Home Geloof in de menselijke natuur

Geloof in de menselijke natuur

Door Marli Huijer op 20 december 2012

04-2002 Filosofie magazine Lees het magazine

In 1992 kondigde Francis Fukuyama het einde van de geschiedenis en de laatste mens aan. Maar door de stormachtige technologische ontwikkelingen is Fukuyama van inzicht veranderd. Hij heeft te vroeg gejuicht. Zijn nieuwe boek heet dan ook: De nieuwe mens.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Wat zou er gebeuren als geen filosoof zich druk zou maken over de ontwikkelingen in de biotechnologie? Belanden we dan als vanzelf in Aldous Huxleys Brave New World waar iedereen gezond en gelukkig is, en angst, pijn en strijd zijn vergeten? In De nieuwe mens. Onze wereld na de biotechnologische revolutie wil de Amerikaanse politiek filosoof Francis Fukuyama, die in 1989 stof deed opwaaien met zijn essay over het Einde van de Geschiedenis, het gelijk van Huxley onderbouwen. Prozac, Ritalin en andere psychofarmaca hebben ons al een eind op weg geholpen. De biotechnologie gaat een stap verder. Zij biedt ons de kans gezonde en gelukkige mens-exemplaren te kweken. De nieuwe mens, die in een proces van zelfmanipulatie tot stand zal komen, weet niet meer wat ziekte, pijn, agressie en jong sterven is; zijn leven zal leeg en eenzaam zijn. Erger nog, eigenlijk is deze mens geen mens meer. Defaitisme hiertegenover is uit den boze. We moeten ons sterk maken voor het behoud van de menselijke natuur, omdat deze het fundament vormt van onze menselijke waardigheid en ons politieke bestel. De redenering die Fukuyama opbouwt, laat de lezer geen andere keuze dan zich over te geven aan zijn onverbiddelijke gelijk.

Fukuyama’s uitgangspunt is dat de politieke en morele orde, die we hebben bereikt, niet te danken is aan de menselijke cultuur, maar aan onze natuur. De menselijke natuur is nauw verbonden met de genen. Zij is ‘het totaal van de voor de menselijke soort typische gedragingen en kenmerken die eerder uit genetische factoren voortkomen dan uit omgevingsfactoren’. In de loop van de evolutie is er een factor X te herkennen die de essentie van het mens-zijn omvat. Factor X staat gelijk aan de universele en wezenlijke menselijke kenmerken, die uniek zijn voor de menselijke soort. Deze factor verdient een bepaald minimum aan respect; ze bepaalt de menselijke waardigheid. Het kenmerk bij uitstek is het menselijk bewustzijn en de daarbij horende menselijke taal, verstand, emoties en morele keuzes. Fukuyama gelooft dat er in de loop van de evolutie een ‘ontologische sprong’ heeft plaatsgevonden, een sprong van losse delen naar een complex geheel. In die sprong is een bewustzijn in ons geplant. Gegeven de menselijke essentie, en de daaruit volgende menselijke waardigheid, is de menselijke natuur niet onbeperkt kneedbaar.

