Home Kunst Alain de Botton: ‘Kunst is therapie’
Kunst

Alain de Botton: ‘Kunst is therapie’

Door Daan Roovers en Jeroen Hopster op 24 april 2014

Alain de Botton: ‘Kunst is therapie’
Cover van 05-2014
05-2014 Filosofie magazine Lees het magazine

Alain de Botton is gastconservator van het Rijksmuseum. Workaholics horen van hem hoe zij tot rust kunnen komen bij een kerkinterieur van Saenredam; roemzoekers krijgen de suggestie om naar Het straatje van Vermeer te kijken.

Belsize Park, Noordwest-Londen. Tussen de baksteenrode huizen van een rustige woonwijk valt het oog onmiddellijk op twee afwijkende panden: een vierkante woning met enorme ramen en het naastgelegen werkverblijf met een helblauwe gevel. ‘De andere huizen in deze buurt zijn timide, angstig’, zegt Alain de Botton terwijl hij ons voorgaat naar de achterkamer van het blauwe pand. ‘Ze tonen het gezicht van Engeland dat achteruitkijkt, bang is voor de moderne wereld. Alles aan Engeland wat ik verafschuw.’

Met een kleine delegatie van het Rijksmuseum en Filosofie Magazine bezoeken wij De Botton, om hem te spreken over zijn aanstaande gastconservatorschap van het Rijksmuseum. Tot en met september loopt daar de tentoonstelling Art is Therapy, die de Zwitsers-Engelse denker samen met filosoof en kunsthistoricus John Armstrong heeft opgezet. Ruim honderdvijftig werken uit de museumcollectie hebben zij van nieuwe bijschriften voorzien. Hun doel: de kunst benaderen met een therapeutische blik. Zo lezen workaholics hoe ze tot rust kunnen komen bij de aanblik van een kerkinterieur van Saenredam, en krijgen roemzoekers de suggestie om naar Het straatje van Vermeer te kijken en meer waardering op te brengen voor de pracht van het gewone leven.
Dat betekent niet dat de originele bijschriften – doorgaans feitelijke beschrijvingen van het jaar van vervaardiging en de techniek van de schilder – de prullenmand in gaan; een technische of historische lezing van kunst kan heel goed naast de therapeutische lezing bestaan. In de huidige opzet van musea wordt de therapeutische waarde van kunst echter systematisch miskend, stelt De Botton. ‘Hedendaagse musea profileren zich als kantoren, instellingen voor de studie van kunst. Ik wil laten zien dat kunst er in de eerste plaats is voor het publiek, voor het persoonlijke leven. Het Rijksmuseum is niet gebouwd als bewaarplaats van “kunst omwille van de kunst”, maar als tempel van de natie en de ziel.’
 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Anti-establishment
Volgens Botton kunnen wij onze cultuur beschouwen als reservoir van gebruiksmiddelen voor het dagelijks leven. ‘Ik wil weten hoe cultuur ons helpt en troost biedt. Dat is mijn grote thema, het thema dat door mijn carrière heen loopt. Dat is waarom ik Hoe Proust je leven kan veranderen (1997) heb geschreven, of De troost van de filosofie (2000). En nu Kunst als therapie (2013). Als ik naar een foto kijk, een boek lees, een gebouw zie, dan ben ik geïnteresseerd in de therapeutische waarde daarvan, in brede zin. Cultuur geeft mij immense vertroosting, steun, comfort, blijdschap, opwinding. Ik wil daarop reflecteren, dat meer toegankelijk maken.’

Maar Bottons benadering is ook ingegeven door kritiek op het establishment. ‘Als je bij Oxford of Cambridge aanklopt en zegt: “Ik wil onderzoeken wat Nietzsche ons vertelt over de zorgen van het moderne leven”, dan zullen ze je niet serieus nemen. Als je naar de Tate Gallery gaat en zegt: “Deze foto raakt mij enorm, vindt u het erg als ik begin te huilen?”, dan verklaart de directie je voor gek en gooit je het gebouw uit. Emoties, je innerlijke zelf, die worden niet geacht om in direct contact te komen met culturele werken. Althans, niet volgens onze “elite van cultuurbewakers”. Ik beschouw veel van mijn werk als een kleine provocatie aan het adres van deze elite.’
 
Bent u niet bang uw therapeutische lezing aan het publiek op te dringen?
‘Die vraag haakt aan bij een grote bron van onrust in onze cultuur. Die is: “Wie ben jij om te bepalen hoe ik mijn leven moet leiden?” Niemand kent precies de noden van een ander en daarom lijkt elke poging om een kunstwerk te interpreteren bazig, dictatoriaal. Want die beperkt wat een ander kan denken. De elite van cultuurhoeders – in musea, maar ook aan universiteiten – is hier zo bang voor dat die niets meer durft te zeggen. Dus staan op het bijschrift bij een schilderij alleen het jaartal, de olie die gebruikt is en de stroming waartoe de kunstenaar behoort. Een meer suggestieve duiding kan immers tot onenigheid leiden. En als je naar de universiteit gaat, bestudeer je niet hoe Proust je leven kan veranderen, maar de narratieve structuur in Proust, want daar kan niemand het over oneens zijn. Hoe Proust je leven kan veranderen, daarover doet de culturele elite er het zwijgen toe.

