Home Burgerlijk ongehoorzaam in een hut

Burgerlijk ongehoorzaam in een hut

Door Stephan Sanders op 18 augustus 2015

Burgerlijk ongehoorzaam in een hut
Cover van 09-2015
09-2015 Filosofie magazine Lees het magazine
Thoreaus oproep tot verzet is een strijdkreet geworden voor het non-conformisme van onze tijd. Ten onrechte, blijkt uit zijn essay over burgerlijke ongehoorzaamheid.

Het is een zeer bescheiden werk, niet in toon, maar toch wel in omvang: een essay van nog geen dertig pagina’s. De Amerikaanse filosoof, dichter en natuurvorser Henry David Thoreau publiceerde het in 1849, aanvankelijk onder de titel ‘Resistance to Civil Government’. Later zou het geschrift bekend worden onder een veel pakkendere naam: ‘Civil Disobedience’ of zelfs kortweg ‘Disobedience’. Burgerlijke ongehoorzaamheid. Fluister die woorden een paar keer voor je uit, en als vanzelf doemen de gestalten op van twintigste-eeuwse grootheden als Mahatma Gandhi en Martin Luther King. De Tweede Wereldoorlog komt in zicht, het ingenieuze verzet van de Denen tegen de bezetting door de nazi’s en de Jodenvervolging. Ook latere protesten, zoals die tegen de Vietnam-oorlog en de kernbewapening, laten zich moeiteloos vangen onder de noemer van burgerlijk, niet-gewelddadig verzet.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De titel van het essay is ingedikt tot een kreet, en die kreet heeft daarna de wereld veroverd en werd de vlag waaronder protestgeneraties steeds opnieuw geschaard werden. Dat is een ongelooflijk succes voor een negentiende-eeuws geschrift dat bij publicatie amper werd opgemerkt. Maar hoe heroïsch de uitwerking ook is geweest, de aanleiding was nogal mager.

Slavenstaat

Henry David Thoreau (1817-1862), de man die geloofde in ‘een leven van eenvoud, onafhankelijkheid, grootmoedigheid en vertrouwen’, trok zich in 1840 voor een periode van twee jaar terug in een zelfgebouwde hut aan het Waldenmeer, op 2,4 kilometer van Concord, Massachusetts. De plek waar hij was geboren. Hij nam afstand van het burgerlijke leven, zonder daarvoor een wereldreis te hoeven maken, zoals de meeste eigentijdse ik-zoekers. Zijn boek over deze tijd, Walden, werd later een succes. In Nederland kreeg Thoreau navolging van de Nederlandse psychiater en schrijver Frederik van Eeden, die in 1898 een gemeenschap in het bos stichtte met dezelfde naam. Er was overigens wel een essentieel verschil: terwijl Van Eeden een kolonie realiseerde waar idealisten elkaar konden treffen, leefde Thoreau in zijn hut van 3 bij 4,5 meter als een kluizenaar. Hij observeerde de natuur, maakte minutieus dagboek-aantekingen, peilde zijn eigen ziel, maar hield zich verre van elk menselijk contact. Niet de gemeenschap, maar het individu en het individuele geweten vormen de kernpunten van Thoreaus filosofie. In die zin zou de negentiende-eeuwer vreemd hebben opgekeken van de massale navolging die zijn ‘burgerlijke ongehoorzaamheid’ kreeg in landen als India, Zuid-Afrika en de Verenigde Staten.
 
Na twee jaar eenzaamheid besluit Thoreau zijn kapotgelopen schoenen te laten lappen in Concord, het dichtstbijzijnde stadje. Daar wordt hij opgepakt door een belastingambtenaar, omdat hij al die tijd geweigerd heeft geld af te dragen aan de staat. Thoreau voert twee redenen aan voor zijn weigering: ten eerste was de Amerikaanse regering op dat moment verwikkeld in een oorlog met Mexico (1846-1848) die hij als onrechtvaardig beschouwde, en ten tweede bestond het Amerikaanse slavernijsysteem nog, waaraan Thoreau op geen enkele manier financieel wilde bijdragen. Dat zijn nobele overwegingen, die tot op de dag van vandaag moeiteloos geloofwaardig blijven. 
 
De straf die Thoreau krijgt, is niet indrukwekkend: hij wordt zegge en schrijve een (één!) nacht opgesloten in een cel. Na die nacht was dit wereldberoemde pamflet over verzet tegen de burgerlijke regering geboren. Hij schrijft over de gevangenis als ‘het enige huis in een slavenstaat waarin een vrij man met fatsoen kan vertoeven’. Dat zijn grote woorden voor een kort verblijf. Thoreaus lijdensweg was in dat opzicht zeer bescheiden.
 

