest omdat ik een deel van de wereld zou zijn. Ik zou de wereld zijn tegenover welke ik mij nu plaats met heel mijn geweten en heel mijn eis van vertrouwdheid. Mijn zo bespottelijke redelijkheid is het die mij tegenover de hele schepping plaatst.’ De tweedeling transformeert zich dus in een ‘bijzondere driedeling’ – het absurde vormt de verbintenis tussen de wereld en de mens zoals de Heilige Geest die tussen de Vader en de Zoon. Dit driemansdrama kunnen we zeker niet terugbrengen tot een monoloog. Maar evenmin kunnen we het in stilte oplossen: ‘Het absurde vereist dat men er niet mee instemt.’ Camus lijkt bij voorbaat elk wijsheidsideaal af te wijzen (in ieder geval in de traditionele zin, die veronderstelt dat de tweedeling verdwijnt in de eenheid); hij geeft de voorkeur aan de eenvoudiger en trotsere wijsheid van de opstand. Misschien staat Camus hier in zijn geheel op het spel: het is niet mogelijk om aan het absurde te ontsnappen door de hoop, de zelfmoord of de instemming. Dit noemt Camus zijn ‘koppigheid’. Het gaat om ‘leven zonder appèl’, om ‘niet verzoend te sterven’.

Laten we kort de ontkenning van Camus van ieder van deze ‘noodlottige ontwijkingen’ bespreken, zoals hij over de hoop zegt: de hoop, de zelfmoord, en ten slotte (maar het thema treedt nauwelijks op, en dan indirect) een wijsheid van eenheid, van instemming of van verzoening.

Wanhoop

Wat de hoop betreft staan de zaken zo duidelijk dat we met citeren kunnen volstaan. ‘Het absurde is het tegenovergestelde van de hoop,’ observeert Camus rustig; het absurde is ‘een exclusieve en bittere plek waar de hoop geen plaats meer heeft,’ en mondt dus uit in de ‘wanhoop’ of in ‘de totale afwezigheid van hoop.’

Camus voegt tussen haakjes toe dat deze totale afwezigheid van hoop ‘niets te maken heeft met de wanhoop,’ zoals hij ook later preciseert dat ‘verstoken zijn van hoop geen wanhopen is.’ Dit betekent niet dat de absurde mens ondanks alles zou hopen. De absurde mens ‘heeft het hopen afgeleerd’: hij weet dat ‘er geen morgen is’ en dat ‘de onverschilligheid jegens de toekomst’ niet te scheiden is van ‘de wens om alles te gebruiken wat gegeven is.’ Het is een thema dat wij al in Keer en tegenkeer aantreffen. Het voorwoord, dat twintig jaar later werd geschreven, bevestigt zijn bestendigheid: ‘Er is geen liefde voor het leven zonder de wanhoop van het leven.’ Dit verhindert het ondernemen van projecten niet. Het verhindert zelfs niet de hoop, in het dagelijkse leven, op deze of gene bevrediging. Maar dit verbiedt om er volledig in te geloven, en vooral om er een metafysica van te maken. ‘De metafysische opstand’, schrijft Camus, ‘is geen verlangen, hij is zonder hoop.’ En in 1943, toen hij de studie over Kafka die hij uit De mythe van Sisyphus had moeten weglaten publiceerde, presenteerde Camus ook, terugblikkend, het essay dat hij een jaar eerder had gepubliceerd: dit zou gaan om het definiëren van ‘een absurde gedachte, dat wil zeggen een gedachte die bevrijd is van de metafysische hoop.’

