Home Een vergaarbak van ketterij

Een vergaarbak van ketterij

Jean le Rond d’Alembert schreef een inleiding bij de encyclopedie die alom wordt beschouwd als het belangrijkste werk uit de Franse Verlichting. De inleiding is cultuurhistorisch van belang, maar niet altijd even meeslepend.

Door Koen Schouwenburg op 27 mei 2022

Een vergaarbak van ketterij Door: Maurice Quentin de La Tour
Cover van 06-2022
06-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

De Encyclopédie, ou dictionnaire raisonné des sciences, des arts et des métiers is het paradepaardje van de Verlichting. Deze fameuze verzameling van menselijke kennis werd geredigeerd door de filosoof Denis Diderot (1713-1784) en de filosoof en wiskundige Jean le Rond d’Alembert (1717-1783), die een uitvoerige introductie schreef bij dit omvangrijke project. Na meer dan tweeënhalve eeuw is zijn Inleidend betoog bij de Encyclopedie voor het eerst in het Nederlands verschenen.

Aan het einde van dit Inleidend betoog schrijft d’Alembert dat vooral Diderot lof verdient. Al het werk dat hij zelf heeft verzet – alle lemma’s over wiskunde en algemene fysica schrijven en redigeren – is kinderspel vergeleken met de bergen die Diderot heeft verzet. Diderot schreef duizenden artikelen en was de belangrijkste kartrekker en initiatiefnemer van dit immense project: tussen 1751 en 1772 verschenen 28 delen (18.000 pagina’s aan tekst en 20 miljoen woorden, aldus Wikipedia – de nakomeling van de Encyclopédie). Daarnaast kreeg Diderot het voor elkaar dat de belangrijkste Franse denkers van de achttiende eeuw meewerkten; onder meer Jean-Jacques Rousseau, Montesquieu en Voltaire leverden bijdragen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De ambitie was om alle kennis van de mens samen te brengen

In 1745 vroeg de uitgever André le Breton aan Diderot of hij de Cyclopaedia: or, An Universal Dictionary of Arts and Sciences (1728) van Ephraim Chambers wilde vertalen. Diderot haalde Breton over om een eigen encyclopedie te maken die veelomvattender was dan die van Chambers. ‘Denkt men dan echt dat alles wat met de wetenschappen en kunsten te maken heeft in twee foliobanden kan worden behandeld?’ schrijft d’Alembert – al erkent hij wel degelijk het belang van Chambers’ werk. Het ambitieuze doel van Diderot en d’Alembert was dat hun project ‘ooit alle kennis van de mens moet bevatten’.

Inleidend betoog bij de Encyclopedie bestaat uit drie delen. D’Alembert begint met een algemene uiteenzetting over kennis. Hij maakt onderscheid tussen ‘directe’ en ‘reflectieve’ kennis. De eerste vorm ontvangen we onmiddellijk – de zintuiglijke waarnemingen – en de tweede vorm is een vereniging en combinatie van directe kennis. In navolging van Francis Bacon (1561-1626) schrijft d’Alembert dat de herinnering, de rede en de verbeelding de drie vermogens van de geest zijn. Dit onderscheid is verwant met het systeem van de Encyclopédie en ‘de drie belangrijkste terreinen van de menselijke kennis. De geschiedenis, die betrekking heeft op de herinnering; de filosofie, die de vrucht is van de rede; en de schone kunsten, die voortvloeien uit de verbeeldingskracht.’

Geïnspireerd door de filosofie van Bacon, John Locke (1632-1704) en Isaac Newton (1643-1727) pleitte d’Alembert voor het empirisme. Kennis van de natuur komt volgens hem niet tot stand door ‘vage en willekeurige hypotheses. Kennis kunnen we alleen maar opdoen door zintuiglijke verschijnselen weloverwogen te bestuderen.’ In het tweede deel, het meest enerverende gedeelte van zijn inleiding, steekt d’Alembert de loftrompet over de drie Engelse denkers. Het is een cultuurhistorisch overzicht van de wetenschappen na de Renaissance, waarin vooral de scholastiek het zwaar te verduren krijgt en ook Descartes en Leibniz worden bekritiseerd.

D’Alembert sluit zijn Inleidend betoog af met een uitleg over het ontstaan en de opzet van de Encyclopédie, die is onderverdeeld in ‘de wetenschappen, de vrije kunsten en de mechanische kunsten’. De Encyclopédie is een keten van kennis met als doel ‘een wetenschappelijke wereldreis te maken zonder te verdwalen’. Niet de theologie, maar de rede was het belangrijkste ordeningsprincipe van de Encyclopédie. Die werd in 1752 verboden, omdat deze werd beschouwd als ‘een vergaarbak van ketterij en schisma’s, die verzameling goddeloze en heiligschennende uitspraken, waarvan elke bladzijde verzet tegen de godsdienst en het gezag ademt’, zoals Voltaire zijn priester laat zeggen in zijn ironische dialoog ‘Christelijke gesprekken of Voorbehoedsmiddel tegen de Encyclopédie’. Diderot wist ervoor te zorgen dat het werk toch kon worden doorgezet, maar d’Alembert was in 1759 klaar met al die tegenwerking en stopte in dat jaar als redacteur.

Inleidend betoog is niet altijd even meeslepend. De inleiding is vooral van belang als cultuurhistorisch document. Jabik Veenbaas, die de tekst voortreffelijk vertaalde, schrijft terecht dat het intrigerend is om de tekst te lezen die voorafging aan dé intellectuele gebeurtenis van de Verlichting. Belangrijker is wellicht dat veel denkbeelden van de verlichtingsfilosofen nog altijd levend zijn, zo schreef Diderot in Filosofische gedachten: ‘Iedereen kijkt door zijn eigen kijker.’ Veenbaas noemt het betoog van d’Alembert trefzeker ‘een pleidooi voor een bescheiden pluraliteit’. En dat is en blijft een waardevolle missie.

Inleidend betoog bij de Encyclopedie
Jean le Rond d’Alembert | vert. Jabik Veenbaas | Wereldbibliotheek | 192 blz. | € 24,99