Wat onverklaarbaar is kan in onze tijd meestal niet lang zo blijven, ziet Willem Jan Otten. Hoe kun je een wonder nog als wonder ondergaan?
Een wonderverhaal waar je geen (christelijke) gelovige voor hoeft te zijn om er toch door gegrepen te worden, is dat van Orpheus. Hij wekt een gestorven dierbare uit de dood, maar zodra hij zich wil vergewissen van dit wonder van haar aanwezigheid, dat hij al musicerend realiseert, tuimelt zij de dood in. In zijn gedicht ‘Orpheus en Eurydice’ vraagt Czeslaw Milosz, kort na de dood van zijn vrouw, zich af of hij wel genoeg van zijn Eurydice heeft gehouden. Het is zo bovenmenselijk moeilijk om haar aanwezig te stellen.
Het zingt rond als een analoge radio, toch is het ’t opperen waard: verrijzen is het wonder. Niet de overschrijding van de natuurwetten, maar het verlangende, hopende, verwachtingsvolle opduiken uit de zee van moedeloosheid, vertwijfeling, wantrouwen. Een filosoof zou zeggen: het contrafactisch opstaan uit de realiteit.
Het verlangen naar een wonder ontstaat uit het missen
Naar het wonder in deze reddende, genezende, helende zin verlangt een gelovige, en dat doet hij op grond van zijn ervaring als wanhopige en vertwijfelde. Man of vrouw: veel geloof begint in verlorenheid, wegzakkende moed, wakes aan sterfbedden, in crisis, crashend tegen de muur van het onherroepelijke missen. Opduiken uit ontreddering, verlatenheid, depressie is een wonder. Het weerlegt de entropie der dingen en degene die het meemaakt, heeft het niet aan zichzelf, niet aan zijn of haar zelf-analytische denkkracht, zelfs niet aan de therapeut te danken, maar aan, ja wat? Zelfs als zij, wijzend naar haar geliefde, zegt ‘Ik dank het aan hem’ of hij ‘aan haar’, dan is er sprake van iets (soms als ‘iemand’ ervaren) dat onder de noemers God, liefde of genade nog achter de verlossende ander werkzaam is. Een buitenwilse macht, waaiend waar hij wil.
Intussen smeken mensen in onze geïnformeerde, reductionistische, ‘wetenschappelijke’ tijd niet om verlossing, maar grijpen zij naar oplossingen, afleidingen, remedies, sedaties, verdovingsmiddelen. In de woorden van de Amerikaanse dichter Denise Levertov: wij/ die bang, verveeld alleen maar willen/ slapen tot de catastrofe/ is uitgeraasd, gecrasht,/ uitgepieterd en zonder ons aan ons voorbij/ gegaan,/ alleen maar willen ontwaken/ in alle rust zonder herinnering aan lijden,/ wij die beschaamd en heimelijk hoopten/ uit het vuur weggeplukt te worden, gezegend/ omdat we het toch allemaal maar hadden ingedacht,/ hoe moet door ons, gesedeerden, het wonder worden ondergaan als wonder?
Ontsleuteld
De film die na deze bosbrandzomer mijn verlangen naar een wonder kon lessen, zou Disclosure Day zijn. De Derde Wereldoorlog staat erin op uitbreken, de grootmachten stevenen af op wederzijdse nucleaire vernietiging. Het is een film van Steven Spielberg; te verwachten viel dat deze wereld gered zou worden, vermoedelijk op de valreep.
En inderdaad, de verlossing komt van een tweetal – volgens mij in dit genre ongebruikelijk, verlossers opereren doorgaans alleen. Het paar bestaat uit een hoogbegaafde IT-specialist (gespeeld door Josh O’Connor) en een televisiepresentatrice (Emily Blunt). Aan het begin van de film kennen ze elkaar nog niet, maar door een labyrintisch plot worden ze stap voor stap tot één verlosser samengevoegd. Blunt is een populaire weervrouw van een televisiestation in Kansas. Ze boekt succes door het weer goeddeels dansend, stikkend van de slappe lach te voorspellen, maar wanneer zij hagel voorspelt op een stralende zomerdag komt er, contrafactisch, ook hagel. Wat zij niet weet (wat nu komt valt, ook al is het een standaardingrediënt van het genre, onder spoilers), is dat ze op haar tiende is ontvoerd door extraterrestrials en begiftigd met de buitenaardse vermogens die haar, als ze volwassen zou worden, zouden helpen de wereld te verlossen.
Wat begint als wonder blijkt later volkomen verklaarbaar
De vermogens van het tweetal noemen wij (en zij zelf ook) wonderen: Blunt kan tot haar eigen verbijstering gedachten lezen, in tongen spreken en tongen verstaan, dieren verstaan. Maar even wonderbaarlijk, of bovennatuurlijk, is dat haar vermogens haar doen weten wat haar te doen staat, zonder dat zijzelf begrijpt wat ze doet; zoals hagel voorspellen. Er is kortom een macht werkzaam in haar die een heilsplan heeft. Een Voorzienigheid. Uiteraard kent deze extraterrestriële macht een (aardse) vijand, die het heilsplan juist als het grootst mogelijke onheil beschouwt. Deze even duivelse als menselijke tegenkracht, die doodsbang is voor het goede, wordt gespeeld door Colin Firth. Hij geeft leiding aan een geheime dienst die het bestaan van de extraterrestrials en hun plan al tachtig jaar verdonkeremaant.
