Home De troost van het verstand

De troost van het verstand

Door Jeroen Hopster op 24 april 2012

Cover van 05-2012
05-2012 Filosofie magazine Lees het magazine

Van de afgrond en de troost is een sublieme handleiding voor de wijsgerige scepticus – in ieder geval zolang hij de studeerkamer niet verlaat. 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.


‘Het denken is eens ontstaan en als het eens weer zal verdwijnen, is er niets gebeurd’, schreef Nietzsche in Über Wahrheit und Lüge. Dat idee belichaamt de zienswijze van de scepticus, turend over een bodemloze afgrond, in de wetenschap dat hij daar ooit in zal afglijden. Maar de scepticus vindt ook troost, stelt Henri Oosthout: troost in de schoonheid die de tijdelijke ondergrond te bieden heeft.

Het scepticisme kent een lange filosofische traditie, maar is tijdloos in de aard van zijn kritiek. Respectvol maar resoluut verwijst classicus, filosoof en wiskundige Henri Oosthout metafysische speculatie en religieus dogma naar het rijk der fabelen: de zoektocht naar absolute grond is tevergeefs, er is geen houvast buiten onze veranderlijke wereld.

Die scepsis treft ook de wetenschap: fysici laten zich door metafysische begoochelingen misleiden, wanneer zij stellen dat een alverklarende wet binnen handbereik ligt. Zij onderschatten de beperkingen die het wiskundige discours aan hun manier van kennen oplegt. De wiskunde kan nooit buiten haar eigen taal treden, een taal van rechtzijdige driehoeken en geïdealiseerde ruimten. In de werkelijkheid bestaan perfecte driehoeken niet: daar gaat de waarheid van de wiskunde verloren. 

Tegenover de waarheidsclaim van de wiskunde staat de betekenisaanspraak van verhaal en poëzie. Maar net zo min als wij een ongekleurde waarheid kunnen blootleggen, doen wij in onze taal een beroep op zuivere betekenis. De idealistische wiskundige beschrijft een waarheid zonder zin, de lyrische dichter verschaft betekenis zonder waarheid.


Paradox van de scepsis

In zijn kleine boekje schetst Oosthout de contouren van een sceptisch wereldbeeld. Hij stelt denkregels waarvan hij weet dat hij die niet kan stellen, omdat een sceptisch oordeel nooit finaal is, maar onderhevig aan dezelfde twijfel waaraan het de wereld onderwerpt: ‘Ik weet niets zeker, en zelfs dát weet ik niet zeker.’ Die terughoudendheid vindt zijn weerslag in de ethiek. Geen enkel principe is universeel geldig, wat juist is hangt af van de specifieke situatie waarin wij ons bevinden. Dat wij bepaalde gedragingen tot norm verheffen is geoorloofd, zolang wij maar beseffen dat die norm een tijdelijke veralgemenisering is, en altijd weer kan worden opgeschort.

In hoeverre de scepticus kan instemmen met onze hedendaagse morele voorschriften blijft in het ongewisse. Dat is het gemis van Van de afgrond en de troost: Oosthout laat zich niet in met concrete casussen, maar beperkt zich tot algemene denkregels voor in de studeerkamer. Voor de begripvolle toehoorder is dat overkomelijk: die kan zich de specifieke situaties die een sceptische blik vergen wel indenken. Maar zal Oosthout ook de fysicus hebben overtuigd, die zijn leven wijdt aan het ontrafelen van een ‘theorie van alles’? Waarschijnlijk niet: daarvoor is zijn schrijven te aforistisch, en de argumentatie te weinig gedetailleerd.

Van de afgrond en de troost heeft de allure van een klassiek filosofisch werk: groots in gedachtegang, maar beknopt genoeg om de lezer nog verder te laten rondtasten. En waaruit bestaat nu eigenlijk de troost? Die vindt Oosthout bijvoorbeeld in onze waardering voor een sonate van Bach – juist omdat zulke waardering op geen enkele evidentie berust. ‘Voor onze scepticus is er eenvoudig de schoonheid, gelegen in de ordening van de dingen’, schrijft hij. ‘Onze scepticus zoekt niet naar de grond van de schoonheid. De schoonheid is de troost van het verstand; verder is er leegte.’