Log in

Wachtwoord vergeten?

Word lid Log in Contact

Filosofie.nl

Filosofie Magazine nr. 1/2010

Het begin van de filosofie

René Gude & Daan Roovers

De Griekse stadsstaat bood de ideale omstandigheden voor het ontstaan van de filosofie. Daan Roovers en René Gude, beiden oud-hoofdredacteur van Filosofie Magazine, schetsen de gouden tijd van de filosofie.

De mens is vanaf ongeveer 3400 v.Chr. in steden gaan wonen: het begin van de beschaving zoals wij die nu nog steeds kennen. Steden vormen een complexere, meer competitieve, experimentele en creatieve omgeving dan alle samenlevingsvormen die daarvoor gangbaar waren. Waarom mensen in steden zijn gaan wonen is niet helemaal duidelijk. De veiligheid zal een rol hebben gespeeld, maar vermoedelijk ook de aantrekkingskracht van een grote, deels anonieme samenleving waarin het kopiëren van de traditie niet vanzelfsprekend de beste strategie was. De stad maakt een keur van beroepen, levensbeschouwingen en samenlevingsvormen mogelijk. Dat maakt het leven niet gemakkelijker, wel uitdagender.

De nieuwe grootsteedse manier van samenleven vereiste een nieuwe manier van samenwerking. Talloze innovaties werden ingevoerd om die samenwerking soepeler te laten verlopen. Geld en schrift waren vermoedelijk de invloedrijkste. Het waren abstracties waarin alle concrete zaken uit te drukken en te waarderen waren. De ruilhandel werd erdoor vergemakkelijkt, afspraken konden worden vastgelegd, boekhoudingen bijgehouden, wetten opgesteld en rechtszaken gevoerd. Rond 700 v.Chr. raakten munten in zwang en de invoering van het alfabet verspreidde het gebruik van het schrift. Waar aanvankelijk alleen een speciale kaste van schrijvers en boekhouders kon rekenen en schrijven, kreeg vanaf die periode een brede schare burgers behoefte die vaardigheden zelf machtig te worden. De stad werd een kennissamenleving. Een gouden tijd voor het ontstaan van de filosofie.

Olympische Spelen

De westerse filosofie is begonnen als opleidings- en scholingspraktijk voor jeugdige en volwassen burgers in de Griekse polis, de stadstaat die een kleine bestuurlijke eenheid vormde in het oude Griekenland van rond 700 v.Chr. De Griekse burger stelde aanzienlijke middelen ter beschikking voor de bouw van stadions voor hun Olympische Spelen, theaters voor de tragedies van Sophocles en tempels voor al hun goden.

En daarnaast beoefenden de Grieken filosofie – letterlijk: liefde voor de wijsheid. De eerste filosofiebeoefening was gericht op het gebruik van de rede ter verbetering van het redeneren en de redevoering. Het openbare leven – in bijvoorbeeld Athene – kende een spreek- en debatcultuur. Het doel was jezelf verstaanbaar te maken, overtuigend te zijn, maar vooral ook om gewicht in de schaal te leggen bij het bepalen van de richting en inrichting van de samenleving als geheel. In de polis floreerden de koophandel en de rechtspraak en werd geëxperimenteerd met democratie als bestuursvorm. Deelname aan al deze elementen van het openbare leven veronderstelde een behoorlijke kennis van zaken, een behoorlijke uitdrukkingsvaardigheid en ten slotte een visie op de gewenste moraal. Een burger dient zijn wereld te kennen en een idee te hebben van leefbare handelingsperspectieven, en daarover samenhangend te kunnen spreken met medeburgers. Deelname aan het openbare leven was weliswaar niet voor iedereen weggelegd – alleen ‘vrije mannen’ hadden stemrecht; vrouwen en slaven werden uitgesloten –, maar er werd niettemin van een groot aantal mensen verwacht dat zij hun standpunten in maatschappelijke kwesties konden beredeneren en voor het voetlicht brengen.

Filosofie was in eerste instantie het streven naar wijsheid op praktische gebieden in de sfeer van de economie en het recht. Vooral vanwege de toenemende politieke verantwoordelijkheid van burgers bij de meer democratische politiek, stegen de eisen aan de te verwerven wijsheid. Je eigen leven leiden is mooi, adequaat zijn in je werk is prachtig, jezelf goed kunnen uitdrukken als je in een rechtszaak verwikkeld bent is van groot nut, maar als je kunt deelnemen aan de inrichting van de gehele samenleving – letterlijk politiek bedrijven dus –, dan begint het pas echt.