Ik had het kunnen weten, maar begon het pas halverwege de film te beseffen: wat begint als een wonder, blijkt tegen de tijd dat het grote wonder zal geschieden – de verlossing, de redding – volkomen verklaarbaar te zijn. De redding is een onthulling, een disclosure, een verklaring voor alles wat eerder bovennatuurlijk leek – voor het slap lachend dansen en het spreken in tongen.
Eigenlijk is er in Disclosure Day maar één fenomeen dat de onverklaarbare, ontregelende, ontwapenende, betoverende uitwerking van een wonder blijft hebben, zowel op het tweetal als op de bioscoopbezoeker, en dat is: de blikwisseling met een dier. De eerste keer met een kardinaalsvogeltje, de tweede met een edelhert, een keer met een vos, en met een groep herten die uit een bos aangelopen komen om door het raam van de schuilplaats van de Twee zwijgend hun oogopslag te zoeken.
Het viel me op dat het de enige momenten van stilte en contemplatie zijn, van time within time, zoals Tarkovski het noemde, van ‘duur’. (Voor de rest jakkeren we achter de handeling aan, totdat er helemaal op het eind ontroering doorbreekt op het gelaat van een anchor woman, die de verdrietige verbijstering vertolkt van de hele televisiekijkende planeet die bedolven wordt onder schokkende beelden.)
De film liet ook mij beslist niet zonder droevige ontsteltenis achter – maar ook grondig onbevredigd. Alsof ik, opgejaagd door de belofte van een verlossingswonder, voortdurend links en rechts, als door fatbikes, was ingehaald door oplossingen, onthullinkjes, disclosures. De mensheid heeft recht op waarheid, zo CNN-de het scenario – dat is zeer waar, maar ik wist me ook geeuwhongerig en leeg, want niets was meer fundamenteel wonderlijk. Het mysterieuze had z’n verklaring gekregen, het raadselachtigste was journalistiek geworden, het wonderlijkste ontsleuteld.
Wanneer is iets dan wel een wonder?
Eekhoorn
Het kwam ongetwijfeld door de dierblikwisselingen dat ik daags na de film ontwaakte met de herinnering aan de eekhoorns die rond mijn elfde verjaardag met hun dikke roodbruine pluimstaarten tijdens het vrijdagmiddagse voorleesuur van meneer West in de beuken rond het schoolplein op en neer gleden, schijnbaar zonder pootjes, met wangen vol nootjes. Moet ik erbij vertellen dat het kort na de scheiding van mijn ouders was en mijn moeders halsoverkopse verhuizing naar Laren, en dit een van mijn eerste dagen op de nieuwe school?
Is die ene eekhoorn – die ineens zijn boom verlaat en naar het raam van de klas rent – heus een wonder?
Gedurende een eeuwigheid blijft hij naar binnen kijken, alsof hij mij ontdekt heeft, en niemand ziet het. En meneer West vervolgt het verhaal van de verblinde Cycloop die iemand ‘niemand’ hoort roepen. Enfin, dit is, in mijn droom daags na Disclosure Day evenzeer als in de werkelijkheid van vijfenzestig jaar geleden, een fenomeen waarvan ik weet dat het door iets wordt veroorzaakt dat ik ‘hogerhand’ ben gaan noemen. Iets on- of bovennatuurlijks. Iets dat mij doet weten dat ik niet alleen ben – kennelijk verkeer ik in de veronderstelling dat ik dat ben. En dit weten… Ik aarzel zeventig jaar later niet om het een openbaring te noemen. En tegelijkertijd accepteer ik de onderzoekende blik van het beestje en de sensatie dat het mij uitkiest om aan te kijken, als volkomen normaal. Het is nog niet zo makkelijk om de ambiguïteit van dit ogenblik, misschien zelfs oogwenk, te beschrijven, vooral het aspect van op het moment zelf beseffen dat dit mij iets openbaart.
Ik herinnerde het in mijn droom terdege, maar weet, nu ik het opschrijf, niet meer echt wat ik onderging. Waar is de ervaring van betekenis, alsof ‘mij iets werd gezegd’ van ‘je bent niet alleen’? Het stoort me dat ik me moet bedienen van ‘als’ en ‘bij wijze van spreken’. Hoe vang ik dat ik weet (maar niet meer ervaar) dat het eekhoorntje dat mij kende een wonder wás en niet alsof? Waarom doe ik mijn eekhoorntje al herinnerend terugtuimelen?
