Home Andreas Kinneging: ‘Met de Verlichting begint de ondergang van de westerse beschaving’

Andreas Kinneging: ‘Met de Verlichting begint de ondergang van de westerse beschaving’

Door Martijn Meijer op 21 maart 2005

03-2005 Filosofie magazine Lees het magazine

‘De gedachte dat onze beschaving op de Verlichting is gebaseerd, is een gotspe.’ Een gesprek met Andreas Kinneging over de moderne verkwanseling van antieke en christelijke waarden.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

‘Dit boek is het werk van een bekeerling’, zo begint Andreas Kinneging zijn nieuwe boek Geografie van goed en kwaad. ‘Het is het werk van iemand die ooit heilig geloofde in de zegeningen van Verlichting en Romantiek.’ In de loop der tijd ontdekte Kinneging dat de twee grote tradities die daaraan vooraf gingen en nu in vergetelheid dreigen te raken – de Grieks-Romeinse en de joods-christelijke traditie – veel meer waarheid bevatten. In zijn veelomvattende en erudiete boek betoogt hij dat die tradities van enorm belang zijn voor de vormgeving van de persoonlijke en de publieke moraal. De terugkeer naar die geestelijke bronnen is cruciaal voor het voortbestaan van onze beschaving. ‘Verlichting en Romantiek, ooit mijn geloofsbelijdenis’, schrijft Kinneging, ‘zijn me nu antipathiek geworden. De gedachte dat onze beschaving op de Verlichting is gebaseerd, is een gotspe. Met de Verlichting begint juist de ondergang van de westerse beschaving, een proces waar wij middenin staan.’

Andreas Kinneging (1962) is hoogleraar rechtsfilosofie aan de Rijksuniversiteit Leiden. In zijn huis in Den Haag vertelt hij dat hij zijn Verlichtingskritiek voor het eerst formuleerde in zijn dissertatie uit 1994, Aristocracy, Antiquity and History: Classicism in Political Thought. In de tien jaar daarna kwam Geografie van goed en kwaad tot stand; een aantal hoofdstukken werd eerder in Trouw gepubliceerd. Het boek staat, hoewel het teruggrijpt op eeuwenoude denkbeelden, midden in de actualiteit; het is geen vrijblijvende filosofische speculatie, maar een reactie op de crisis waarin Nederland, in feite het hele Westen verkeert. ‘In een tijd van crisis’, zegt Kinneging, ‘gaat de geest weer werken. Men ontdekt dat men er niet uitkomt op de manier die men gewend is en zoekt naar een andere weg. Dit boek kan, hoop ik, behulpzaam zijn bij het vinden van die andere weg.’
Kinneging is de belangrijkste denker van de conservatieve beweging in Nederland. In 2001 richtte hij met enkele anderen de Edmund Burke Stichting op, de conservatieve denktank die geleid wordt door Bart Jan Spruyt. Hij zit nu in de raad van advies van de stichting. ‘De rol van de Burke Stichting is nog niet uitgekristalliseerd’, zegt Kinneging. ‘Als het aan mij ligt wordt de stichting een soort universiteit, waar conferenties belegd worden, waar boeken geschreven worden over fundamentele vraagstukken. Ik ben ook niet onverdeeld gelukkig met de koers die de stichting nu vaart. Ze richt zich naar mijn smaak te veel op de politiek.’

Kinneging is zeer kritisch over de politiek. ‘De politiek zoals die is, staat ver af van de politiek zoals die in mijn ogen moet zijn. De meeste politici zijn administrateurs met een te nauwe blik. In de politiek zou het moeten gaan om het geheel, om de fundamentele vragen van maatschappelijke ordening. Wat moet Europa worden? Hoe gaan we om met de islam? Wat doen we aan de toename van het geweld? Politici weten met die vragen over het algemeen geen raad. Ze zijn gericht op de praktische details van het dagelijks bestuur.’ 

In zijn boek onderstreept Kinneging meerdere malen dat het aan Bildung ontbreekt. Journalisten, politici, ambtenaren, wetenschappers maar ook gewone burgers zouden zich meer om intellectuele en morele vorming moeten bekommeren. En daartoe zouden ze te rade kunnen gaan bij het klassieke en christelijke erfgoed. Maar vraagt deze tijd dan niet om andere kennis en andere vaardigheden dan bijvoorbeeld de Griekse Oudheid?
Kinneging: ‘Het is typisch romantisch om te denken dat iedere tijd en ieder mens volstrekt uniek is, dat iedere tijd een nieuwe moraal behoeft en dat ieder mens op zijn eigen houtje vorm kan geven aan zijn leven. Natuurlijk is iedere tijd anders, maar in heel veel opzichten is er niets nieuws onder de zon: de mens is in wezen nog steeds wat hij ook in de Oudheid en de Middeleeuwen was. Daarom kunnen we ook zoveel leren van die tradities. Het is doodzonde om dat niet te doen.’
 
