Ik slaap beter sinds ik mijn telefoon ’s nachts uitzet. Een deel van me blijft er anders mee bezig blijkbaar, ook terwijl ik droom.
Het doet me denken aan een moment uit Transcriptie, een roman van Ben Lerner (1979). De verteller praat met zijn vroegere docent, die terugdenkt aan een apparaat dat nog niet bestond toen zijn ouders werden geboren: de huisradio. Die was voor hem als kind alomtegenwoordig. ‘Hij stond aan zelfs als hij uitstond. Omdat hij de ervaring ook vormgaf als hij stil was.’
Als een apparaat eenmaal in je gewoontes is opgenomen, ben je het aanhoudend aan het gebruiken. Als de mogelijkheden die beschikbare technologie je geeft vanzelfsprekend worden, beginnen ze je dag en gedrag te ordenen. Het moment waarop ik naar mijn telefoon grijp omdat ik dénk dat hij trilt; of de keer dat mijn linkerhand uit automatisme de sneltoets voor ‘ongedaan maken’ zocht, terwijl ik op papier aan het tekenen was.
Apparaten worden ook door het onbewuste gebruikt en ze gebruiken het onbewuste. Maar ik blijf versteld staan dat uitzetten helpt. Wie blijft er in de kamer achter nadat ik mijn ogen sluit? Niet alleen apparaten: ook ik sta altijd aan.