Als Camus toch hecht aan het onderscheiden van deze ‘totale afwezigheid van de hoop’ en de gewone ‘wanhoop’, dan doet hij dat niet om de hoop die hij zo heftig heeft weggejaagd stiekem te herintroduceren. Deze onderscheiding dient om te beletten dat zijn eigen metafysische positie (gekarakteriseerd door de ‘verstokenheid van hoop en toekomst’) met de extremiteit van de droefenis of de nihilistische verwerping wordt verward. Zoals André Nicolas goed heeft gezien ‘wanhoopt een mens [in de gewone zin van het woord] als dat wat hij hoopt niet wordt gerealiseerd. Wie nergens op hoopt kan dus niet wanhopen. Zodat als Camus praat over de wanhoop van de absurde mens, hij doelt op afwezigheid van hoop.’ Hoe kan een mens gelukkig zijn zolang hij iets anders hoopt dan wat hij beleeft (maar dat is het kenmerkende van alle hoop)? De Grieken hadden gelijk, lezen we in Noces, die ‘na alle kwaden uit de doos van Pandora, waarin al het menselijke kwaad wriemelde, de hoop als laatste lieten ontsnappen, als de verschrikkelijkste van hen allemaal.’ De hoop is niet slechts een ontwijking van het absurde; ze is een fout tegenover het leven. Hier sluit Camus aan bij Epicurus (ondanks dat hij daar vreemd genoeg ‘afschuwelijke droefheid’ vermoedt), en nog meer bij Lucretius, omdat hij in hem meer de opstandeling aantreft. ‘Al het menselijke ongeluk komt voort uit de hoop’, schrijft hij in De mens in opstand, ofwel omgekeerd, zoals hij al in Noces zegt, ‘het geluk komt voort uit het ontbreken van hoop.’ De absurde mens staat dichter bij het ‘heldere en vrolijke lachen’ van Don Juan dan bij Prediker: ‘De bedroefden hebben twee redenen om bedroefd te zijn, zij negeren of zij hopen. Don Juan weet dat en hoopt niet…. Niets is ijdeler voor hem dan de hoop op een ander leven.’ Dit is wat de absurde mens onderscheidt van de suïcidale mens. Om redenen die voortkomen uit de gevoelens, zeker, maar ook om andere, meer filosofische, redenen. Hetgeen ons brengt bij de tweede ontwijking.

Zelfmoord

Als ‘de absurde ervaring zich verwijdert van de zelfmoord’, legt Camus uit, dan is dat omdat de laatste het tegengestelde is van de opstand (‘door de instemming die hij veronderstelt’) en van het absurde (omdat hij het ‘oplost’ door de twee termen die het vormen te scheiden en ze zo ‘in dezelfde dood’ mee te slepen). Het absurde is tegelijkertijd ‘bewustzijn en afwijzing van de dood’. Daardoor ‘ontsnapt het aan de zelfmoord’: daarvoor kiezen zou een schrappen zijn van zowel het bewustzijn (door de dood) als de afwijzing (aangezien men dan ‘geheel vrijwillig’ zou sterven). Als de zelfmoord ‘het enige echt serieuze filosofische probleem’ is, dan vormt het dus niet een serieuze oplossing. Deze oplossing is in ieder geval niet die van Camus. De zelfmoord is, net als de hoop, slechts een poging om aan het absurde te ontsnappen. Het is vluchtgedrag, dat het probleem schrapt in plaats van het het hoofd te bieden. De zelfmoord is volgens Camus het tegengestelde van de opstand en daarom is Camus het tegenovergestelde van een suïcidaal mens.

Opstand

Dan komen we nu toe aan het moeilijkste: de weigering van de instemming, van wijsheid, van elk eenheidsideaal of van samensmelting met de natuur. Dit is zo moeilijk omdat Camus deze kwestie slechts bij wijze van toespeling aanroert. Soms lijkt hij zelfs te pleiten voor wat hij op andere momenten krachtig verwerpt. Een incoherentie? Dit verdient te worden onderzocht.

We hebben gezien dat het absurde voortkomt uit de onbevredigende ontmoeting in de mens, tussen zijn verlangen en de wereld. Het absurde, ‘dat is de scheiding tussen de geest die verlangt en de wereld die tegenvalt’. De wereld doet zich alleen daarom absurd voor omdat wij haar hardnekkig om iets vragen wat zij – net zo hardnekkig – weigert ons toe te kennen. We zouden ons er slechts uit kunnen redden als ‘de mens inziet dat ook het universum kan liefhebben en lijden’. Maar dat is niet het geval. Daarom is het absurde voor ieder weldenkend mens een definitieve toestand: we ontsnappen er alleen aan door een ‘sprong’ te maken, herhaalt Camus steeds, ofwel terug te keren naar de hoop, zelfs midden in de wanhoop. Camus wil echter trouw zijn aan het absurde tot aan het eind.

Het absurde accepteren zou zijn verdwijning zijn: ‘het absurde heeft slechts zin in de mate waarin we er niet mee instemmen’. De ‘instemming’, omdat zij ‘de scheiding verwoest’, is ook de ‘ruïne van het absurde’. Om trouw te blijven aan het absurde is het dus niet alleen belangrijk om zijn tegenstellingen te weigeren (de hoop, de religie), maar ook, paradoxaal genoeg, om het absurde zelf te weigeren! Daarom is het absurde verwant aan de opstand, vooreerst aan de opstand tegen het absurde. Het absurde accepteren betekent ervan afzien; alleen wie het weigert (maar zonder ervoor te vluchten of het te ontkennen) is het waardig.