Kuddegeest

Maar dan de toon die Thoreau aanslaat. De eerste regel is meteen al een klaroenstoot: ‘Ik stem van harte in met het motto “de beste regering is die welke het minst regeert”. […] Als het zover is, komt het uiteindelijk neer op het volgende, waarin ik ook geloof: de beste regering is die welke helemaal niet regeert.’
 
Thoreau spreekt hier als de individualist, libertair en anarchist die van zijn regering vraagt haar burgers vooral ‘met rust te laten’. Die strijdkreet associëren we nu eerder met Reagan dan met progressieve Amerikaanse presidenten als Roosevelt, Carter en Obama. De overheid dient zich tot de meest basale taken te beperken en zo klein mogelijk te zijn, want alleen het individu is in staat het eigen geweten te volgen en zodoende rechtvaardig te handelen.
 
Thoreau wordt wel gerekend tot de filosofische stroming van het transcendentalisme. Zijn mentor, leermeester en begunstiger Ralph Waldo Emerson was het boegbeeld van deze leer, waarin een groot ontzag voor de natuur, het individuele geweten en ieders persoonlijke relatie tot het universum centraal staan. Wie nu ‘burgerlijke ongehoorzaamheid’ hoort, ziet juist al snel een politieke massabeweging voor zich, met demonstranten die het een of ander eisen van de overheid, en wel nu. Maar wie Thoreau leest, raakt bevangen door zijn eenkennigheid, zijn argwaan tegenover grote groepen, en zijn religieuze toon, waarbij de eenling ervoor moet zorgen ‘het duivelse in hem te scheiden van het goddelijke’.
 

Bessen plukken

King en Gandhi zijn in die zin nog wel tot Thoreaus directe nazaten te rekenen, maar al de sit-ins en bezettingen die onder de vlag van ‘ongehoorzaamheid’ worden georganiseerd, missen alleen al door hun massaliteit de kern van Thoreaus betoog. Zijn ideale burger behoort tot de zeldzame soort van de ‘geestelijke aristocratie’, is zelfstandig en zelfvoorzienend, ook al omdat ‘elke burgerlijke overheid ons dwingt onze eigen middelmatigheid te huldigen en te steunen’. Dat kon in het verheven universum dat Thoreau voor ogen stond nooit de bedoelding zijn. Zijn progressiviteit was elitair, en ‘bij meerderheid van stemmen’ betekende voor hem toch vooral ‘kuddegeest en gebrek aan intellect en opgewekt zelfvertrouwen’.
 
Tot nog toe heb ik die grote negentiende-eeuwse stroming die zichzelf presenteerde als die van de opstandigheid en de ongehoorzaamheid, niet genoemd: het politiek marxisme. Lees de paradoxale uitspraak van Mao Zedong en hoor daarin de verdraaide echo van Thoreau: ‘Het marxisme bestaat uit duizenden waarheden, maar zij kunnen alle in één zin samengevat worden: “Het is juist om in opstand te komen.”’ Verschillende anticommunistische denkers hebben zich afgevraagd of het dan ook juist was ‘tegen het marxisme in opstand te komen’ – zonder daar ooit uitsluitsel over te krijgen van bevoegde zijde.
 
Thoreaus denkbeelden – of liever gezegd: de slogans die daarvan overbleven – zijn na zijn dood vooral omhelsd door linkse, rebelse en zelfs revolutionaire bewegingen, die geweld voor het goede doel niet schuwden. Terwijl Thoreau slechts voorstelt ‘de wet te overtreden’ wanneer iemand wordt gevraagd onrecht jegens een ander te begaan. Thoreaus verzet is koppig, maar principieel vreedzaam, ook al vanwege zijn antimilitarisme. ‘De staat met zijn permanente leger dient de mensen niet in de eerste plaats als mens, maar als machines, met hun lichamen.’
 
Het idee van de revolutionaire voorhoede die onrecht met geweld verdrijft, is niet goed denkbaar volgens Thoreaus principes. Alleen al omdat collectiviteiten geen plaats laten voor het individuele geweten. Zo kunnen er bij Thoreau, spreekwoordelijk, ‘geen schalen gebroken worden om een ei te kunnen bakken’. Hij besluit dan eenvoudig om niet te eten of ‘bessen te plukken in het bos’.
 
Zijn oproep tot ongehoorzaamheid is de strijdkreet geworden van het non-conformisme in de twintigste-eeuw. Dat zegt meer over de tijdgeest dan over Thoreau.