Ik vermoed dat veel mensen niet voldoen aan de karikatuur van het establishment, dat zich inbeeldt dat niemand wil worden lastiggevallen met de ideeën van een ander. Integendeel, de meeste mensen hebben geen idee wat ze moeten denken als ze voor een kunstwerk staan. Ze weten dat ze de Nachtwacht heel bijzonder horen te vinden, maar eigenlijk vinden ze het een doodsaai werk. Ze kijken veel liever naar een goedkope zwart-witfoto, maar dat hoor je in beschaafd gezelschap niet te vertellen.’
      
U plaatst niet alleen bijschriften bij de schilderijen, maar ook bij de rij voor de ingang, of boven de wc.
‘Je bent niet pas in het museum als je naar een kunstwerk kijkt. Zodra je het museumgebouw ziet, zodra je het terrein betreedt, laat je het gewone leven achter je en maak je deel uit van een ervaring. Het hele museum maakt daar deel van uit, ook de museumwinkel en het café. Daarom beperken wij ons niet tot de schilderijen, maar willen we ook nadenken over de koffie en de taart.’
 
In Kunst als therapie beschrijven jullie de museumwinkel als de belangrijkste plaats in het museum.
‘In theorie. Dat zou die moeten zijn, maar in de praktijk is die dat nog niet. Het bezoek aan de gift shop is het moment waarop je de lessen van het museum mee kunt nemen de wereld in. En uiteindelijk is dát waar het musea om zou moeten gaan: om het overbrengen van de ervaring in het museum naar de wereld daarbuiten. Wat iemand koopt in de winkel is daarom hoogst relevant. Ik heb een groot vertrouwen in briefkaarten. Doordat je je die kunt toe-eigenen, maak je daarmee een kunstwerk pas echt deel van je leven: je kunt erop schrijven, je kunt ze op de grond gooien, je kunt er op een ontspannen manier mee omgaan. Je hebt geen last van het prestige dat ons ervan weerhoudt op een normale manier met de originele schilderijen om te gaan.
Als je uit Newark bent komen vliegen, anderhalf uur in de rij hebt gestaan om de Vermeers te zien, en er eindelijk tegenover staat, dan heb je een verwachtingspatroon opgebouwd dat niet past bij die kunstwerken. Vermeer schilderde geen koningen en koninginnen; hij maakte juist anti-celebritykunst. Het dagelijks leven, daar gebeurt het. Hij maakte schilderijen voor in de woon­kamer, om zo nu en dan bekeken te worden ter herinnering aan een huiselijke levensstijl. Het prestige dat aan die schilderijen wordt toegedicht is uiterst onbehulpzaam. De gift shop geeft ons de mogelijkheid om dat prestige los te laten. Bij een briefkaart van een Vermeer durven we onszelf te zijn.’
 
In het Rijksmuseum hangen de Hollandse meesters. Spreekt de collectie ook op een typisch Nederlandse manier?
‘Het Rijksmuseum vertelt niet alleen het verhaal van de Nederlandse kunst, maar ook van de natie. En, dieper dan dat, van Nederlandse waarden. Alle kunstwerken zijn reservoirs van waarden. Van houdingen, sympathieën, oriëntaties van de ziel. Waar ga je heen als je wilt weten wat Nederland is? Er zijn talloze plaatsen die daar een antwoord op geven; het Rijksmuseum is een van de belangrijkste. Het zegt: “Kijk, dít is Nederland.” Het is een verzameling van hoogtepunten van de Nederlandse natie. Als museum heeft het een soort van verheerlijkende functie – dat is heel belangrijk. Het Rijksmuseum geeft je reden om trots te zijn als Nederlander. Het is een therapeutische advertentie.’
 
Veel moderne kunst beoogt het publiek te choqueren. Hoe denkt u over shock-art?
‘Het hangt af van je analyse van wat er mis is met de wereld. De impliciete analyse van shockkunstenaars luidt: veel mensen hebben een te rooskleurig beeld van de wereld. Iedereen denkt dat hij in Disneyland leeft. De werkelijkheid is anders, dus is het de prioriteit van kunstenaars om het publiek daarop te wijzen. Dus loop je een galerie binnen en zie je het exploderende hoofd van een kind en een stapel met verbrand geld. Omdat mensen eraan moeten worden herinnerd dat geld slecht is, en dat overal ter wereld moorden worden gepleegd. Voor iemand die enig besef heeft van de realiteit, denk ik niet dat dit de prioriteit van kunst hoeft te zijn. De prioriteit van het moderne leven is juist om tot rust te komen, want mensen lopen over van zorgen en stress. Kunstwerken, maar ook lege kerken, kalmeren ons. Ze zijn puur, leeg en kalm. Dat is wat mensen nodig hebben, veel meer dan een choquerende boodschap.’
 