Tekst loopt door onder afbeelding

Stotteren
Daarom, niet bij schrijvers, niet bij filosofen of theologen, zelfs niet bij Hollywoodscenaristen (die op dit terrein niet hoog genoeg kunnen worden aangeslagen), maar bij een elfjarige in groep zeven van de lagere school in 1961 moet ik zijn als ik wil weten wat een wonder is. En er waren er meer, elke dag! Zo was er Bart, al bijna veertien, maar nog in groep zeven (de montessorischool waar ik op zat probeerde kinderen met cognitieve stoornissen er zolang mogelijk bij te houden). Bart stotterde zo diep dat niemand hem ooit een woord had horen afmaken. Hij communiceerde door te schrijven en te tekenen. Hij tekende in een onbereikbare stilte onvoorstelbaar gedetailleerde bankbiljetten op ware grootte, uitgegeven door fictieve staten. Hij lachte daarbij nooit. Maar tijdens de blokfluitles die mijn moeder op woensdagen aan alle kinderen van de school gaf, twee aan twee, had Bart ineens (ik was erbij, mijn moeder had me die dag tot paar met Bart gemaakt, dat deed ze wel vaker), toen hem gevraagd werd Altijd is kortjakje ziek te neuriën, mompelend en vrijwel onverstaanbaar maar onmiskenbaar ‘driemaal in de week’ gezingzegd. Vier hele woorden! En hij begon hinnikend te lachen.
Zijn de wonderen de wereld uit?
‘Muziek is een wonder,’ zou mijn moeder na afloop van de les zeggen. Ik weet dat zij in haar lange muzikantenleven met (conservatorium)leerlingen vergelijkbare wonderen heeft meegemaakt. Na haar dood ontving ik een brief waarin een moeder van een van hen – een schizofreen, zo luidde indertijd de diagnose – vertelde dat zij, mijn moeder, de enige was die tot hem was doorgedrongen. Mijn moeder zou het, in weerwil van haar zojuist gememoreerde uitroep, zelf geen wonder genoemd hebben. Ze wierp iedere notie van ‘verrichten’ van zich: het was de muziek die het werk deed. Maar de briefschrijfster noemde het wel zo. Het is een wonder, schreef ze, en daardoor heeft hij ervaren dat hij niet absoluut helemaal alleen was.
Dat hij niet veel later, een jonge man nog, gestorven is – hoe, waarom gaf de briefschrijfster niet prijs – veranderde aan het wonderbaarlijke niets.
Ongelovige Thomas
Misschien moeten we, om te weten wat een wonder is, niet alleen bij kinderen tot elf jaar zijn, maar ook bij vertwijfelde ouders. En, paradoxaal, het idee loslaten dat een wonder een kwestie van geloven is. Dat is het juist niet, als ik mijn eigen herinnering en Orpheus goed begrijp.
Jaïrus en zijn vrouw geloven in het Evangelie niet dat hun gestorven dochtertje weer leeft; ze beseffen het. (Wel wordt gesuggereerd dat zij even hun ogen niet kunnen geloven.) Op vergelijkbare wijze geloofde ik niet dat de eekhoorn mij herkennend of zoekend aankeek. Ik wist dat hij keek. Bart sprak, dat hoefde ik niet ook nog te geloven.
‘Het wonder rekt je denkkaders op’
Juist dit werkelijkheidsbesef maakt dat in het vademecum van wonderen, het Evangelie en Handelingen, de wonderdoener Jezus terughoudend is over zijn verrichtingen. Als hij het mirakel van de visvermenigvuldiging heeft verricht, merkt hij dat zijn volgers, die hun ogen en vooral hun maag geloven, hem als een oplosgod gaan beschouwen, een fixer. Als hij hun vervolgens voorhoudt dat het niet om de geleste honger gaat of om de gelukte opstand tegen de bezettende macht, maar om de openbaring van iets dat hij het ware wonder noemt – ’t ‘Koninkrijk dat niet van deze aarde is’ en toch ‘nabij’ – dreigen ze hem zelfs verongelijkt te na te komen. Waarop hij zich terugtrekt in de heuvels, alwaar introspectie hem zal leren hoe hij het wél moet aanpakken. Sterven om te leven, dat is het plan. Het is alsof Jezus met zijn wonderen, zelfs met dat van zijn verrijzenis, het wonder afschafte. Als de ongelovige Thomas pas na zijn verrezen lichaam betast te hebben wil aannemen dat Hij het is, zegt Jezus: ‘Zalig zijn zij die zonder zien geloven.’ Zonder wonderen. Hij wil zonder er te zijn aanwezig zijn, voor altijd, in iedereen.
Het is mij, beken ik, niet gegeven. Zonder herinneringen aan het zien van zoiets als het openbarende eekhoorntje, zonder het meemaken, een dag eerder, van Spielbergs kardinaalvogeltje, weet ik niet waar ik het vandaan moet halen – dat we niet alleen zijn. Zonder wonder, zonder zien, wil het niet.

