Laatst had ik een hangdag. Ik lag de hele dag in pyjama te netflixen. Op de radio klonk opeens dat liedje: ‘Leef, alsof het je laatste dag is’. Meteen voelde ik me een beetje schuldig. Ik was niet bepaald aan het leven alsof het mijn laatste dag was.
Is dit zinnetje eigenlijk een uitnodiging of toch een verwijt? Want stel dat ik echt zou doen alsof het mijn laatste dag is: zou ik dan in janken uitbarsten en van iedereen afscheid nemen? Of zou ik gaan bungeejumpen en een ballonvaart maken? Wie heeft eigenlijk besloten dat een dag op de bank niet telt?
Het is een oproep, dat snap ik heus wel: verspil je tijd niet met geneuzel, je moet dingen dóen, leven zul je! Dit zinnetje smokkelt een productiviteitsmoraal binnen onder de vlag van levenskunst. Het suggereert dat wat je nu doet niet echt leven is; pas onder dreiging van de dood wordt het serieus. Maar waarom is ‘gewoon’ leven niet genoeg? Wat als mijn laatste dag een doordeweekse dinsdag is, met een stapel was, een vergadering en de hele dag bedenken dat ik mijn tanden nog moet poetsen?
Even tussendoor …
Het valt me trouwens op dat mensen die weten dat hun dagen geteld zijn dit zinnetje zelden uitspreken. Zij kiezen juist heel kleine dingen. Het zijn vooral mensen mét tijd die het tegen andere mensen met tijd zeggen. Een soort instagrammable existentialisme: diep genoeg om wijs te klinken, oppervlakkig genoeg om geen verplichtingen op te leggen.
Is er ooit iemand die op zijn sterfbed denkt: had ik maar meer gebungeejumpt?