In zijn eerdere werk (Het einde van de geschiedenis en de laatste mens, 1992) meldde Fukuyama jubelend dat de Geschiedenis in een evolutionair proces en met een Hegeliaanse logica als eindpunt de wereldwijde verbreiding van de liberale democratie had bereikt. Nu beseft hij dat de geschiedenis niet geëindigd kan zijn, zolang de wetenschap niet ten einde is. Achter de laatste mens die Fukuyama in 1989 en 1992 beschreef, zou wel eens een nieuwe, posthumane mens kunnen opduiken. En wie garandeert dat deze mens nog oog zal hebben voor de menselijke waardigheid, voor mensenrechten en andere vormen van respect die berusten op de menselijke natuur? De uiteindelijke vraag die de biotechnologie opwerpt,  ‘is wat er met politieke rechten zal gebeuren als we echt in staat zullen zijn om sommige mensen te kweken met zadels op hun rug en anderen met laarzen en sporen.’ De idee van heren en slaven (cq ruiters en paarden) was bij Hegel verbonden met de strijd om erkenning door de ander. Deze strijd was een positief verschijnsel: hij mondde uit in een overwinning op een hoger niveau. In de liberale democratie is het meester-slaaf onderscheid afgeschaft. Burgers zijn gelijkelijk overeengekomen dat ze elkaar wederkerig erkennen. Aan het Einde van de Geschiedenis hebben we de laatste mens bereikt – een andere mens kan slechts een posthumane mens zijn. Om te voorkomen dat we in een niet-menselijke fase van de geschiedenis terecht komen doet Fukuyama een beroep op (nog niet bestaande) wereldinstellingen. In analogie met de liberale democratie, die als het enige uitvoerbare politieke systeem is opgekomen en de extremen van nazisme en communisme uit de weg gaat, spiegelt Fukuyama ons ten aanzien van de biotechnologie een hoger midden voor tussen Links en Rechts in Amerika. Biotechnologie moet niet worden bestreden (= Links), biotechnologie moet niet worden overgelaten aan de vrije markt ( = Rechts liberaal) en abortus moet niet worden verboden (= Rechts conservatief). Op Fukuyama’s hogere plan moet biotechnologie passend worden gereguleerd door nieuw op te zetten internationale instituties. Deze instellingen moeten rode lijnen kunnen trekken: Tot hier en niet verder! Fukuyama pleit voor wereldomvattende wetten, regelingen en toezichthoudende instanties die garanderen dat de menselijke natuur en daarmee de menselijke waardigheid niet verloren gaat. Als voorzetje stelt hij dat reproductief klonen absoluut verboden moet worden omdat het een hoogst onnatuurlijke vorm van voortplanting is.

Met groot gevoel voor systematiek bouwt Fukuyama zijn argumentatie op. Het eindresultaat is – opnieuw – de liberale democratie. Opmerkelijk is dat hij de levenswetenschappen in dit boek niet op dezelfde manier benadert als eerder de natuurwetenschappen. De moderne natuurwetenschappen, zo stelde hij in 1992, ‘leiden ons naar de poorten van het Beloofde Land van de liberale democratie’. De biotechnologie, daarentegen, vormt eerder een bedreiging dan een motor voor de liberale democratie. Waar de logica van de moderne natuurwetenschappen een universele evolutie in de richting van het kapitalisme dicteerden, meent hij dat een technologie die machtig is om onze natuur te veranderen schadelijke gevolgen kan hebben voor de liberale democratie en voor het karakter van de politiek als geheel. Dat de biotechnologie evenzeer een enorme impuls heeft gegeven aan het wereldwijde kapitalisme, krijgt weinig aandacht. Het gaat de auteur om de bedreigingen die de biotechnologie vormt voor de menselijke natuur. Maar waarom zou de aan de mens eigen zijnde nieuwsgierigheid, experimenteerdrift en zin voor maakbaarheid niet evengoed tot zijn natuur behoren?

En gesteld dat zelfmanipulatie tot zijn natuur behoort, waarom zou je de evolutie van deze mens dan niet op zijn beloop laten? Fukuyama zal daarop antwoorden dat zelfmodificatie niet natuurlijk is, juist omdat deze de menselijke natuur aantast: ‘We willen de volle breedte van onze complexe geëvolueerde natuur beschermen tegen pogingen van zelfmodificatie. We willen niet dat de eenheid of continuïteit van de menselijke natuur, met de mensenrechten die daarop zijn gebaseerd wordt verbroken’. Daarmee is de cirkel rond. We moeten de natuur, die Fukuyama gelijk stelt aan de menselijke waardigheid, omwille van de natuur, en dus omwille van de menselijke waardigheid, niet willen veranderen. De menselijke natuur die Fukuyama oproept om zijn argwaan tegenover de biotechnologie vorm te geven, roept op zijn beurt argwaan op. Pogingen om de menselijke natuur te definiëren eindigen bijna altijd met de constructie van een godheid, een supermens, om met Hannah Arendt te spreken. Een vaststelling die voldoende reden is om het concept menselijke natuur met wantrouwen tegemoet te treden. Want wie zegt ons dat de wereld van Fukuyama zoveel beter zal zijn dan die van de biotechnologie?
 
De nieuwe mens. Onze wereld na de biotechnologische revolutie, door Francis Fukuyama, vert. Peter van Huizen, uitg. Contact, Amsterdam 2002, 272 blz, € 32,50.