Voor November Denkmaand vertellen we over ideeën die ons leven hebben veranderd. Dit keer: Thomas Velvis over Wittgensteins zwijgen.
‘Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.’
Na het behalen van mijn eindexamen kreeg ik van mijn filosofiedocent het boek Leven en werk van Ludwig Wittgenstein van Bert Keizer cadeau. Ik las het een paar maanden later in de morsige Groningse studentenkamer waar ik was beland en toen ik het uit had, kocht ik direct Wittgensteins eigen werk (in het oorspronkelijke Duits, als de pretentieuze eerstejaars die ik was). Wat me zo trof, was niet alleen Wittgensteins onnavolgbare stijl en bewogen leven, maar vooral zijn radicale onderscheid tussen waar we wel en niet over kunnen praten, verwoord in die iconische zin: ‘Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen’.
Taal
Wat misgaat bij veel filosofen, meent Wittgenstein (1889-1951), is dat ze direct aan het denken slaan en zich niet afvragen waaróver ze eigenlijk zinvol kunnen denken. Daarvoor moeten we eerst onderzoeken hoe onze taal werkt. Gedurende zijn leven ontwikkelde Wittgenstein twee totaal verschillende ideeën daarover. In de Tractatus logico-philosophicus ziet hij taal als iets dat de wereld afbeeldt; dertig jaar later spreekt hij in de Filosofische onderzoekingen over taal als een gereedschap waarmee we dingen in de wereld doen. Maar in beide boeken concludeert hij dat heel veel van wat we proberen te zeggen in de filosofie (en ver daarbuiten) onzegbaar is. We gebruiken taal op een onzinnige manier. Want hoe kun je praten over ‘macht en onrecht’ of ‘goed en kwaad’, als je niet kunt uitleggen naar welke dingen die termen precies verwijzen? Als je die woorden lostrekt uit de alledaagse context waarin we ze normaal gebruiken?
Bedolven
Dat inzicht was bevrijdend in dat eerste jaar dat ik filosofie studeerde, waarin ik bedolven werd onder de meest uiteenlopende theorieën en de kritische vragen van sneller denkende medestudenten. ‘De vrije wil bestaat niet’, ‘Je moet je leven zelf zin geven’ – steeds kon ik al te stevige statements in gedachten counteren met die typische Wittgensteinvraag: maar wat bedoel je eigenlijk als je dit of dat zegt? Bovendien hielp het me bepalen wat ik moest met mijn geloof, dat onder druk stond van de kritische geest die me werd aangeleerd. Misschien kun je volgens Wittgenstein geen dingen over God verkondigen (wat bedoel je met ‘God’?), maar omgekeerd krijgen ook atheïstische claims bij hem geen voet aan de grond. Alles wat je over God probeert te zeggen is onzinnig – dus ook dat God niet bestaat. Wittgensteins ‘zwijgen’ gaf me zo de ruimte om dingen te geloven die ik niet met recht kon uitspreken.
Nu is écht zwijgen over de dingen waarover we niet spreken kunnen me niet gelukt. Het is te leuk om te praten over wat er het meest toe doet – geluk, toeval, liefde. Maar dat blijft een spel met woorden; we krijgen het nooit echt gezegd.
Even tussendoor …
Meer lezen over Wittgenstein en andere grote denkers? Schrijf je in voor de gratis nieuwsbrief:
Filosofie scheurkalender 2027
- Elke dag wijzer met de wijsheid van een ander
- 365 dagen filosofische citaten: pakkend en grappig
- Inspirerende uitleg bij klassieke filosofen
Filosofie Magazine tijdelijk al vanaf 6,99 per maand
- Elke maand heldere analyses van scherpe denkers
- Lees & luister onbeperkt op filosofie.nl
- Op papier én digitaal, incl. archief in de app