Voor de meeste mensen is het teveel gevraagd, zo’n uitgebreide studie van het verleden. Wie vindt daarvoor nog de ruimte en de rust? 
‘Dat is ook een groot probleem. Vroeger werd het belang van de contemplatie erkend. Dat kwam tot uiting in instituties als de retraite, de zondagsrust, de academische vrijheid van de onderzoeker. Scholen en universiteiten waren niet exclusief gericht op arbeid, maar juist op de doordenking van het leven, waar arbeid een onderdeel van is. De ruimte voor bezinning is grotendeels verdwenen. Zelfs de universiteit is ingepast in het systeem van arbeid. Rust is ontspanning geworden, de vrije tijd die je nodig hebt om van arbeid bij te komen. Een enorme verarming, die uiteindelijk tot de ondergang van de westerse beschaving zal leiden.’
 
Krijgt die beschaving niet gewoon een andere vorm?
‘Er is nog steeds een maatschappij, maar van beschaving kun je niet meer spreken. Het is een maatschappij van “laatste mensen”, zoals Nietzsche ze noemde. Mensen die louter en alleen leven om te produceren en consumeren. En daarin hun zogenaamde uniciteit vieren.’
 
De mens houdt toch een hang naar het hogere?

‘Ik hoop het wel. De mens is ten diepste religieus. Religie moet je breed nemen. Filosofie is de religie van de cerebrale mens. Het gaat bij allebei om das Ganze: wat is de diepere grond van alles? Maar soms ben ik bang dat de ‘closure of the mind’, die we sedert Verlichting en Romantiek meemaken, niet te stoppen valt. Dan worden we op een dag allemaal economische dieren, die allemaal hetzelfde zijn en allemaal denken dat ze geheel anders zijn dan alle anderen. Dan zullen filosofie en religie, die uitzicht bieden op de gehele werkelijkheid, voor eeuwig verdwijnen.’
 
Is religie een onvervangbaar onderdeel van een geslaagde beschaving?
‘Religie is onder meer een hele belangrijke toegangsweg tot de moraal. Er liggen veel inzichten, ethisch en eschatologisch, besloten in de religie. In de eerste plaats natuurlijk in het christendom. Maar de andere religies van het Boek en ook het hindoeïsme hebben ons waardevolle inzichten te bieden. Atheïsten kunnen veel leren van de religie. Alleen tot je eigen schade keer je je af van de studie van de religie. Helaas krijgt het christendom in het universitaire onderwijs buiten de theologische faculteit geen enkele aandacht. Colleges in de geschiedenis van de politieke theorieën of de ethiek slaan gewoonlijk de Middeleeuwen en de Reformatie over. Men springt van de Oudheid in één keer over naar Machiavelli en de Verlichting. Ik ben een uitzondering als ik Thomas van Aquino in mijn hoorcolleges rechtsfilosofie behandel.’
 
‘Ik kan me nog altijd geen christen noemen’, schrijft Kinneging in zijn boek, ‘zeker geen orthodox-christen. Maar een liefhebber van het christendom ben ik wel geworden.’ Tijdens het gesprek blijkt dat religie meer voor hem is dan louter een cultureel fenomeen. ‘De redenering ligt voor de hand’, zegt hij, ‘dat de kosmos een schepper heeft. De kosmos is er niet eeuwig en moet ooit gecreëerd zijn. Die maker is de schepper. Die noemen we God. Van God weten we niets en kunnen we ook niets weten, want hij maakt geen deel uit van onze wereld. Hij is een mysterie. De goddelijke grond van alle dingen. Van het feit dat er iets is en niet veeleer niets. Dat is toch een wonder?’
 
Wat is dat dan voor een Godsbeeld, als je in feite geen gelovig christen bent? Is het een verstandelijke hypothese?

‘Het is een vorm van negatieve theologie. God is te groot om er iets van te weten.’
 
Dan is God een lege plek.
‘Inderdaad. Die metafoor komt uit de Historiën van Tacitus. De Romein Pompejus viel de tempel binnen van de joden, in de veronderstelling dat hij daar hun godsbeelden zou kunnen zien. Maar wat trof hij aan? Een lege plek. Wat valt er meer over te zeggen? God kun je nu eenmaal niet zien. We zitten hier op de grens van wat denkbaar en zegbaar is.’