Wijsheid

Het vreemde, en ongetwijfeld de belangrijkste moeilijkheid van De mythe van Sisyphus, is juist deze instemming met het absurde, met de wereld en het worden. Het zijn ook de laatste woorden van Camus in dit boek dat deze instemming volgens hem juist moest verbieden! ‘“Ik oordeel dat alles goed is”, zegt Oedipus, en dit woord is heilig…’ Maar is dit te verenigen met het absurde? Geen absurde, zagen we al, zonder opstand. Maar, wat is een opstandeling? ‘Het is een mens die nee zegt.’ Wat maken we dan van het ja van Sisyphus of, in het algemeen, van de absurde mens? Hoe verzoenen we het absurde en de acceptatie? De opstand en de wijsheid?

Laten we nader kijken. Er is inderdaad sprake van instemming: ‘De absurde mens zegt ja’, en hoe kun je ja zeggen zonder in te stemmen? ‘Hier vertrekken wij van een instemming met de wereld’, erkent Camus. Dit wordt op een opvallende manier bevestigd door het ‘alles is goed’ van Sisyphus, door zijn geluk, door zijn wijsheid die aansluit bij of aankondigt de ‘moeilijke wijsheid’ van de absurde mens, zijn ‘vertwijfelde wijsheid’ die toch, of juist daardoor, gelukkig is (‘het geluk komt voort uit de afwezigheid van hoop’). Wie kan er zonder emotie het einde van De mythe van Sisyphus herlezen? ‘Wij ontdekken het absurde niet zonder te worden verlokt om een soort van gelukshandleiding te schrijven. Maar er is slechts één wereld. Het geluk en het absurde zijn twee kinderen van dezelfde aarde. Zij zijn onverbrekelijk.’ Ja, dat is mooi. Maar wat blijft er over van het absurde als het geluk er is? Niet dat het geluk een zin heeft of een zin zou moeten hebben; maar het absurde, zagen we al, is niet de afwezigheid van zin: het is de onmogelijkheid om hem te vinden wanneer we hem zoeken – niet zijn afwezigheid dus, maar zijn frustratie. Maar wie zoekt er het absurde nog als het geluk er is? Of wie is gelukkig, zolang hij het absurde zoekt? Hoe verzoenen we het geluk en de frustratie? De wijsheid en het absurde? Het ja en het nee? Het absurde, schrijft Camus, is ‘de voortdurende weigering (…) en de bewuste onbevredigdheid’. Zijn het geluk en de wijsheid niet exact het tegenovergestelde? Het geluk, alle wijzen hebben het gezegd en Camus bevestigt het, schuilt in de acceptatie, in de bevestiging, in het grote ja tegen de realiteit – in de wijsheid. Maar hoe kunnen we dan een absurde wijsheid denken, nu we hebben begrepen dat het ‘essentiële karakter’ van het absurde ‘oppositie, verscheuring en scheiding’ is? Als ‘het absurde vereist dat men er niet mee instemt’, wat blijft er over van het absurde als we ja zeggen tegen alles, zelfs tegen het absurde? We zullen niet te snel zeggen dat er nu niets overblijft: de wereld blijft, en de dood, het lijden, de vluchtigheid van alles, kortom een universum dat niet is gemaakt voor de mens en dat hem slechts, zolang als de mens hoopt, kan kwetsen of teleurstellen. Maar dat wat blijft, is dat nog steeds het absurde? Dat lijkt moeilijk te bevatten. De wereld is slechts absurd omdat we absurd genoeg zijn om haar te vragen menselijk te zijn. Maar hoopt de absurde mens dan niet meer? Het absurde komt voort uit de ‘confrontatie tussen het menselijke appèl en de onredelijke stilte van de wereld’. Maar roept de absurde mens dan niet meer? Wat rest hem nog behalve de stilte van de wereld, die de wereld is? Het is op deze stilte dat ‘alle stille vreugde van Sisyphus’ antwoordt en aan welke hij deelneemt, een vreugde die alles aanvaardt (zonder af te zien van haar opstandigheid: zij maakt deel uit van de werkelijkheid, Sisyphus accepteert haar zoals hij alles accepteert). Sindsdien heeft hij niets meer te vragen, niets meer te hopen, niets meer te betreuren, omdat ‘alles goed is’, inderdaad, of beter nog, alles is daar – de wereld en de mens en de opstand van de mens in de wereld en de vrede van de wereld als antwoord op de opstand der mensen. ‘Het gaat erom niet verzoend te sterven’, zegt Camus toch. Maar dat zei hij om de ‘geheel vrijwillige’ dood van de suïcidale mens te verwerpen. Het belet hem niet om, in De zomer, ‘de bewonderenswaardige wens om niets te splitsen of uit te sluiten, de wens die altijd al heeft verzoend en het mensenhart vol leed en de lente van de wereld nog zal verzoenen’ te bezingen. Wat kan dit anders zijn dan wijsheid?