Filosofen waren leraren en adviseurs. Zij bevorderden op verzoek kennis van zaken (natuurwetenschap), communicatieve vaardigheden (logica) en inzicht in de werking van waarden en normen (ethiek). Maar om een al te braaf imago van de vroege Griekse filosofie voor te zijn eerst nog even dit. Met het verschaffen van inzicht en vaardigheid aan individuen kwam de filosofie meteen in de gevarenzone. Het idee van een goede samenleving hoeft niet noodzakelijk overeen te komen met de bestaande samenleving. Afzonderlijke burgers stimuleren om zich eigen ideeën te vormen over de kosmos, de lotsbeschikkingen van de mens en bijpassende politieke instituties is niet zonder risico. Botsingen met traditionele manieren van zingeving en politiek zijn onvermijdelijk. De filosofie was nog niet uitgevonden, of de gifbeker kwam op tafel.

Chaos

De eerste Griekse filosofen van rond 600 v.Chr. waren natuurfilosofen. Het Griekse woord voor de veranderlijke natuur is physis en de wetenschap van die veranderlijke natuur noemden zij ‘fysica’. Het doel van de fysica is het ontdekken van onveranderlijke regelmaat in de natuurlijke gebeurtenissen. De wereld wordt voorspelbaar als wij greep krijgen op haar harmonie, haar ritme en haar continuïteit. Alle wetenschap berust op de overtuiging dat er een inzichtelijke onveranderlijkheid schuilgaat onder het gewemel van afzonderlijke verschijnselen. Iedere wetenschapper moet uitgaan van het bestaan van orde in de wereld om de strijd te kunnen aanbinden met de ogenschijnlijke chaos die ons omringt.

De Griekse wetenschap begint bij Thales van Milete (625-545 v.Chr.). Hij behoorde tot de Ionische wetenschappers, zakenmensen en politici, die geen genoegen namen met mythologische verklaringen voor onverwachte gebeurtenissen. Een zonsverduistering was voor hem geen gril van een zonnegod, maar een berekenbaar verschijnsel dat altijd optreedt als de maan voor de zon schuift. Een dergelijk moment kon hij voorspellen in 585 v.Chr. en daarmee maakt hij diepe indruk op zijn tijdgenoten, die erg schrokken van het uitdoven van de zon op klaarlichte dag. Thales zocht echter niet alleen naar een verklaring voor de bewegingen van de hemellichamen, maar ook naar berekenbare principes van continuïteit in het ondermaanse. Hij vond een materieel element, alomtegenwoordig en onvergankelijk, dat aanwezig is in alle veranderlijke verschijnselen: ‘Alles is water’, stelde hij. De betekenis van die merkwaardige uitspraak wordt duidelijk als je bedenkt dat water voorkomt in alle aggregatietoestanden (vast, vloeibaar en gasvormig), dat alle levende organismen voor het grootste deel uit water bestaan en dat het sociale leven van de rijke stadstaat Milete gebouwd was op water: Milete was een florerende zeehavenstad aan een riviermonding. Water was voor Thales het onveranderlijke element dat, zelf geur- en kleurloos, alomtegenwoordig is in verschijnselen in de veranderlijke natuur (de physis) en daardoor het vertrekpunt moest zijn voor een blijvend begrip van het geheel.

Na Thales volgden er andere kandidaten voor de onveranderlijke materiële basisbouwgrondstof van de natuur. Vuur, bijvoorbeeld, de ‘stof’ die voor verdichting en verdunning van water kan zorgen, en dus meer ‘elementair’ is. Aarde en lucht zijn ook voorgesteld, maar Anaximander (610-545 v.Chr.) kwam met het voorstel om ‘het onbepaalde’ (to apeiron) als oerstof aan te nemen, een onveranderlijk substraat waaruit alle ons bekende veranderlijke dingen gemaakt zijn. Dat was voor Democritus (460-370 v.Chr.) de stap op weg naar de hypothese van onzichtbare bouwsteentjes, atomen (letterlijk: ‘ondeelbaar’).

Pythagoras

Nog een stap verder gaan de natuurfilosofen die het idee ‘materie’ hebben opgegeven en die de mathematische verhoudingen zelf zien als het onveranderlijke. De wereld is kenbaar door haar onveranderlijke verhoudingen, die beschreven kunnen worden in betrouwbare, altijd geldende mathematische vergelijkingen. Pythagoras (580-500 v.Chr.) was niet geïnteresseerd in een of andere concrete driehoek, maar in het feit dat in álle rechthoekige driehoeken de zijden altíjd een onveranderlijke verhouding hebben. Hij gaat op zoek naar de wiskundige samenhang die aan de wereld ten grondslag ligt.