In zijn boek heeft Kinneging het over de ‘onveranderlijke morele orde’. De morele waarden maken deel uit van de wereld, ze vormen een continent dat ontdekt moet worden. Vandaar de titel, Geografie van goed en kwaad. De kennis van dat continent moet van generatie op generatie worden overgedragen, zodat ze niet vergeten wordt. Moraalrelativisten zal het waarschijnlijk wat vreemd in de oren klinken, geeft Kinneging toe. 
‘Verlichting en Romantiek hebben dat relativisme in de wereld gebracht. Sindsdien moet de normativiteit uit de subjectiviteit voortkomen; goed en kwaad zijn menselijke constructies geworden. Het echte Verlichtingsdenken is causalistisch, mechanistisch en utilistisch. Wie de natuurwetten kent, is niet langer volledig overgeleverd aan de natuur, maar kan haar voor zijn wagen spannen. Deze denkwijze werd niet alleen van toepassing geacht op het terrein van de natuurwetenschappen, maar ook op mens en maatschappij. Natuurverschijnselen zijn causaal gedetermineerd en de mens is dat ook. Zijn streven staat geheel in het teken van het verlangen naar pleasure en het vermijden van pain. De traditionele vraag of dat wat wordt gewenst moreel wel in de haak is, verliest door dit uitgangspunt iedere betekenis. Berouw en spijt benoemen niet een schuldgevoel, maar een gevoel van verdriet dat voorkomt uit een besef niet de meest optimale keuze te hebben gemaakt in termen van nuttigheid. In het algemeen kan worden gesteld dat in een dergelijke, naturalistische benadering geen ruimte is voor de ethiek, althans in de strikte zin van het woord, als Selbstzwang.

‘Ik verdedig in mijn boek tegenover deze gedachten een platoons-christelijk perspectief, waarbinnen de morele ideeën als iets goddelijks beschouwd worden. Inderdaad, als een continent dat ontdekt moet worden. De ideeën zijn voorgegeven grootheden, zoals het idee van de cirkel. Ze maken deel uit van het Zijn.’
Kinneging breekt in zijn boek een lans voor de deugdethiek. De deugden zijn, in platoonse zin, geen subjectieve kwaliteiten ‘maar vooraf gegeven ideeën die besloten liggen in de natuur der dingen’, schrijft hij. ‘De antieke en middeleeuwse deugdenethiek, daarbij gaat het om karaktervorming. Sociale en individuele deugden worden eigen gemaakt, niet als concrete doelen maar als abstracte richtlijnen die het handelen voortdurend bijsturen. De belangrijkste deugden zijn wijsheid, moed, rechtvaardigheid en gematigdheid. Met behulp van deze deugden kan de mens zijn natuurlijke zwakheid overwinnen en een goed mens worden. De plichtethiek, die begint met de Reformatie, met de gedachte dat de mens door en door zondig is en nooit goed kan worden, zet het goede op een afstand. Het goede is de plicht die je van buitenaf aanstaart en zegt: je doet het weer eens niet goed. Met de Verlichting komt de rechtenethiek op. De nadruk komt dan te liggen op de rechten van het subject. Dat is een achteruitgang ten opzichte van het plichtendiscours, dat je erop wijst wat je aan anderen verplicht bent, terwijl de rechtenethiek gaat over wat anderen aan jou verplicht zijn. Het meest waardevol vind ik de deugdethiek, die immers oproept tot morele vorming.’

Kinneging citeert graag de Heidelberge Katechismus: ‘De mens is geneigd tot alle kwaad’. Maar, voegt hij daaraan toe, niet gedoemd tot álle kwaad. De deugdethiek brengt de hoop met zich mee dat de mens het gevecht met zijn kwade neigingen kan overwinnen. Kinneging: ‘Ja, ik ben in die zin meer katholiek dan gereformeerd. De gereformeerde wijst de deugdethiek af, dat vindt hij veel te hoopvol: de mens draagt bij aan zijn eigen heil door zijn best te doen. Echte gereformeerden gaan uit van de genade Gods; op eigen kracht kun je nooit aan Gods gebod voldoen.’
 
Is de deugdethiek verdwenen uit ons morele discours?
‘Bijna wel. Een paar deugden worden heel belangrijk geacht, in het bijzonder de tolerantie; een woord dat vaak misbruikt wordt. Er is de laatste jaren wel betrekkelijk veel belangstelling voor de Ethica Nicomachea van Aristoteles – een studie naar de deugd. Er zijn nota bene twee Nederlandse vertalingen van dat boek op de markt. Dat zou je als een teken kunnen zien dat een aantal mensen in ieder geval op zoek is.’
 
Andreas Kinneging, De geografie van goed en kwaad. Uitg. Het Spectrum, 492 blz. € 29,95