Is de therapeutische werking van kunst ook het oogmerk van de kunstenaar?
‘Ja, ik denk dat bijna alle kunstenaars therapeutische ambities hebben. En daar bedoel ik mee: een intentie die gericht is op de wereld, op het verlichten van zorgen en problemen, op het tegengaan van verveling, religieuze onverschilligheid en religieus fanatisme. Vraag een kunstenaar: “Probeert u met uw kunst de wereld ten goede te veranderen, op enigerlei wijze?”, en iedereen zal “ja” antwoorden; anders zouden ze hun werktuigen neerleggen en een andere loopbaan beginnen. De missies verschillen, maar iedereen wil dat zijn of haar werk iets doet, iets teweegbrengt. Kunst is daarvoor hun instrument.’
 
Waarom hebben we nooit gezien dat kunst een vorm van therapie biedt?
‘De therapeutische benadering was duidelijk aanwezig onder de vleugels van het christendom. Maar die viel niet op. Die was zo overduidelijk dat die onzichtbaar werd. Het verhaal begint pas echt met de opkomst van seculiere kunst. In de negentiende eeuw, op het moment dat religie afkalft, beginnen mensen te zeggen: “Kunst zal de leemte opvullen die religie achterlaat.” We zouden musea moeten zien als vervangers van kerken. Daarom heeft het Rijksmuseum ook zo’n verheven exterieur en hoge plafonds: om eruit te zien als kerk, als kathedraal!

In de twintigste eeuw ontstaat er paniek rond dit idee: de directie begint het Rijksmuseum wit te wassen. Museumdirecteuren raken geobsedeerd door het idee dat kunst er alleen is omwille van zichzelf – l’art pour l’art. De recente verbouwing van het Rijksmuseum heeft dat witwassen deels tenietgedaan: het is weer een museum voor de natie. Wat wij doen, zien we als een volgende stap in dit ontwitwassingsproces. Wij geven een intellectuele verantwoording, vertellen waarom het Rijksmuseum er ook alweer uitziet als een kathedraal. Waarom kunst een goede vervanger is van religie. In plaats van Art is Therapy, hadden we onze tentoonstelling ook ‘Kunst vervangt religie’ kunnen noemen.’
 
Wat hoopt u dat uw conservatorschap bij het Rijksmuseum zal opleveren?
‘Ik hoop dat het tot een goed debat zal leiden over het nut van kunst. En ik hoop dat ik dat debat zal winnen. Niet om mensen hun andere kunstvisie te ontnemen, maar opdat zij zullen denken: er is ook nog die therapeutische kijk. Op intellectueel niveau hoop ik dat iemand naar de universiteit kan stappen met het voorstel om promotieonderzoek te doen naar een therapeutische duiding van het werk van Vermeer. Op persoonlijk niveau hoop ik dat mensen zichzelf durven te zijn bij kunstwerken. Dat ze het prestige van kunst, dat een averechts effect heeft, durven te bekritiseren. En dat ze kunst voor zichzelf, in hun eigen levens, gaan gebruiken. Dan doen ze wat de oude meesters waarschijnlijk hadden gewild dat ze zouden doen.’
 
Denkt u niet dat de expositie tot veel kritiek zal leiden?
‘Ja, waarschijnlijk wel. Veel mensen hebben immers geïnvesteerd in de huidige status-quo. Als je een kunsthistoricus bent en iemand komt plotseling aanzetten met nieuwe bijschriften die over de “ziel” vertellen, dan is dat een oorlogsverklaring aan je baan en je hele aanpak. Ik besef dat het een provocatief idee is, maar het kan geen kwaad om de kunstwereld een beetje te provoceren.

Mijn missie is geheel trouw aan de kunstenaars die het Rijksmuseum hebben ontworpen. Kijk naar die extravagante kunstkathedraal en beoordeel of het een instituut was van l’art pour l’art, of kunst voor de natie en de ziel. Dat laatste, natuurlijk. Dat is mijn antwoord aan verontruste conservatoren. Als die het er niet mee eens zijn, denk ik dat zij de missie van het Rijks uit het oog hebben verloren.’ 

Lees hier een uitgebreide versie van dit interview met Alain de Botton. Voor leden in zijn geheel te lezen.

Naar aanleiding van deze expositie organiseert Filosofie Magazine op 18 mei de lezing ‘Kunst als therapie?’ met Joost Zwagerman, Stine Jensen en Maarten Doorman. Klik hier voor meer informatie.