Het is niet moeilijk om de lijn door te trekken via Galileï, Newton, Planck en Einstein naar de hedendaagse kwantummechanica en snaartheorie, die ook allang zijn afgestapt van het concept ‘materie’. De fysica in onze betekenis is inhoudelijk veel verder dan toen, maar er wordt op dezelfde manier gezocht naar eenheidstichtende principes. De meeste natuurwetenschappers menen ook nog steeds dat er één verklarend principe kan worden voorgesteld voor dode materie, levende organismen, psychische en sociale fenomenen en uiteindelijk de menselijke samenleving. Verschillende natuurkundigen werken aan de zogenoemde theory of everything, een kader waarin alle grote mathematisch-fysische theorieën gecombineerd kunnen worden en dat ons in staat zal stellen de constanten en relaties in alle veranderingen te benoemen. Opmerkelijk in deze ontwikkeling van de natuurfilosofie is de geleidelijke verschuiving van een common sense-vertrekpunt in de materie (‘Alles is water’) naar kennis van bouwstenen en ten slotte zelfs naar mathematische verhoudingen. De queeste naar ‘vastigheid in de stof’ is geleidelijk verlaten en de aandacht is verlegd naar ‘constanten in het denken’.

Het is evident dat deze tak van filosofie, de natuurfilosofie, veruit de grootste vlucht heeft genomen in een veelheid aan afzonderlijke wetenschappen, zoals natuurkunde, chemie, biologie, antropologie en psychologie, om er maar enkele te noemen. Het besef dat al deze vakken slechts één physis onderzoeken, en hun grootste vruchtbaarheid zouden hebben als zij een samenhangend wereldbeeld opleveren, wordt weliswaar door iedereen als vanzelfsprekend onderkend, maar een dergelijk wereldbeeld wordt vervolgens zuchtend voor onmogelijk gehouden. De wetenschappen zijn tegenwoordig ieder op eigen gebied te ver voortgeschreden om nog een overkoepelend perspectief toe te laten. De vanzelfsprekende eenheid van wetenschappen bij de Grieken is versplinterd in tientallen verschillende disciplines en verspreid over evenzovele faculteiten.

Alles stroomt

De logica als kennisleer heeft wellicht al haar volle reikwijdte gekregen met Heraclitus (535-480 v.Chr.) en Parmenides (540-? v.Chr.). De bovengenoemde ontwikkeling in de natuurfilosofie – ideeën worden belangrijker dan de materie – bracht als vanzelf de fundamentele problematiek van de verhouding tussen idee en werkelijkheid aan het licht: hoe is het mogelijk dat onze concepten een min of meer duurzame geldigheid hebben, terwijl de waarneembare wereld toch voortdurend verandert? Die eenvoudige vraag ligt ten grondslag aan alle bespiegelingen over de betrouwbaarheid van kennis.

Heraclitus formuleerde de ene kant van het dilemma door op de voortdurende wording van dingen en mensen te wijzen: ‘Alles stroomt, niets blijft.’ Heraclitus wordt wel ‘de filosoof van het worden’ genoemd. Zijn belangrijkste vraag was: als de hele wereld voortdurend in beweging is, hoe zou je dan vandaag een uitspraak kunnen doen die morgen nog geldt? De inspanningen van de logos (de Griekse term voor ‘rede’ en ‘woord’) zijn erop gericht om continuïteit in de veranderlijke wereld te zoeken en zo een duurzame en onbetwistbare wetenschap te verkrijgen. Tijdgenoot Parmenides, ‘de filosoof van het zijn’, nam precies het tegenovergestelde vertrekpunt. Hij begon juist met het idee dat werkelijk inzicht in de geest begint. Alleen al in de wiskunde is het idee ‘driehoek’ of ‘cirkel’ veel perfecter dan enige werkelijke driehoek of cirkel ooit zal zijn. De rede is dus zeer wel in staat het onveranderlijke te denken, en voor zover wij veranderingen in de wereld waarnemen, bedriegt de waarneming ons en moeten we daarop niet vertrouwen. Zijn leerstelling ‘Het zijnde is, en het niet-zijnde is niet’ wil niet anders zeggen dan dat de zintuigen die de veranderlijke wereld waarnemen niets dan schijnwaarheden opleveren: ‘niet-zijnden.’

