Log in

Wachtwoord vergeten?

Word lid Log in Contact

Filosofie.nl

Filosofie Magazine nr. 9/2021

Eigen verstand eerst

Christiaan Weijts

Een nieuwe selectie teksten van George Orwell laat zijn compromisloze afkeer van dogma’s zien. En daar kan de eigentijdse lezer nog veel van opsteken.

Het is een gelukkig toeval dat de auteursrechten op het werk van George Orwell begin dit jaar kwamen te vervallen. Precies in de tijd dat het begrip ‘orwelliaans’ weer overal te horen was, gaf dit ruim baan aan allerlei nieuwe heruitgaven, vertalingen en bundels. Zoals de bundel Tegen totalitarisme, vertaald en ingeleid door Thomas Heij.
Orwelliaans – voor antivaxers en complotdenkers staat het begrip voor een overheid die ons onder het mom van een pandemie onderdrukt. Voor anderen is ‘orwelliaans’ juist het populisme waar de virusontkenners voor vallen. Men protesteerde tegen Trump met een exemplaar van 1984 in de hand (‘Dit boek was een waarschuwing, geen handleiding!’), terwijl het kamp aan de overkant T-shirts drukte met ‘Big Brother Biden’ erop. Het woord lijkt elke specifieke betekenis te verliezen, zoals Orwell zelf al in de jaren veertig opmerkte over het woord ‘fascist’, dat simpelweg alleen nog betekende ‘iemand met wie ik het politiek oneens ben’ of slechts ‘een bullebak’.
Met Orwell kun je veel kanten op. In de zeventig jaar na zijn dood is hij door uiteenlopende groeperingen omarmd als spreker voor het eigen gelijk. Voor links is hij de antifascist, voor rechts de vijand van de communisten. Voor brexiteers de patriot, voor eurofielen een kosmopoliet.
En juist tegen die achtergrond realiseer je je hoe sterk de selectie uit Tegen totalitarisme is. Die overstijgt namelijk die richtingenstrijd. Behalve essays zijn ook radio­bijdragen voor de BBC opgenomen en andere stukken die we nu columns zouden noemen, verschenen in de jaren veertig. Dat zou, bij zo’n toch al beweeglijke en veelzijdige auteur, al snel een grillig geheel kunnen worden. Maar als je die stukken achter elkaar leest – van een bespreking van Mein Kampf tot een denkbeeldig interview met Jonathan Swift, en van een stuk over de prijs van boeken vergeleken met die van sigaretten tot een vertoog over de teloorgang van de Engelse taal – dan pas valt je goed op dat hier één onderliggend principe telkens overheerst.
Heeft Orwell het bijvoorbeeld over het verval van de Engelse taal, dan ageert hij tegen vastgeroeste zinsconstructies, clichés, vage uitdrukkingen ‘aan elkaar geplakt als de onderdelen van een kant-en-klaar kippenhok’. Heeft hij het over nationalistische gevoelens, dan richt hij zijn pijlen óók op degenen die het bestaan ervan willen wegmoffelen. De grote gemene deler van deze bundel, hoe uiteenlopend ook in vormen en onderwerpen, wordt steeds helderder. Het is de totale, systematische en compromisloze afkeer van al het dogmatische.
Het is één aanklacht tegen zowel het politieke totalitarisme als tegen de veel vileinere vormen van geestelijke repressie. En juist daar kan de eigentijdse lezer veel herkennen en van opsteken. Er staan zinnen in die letterlijk gisteren geschreven konden zijn: ‘Het is overduidelijk dat het dominante dogma al ongeveer vijftien jaar, en vooral onder jongeren, “links” is. Sleutelwoorden zijn “progressief”, “democratisch” en “revolutionair”.’ Goed, dat laatste woord misschien niet, maar zijn analyse is verrassend actueel.
Ook als het gaat om een verschijnsel als informele censuur, het onderwerp ‘Vrijheid van drukpers’, een stuk dat aanvankelijk