Parmenides is de rationalist, die de zoektocht naar kennis van de wereld laat beginnen bij de onveranderlijke ideeën. ‘Denken en Zijn zijn hetzelfde’ volgens Parmenides: echte kennis is kennis van het onveranderlijke. ‘Worden’, ‘verandering’ en ‘beweging’ maken deel uit van de nog onbegrepen werkelijkheid. Heraclitus daarentegen is empirist: onderzoek en waarneming van de veranderlijke wereld vormen de basis van de wetenschap.

De denkbeweging vanuit de waargenomen werkelijkheid (empirisme) en de beweging die vertrekt bij het idee (rationalisme) bestrijden elkaar tot op de dag van vandaag. Toch zijn beide benaderingen vormen van gezond verstand. Natuurlijk kan een dokter beter beginnen met de natuur te observeren om een idee te krijgen van hoe ons lichaam werkt. Maar de politicus die een betere, rechtvaardigere wereld nastreeft, moet verantwoorden hoe hij aan het idee ‘beter’ komt. Is het idee ‘rechtvaardigheid’ passief op te lepelen uit observatie van de huidige wereld? Zijn ethiek en politiek denkbaar zonder dergelijke concepten? Met deze beide denkbewegingen is een kennistheoretische traditie met de meest fantastische hoogte- en dieptepunten begonnen.

Misverstanden

Het streven om de kennis van zaken te verbeteren leidt als vanzelf tot studie van het fenomeen kennis zelf. En niet altijd zo fundamenteel als bij Heraclitus en Parmenides. Ook heel alledaagse kenniskwesties doen zich als vanzelf voor en vragen om een oplossing. Waarom vergissen wij ons eigenlijk zo vaak? Stel je voor dat we verkeerd kijken. Stel je voor dat onbeholpen formuleringen de oorzaak zijn van misverstanden. Dat is toch denkbaar?

In het presocratische Griekenland kwam in het kielzog van de wetenschappelijke activiteit en democratische politiek een ware logica-industrie op. De taalwetenschap bloeide, de spelling werd vastgelegd en retorica was een vak waarmee je zelfs geld kon verdienen. In iedere ontwikkelde samenleving, maar zeker in een democratische, is het woord een machtig heerser. Sofisten – rondreizende leraren – richtten zich met hun onderwijs op deze pragmatische behoefte aan uitdrukkingsvaardigheid en overtuigingskracht. Protagoras (480-410 v.Chr.), bekend van de uitspraak ‘De mens is de maat van alle dingen’, en Gorgias (480-375 v.Chr.) stelden dat uitspraken nooit absoluut waar of onwaar zijn, en legden daarom de volle nadruk op de manier waarop je iets zegt en de methoden om gelijk te krijgen. Zij lieten het gekrakeel over de definitieve oerstof over aan de natuurfilosofen, en de spitsvondigheden over de samenhang tussen woorden en de dingen aan de navolgers van Heraclitus en Parmenides. Wat schiet je daar allemaal mee op als je gelijk wilt krijgen in een rechtszaak of bij een politiek dispuut? Als je gelijk hebt, maar je krijgt het niet, dan ben je nog even ver van huis. Overtuigingskracht, daar gaat het om.

De nadruk op de uitdrukkingsvaardigheid is de sofisten op een blijvende veroordeling komen te staan als relativistische, spitsvondige bedriegers. Plato, hun meest heftige criticus, heeft bovendien met succes de indruk gewekt dat de sofisten, die zich lieten betalen voor hun onderwijs, de waarheid uit opportunisme en zucht naar gewin ondermijnden. Dat is wellicht de reden dat wij tot op de dag van vandaag in ons onderwijs weinig doen aan het ontwikkelen van retorische en argumentatieve talenten. Die eigenaardigheid maakt dat wij geneigd zijn om Amerikanen en Engelsen als natuurtalenten in welsprekendheid te beschouwen of te denken – een veelgehoord vooroordeel – dat het Engels een taal is waarin men zich preciezer kan uitdrukken dan in enige andere. De verklaring is echter eenvoudigweg dat men in de Angelsaksische cultuur wel zeer uitgebreid aan retorica en debating doet – men heeft zich daar blijkbaar weinig aangetrokken van Plato’s kritiek op de sofisten. De aan de sofisten ontleende term sophisticated is in het Engels zelfs een ondubbelzinnig compliment. Je zou willen dat wij dat hier ook wat vaker gaven.