als voorwoord bij Animal Farm moest verschijnen en pas veel later is gepubliceerd: ‘Ieder weldenkend mens met journalistieke ervaring zal toegeven dat de officiële censuur tijdens deze oorlog niet bijzonder hinderlijk is geweest. We zijn niet onderworpen geweest aan het soort totalitaire “coördinatie” dat men redelijkerwijs had kunnen verwachten. De pers heeft enkele terechte grieven, maar over het geheel genomen heeft de regering zich goed gedragen en is zij verrassend tolerant geweest ten opzichte van minderheids­standpunten. Het sinistere aan de literaire censuur in Engeland is dat deze grotendeels vrijwillig is.’
Men past zich aan de stilzwijgende consensus van de eigen club aan, en dat is wat Orwell telkens giftig lijkt te maken. Omdat hij het gevaar ervan zo goed kent, en ongetwijfeld herkent uit de totalitaire regimes die hij van dichtbij zag, vooral toen hij in de Spaanse Burgeroorlog meevocht tegen het fascisme, zonder daar zelf van te radicaliseren: ‘Als het een gewoonte wordt om fascisten op te sluiten zonder rechtszaak, dan blijft het misschien niet bij fascisten.’
Eigen verstand en oordeelsvermogen moeten altijd overheersen boven dat van de groep. En de plek bij uitstek om die vrijheid een stem te geven is de literatuur. Ook hierover is nu een aantal ijzersterke stukken voor het eerst in het Nederlands vertaald, en in deze context wordt glas­helder wat de relatie tussen politiek en literatuur voor Orwell betekent. Literatuur mag nooit in dienst van een dogma of ideologie staan: ‘Groepsloyaliteit is onontbeerlijk en toch is het funest voor literatuur, zolang literatuur geschreven wordt door individuen. Zodra die loyaliteit enige invloed krijgt op creatief schrijven, zelfs al is het een negatieve, is het gevolg niet alleen de vervalsing, maar vaak ook het geheel opdrogen van de creatieve vermogens.’
Al herkent hij ook de onmogelijkheid hiervan in de aanloop naar de oorlog: ‘Je kunt je niet louter esthetisch interesseren voor een ziekte waaraan je sterft; je kunt je niet onpartijdig opstellen tegenover iemand die op het punt staat je keel door te snijden.’
Je ziet Orwell in deze teksten, geschreven in de laatste jaren van zijn leven, zoeken naar die kern, naar de positie waarin het autonome individu en politiek engagement kunnen samenvallen. Die discussie is opnieuw actueel, ook al is die nooit weggeweest, zoals voor zoveel geldt van wat hij schrijft. Ook de meer triviale observaties, ervaringen uit de oorlog die het wat minder abstract maken, zijn soms weer verrassend herkenbaar. Zoals de herontdekking van genoegens die weinig geld kosten, tijdens de schaarste: ‘Al bijna twee jaar heeft bijna niemand in Engeland bijvoorbeeld een banaan gezien. (…) En onder druk van die noodzaak herontdekken we de eenvoudige genoegens – lezen, wandelen, tuinieren, zwemmen, dansen, zingen – die we haast vergeten waren in de verspillende jaren die voorafgingen aan de oorlog.’
Veel van de teksten zijn voor het eerst vertaald in het Nederlands, en ook nog eens in Nederlands dat precies de helderheid heeft die Orwell voorstond. Hij vond dat de taal een zuiver raam moest zijn om naar de werkelijkheid te kijken. Die uiterst secure woordkeus vind je in de vertaling terug, zonder dat het ten koste gaat van de elegantie, scherpte en subtiele ironie.
Ook ‘Politics and the English Language’ is nu voor het eerst in het Nederlands te lezen. Dat stuk drijft vrijwel volledig op Engelse voorbeelden, en de vertaler koos er wijselijk voor om deze integraal te laten staan.
Zo is Tegen totalitarisme een handzame en toegankelijke verzameling voor iedereen die wil beginnen aan het oeuvre van Orwell. En met deze instap kom je ook onmiddellijk op de hoofdbestemming aan.


Tegen totalitarisme. Essays over politiek en literatuur
George Orwell, vertaald door Thomas Heij | ISVW Uitgevers | 196 blz. | € 24,95