Home 4 vragen aan… Paulien Cornelisse

4 vragen aan… Paulien Cornelisse

Door Frank Meester op 27 juni 2016

4 vragen aan… Paulien Cornelisse
07-2016 Filosofie magazine Lees het magazine

Het nieuwe boek van Paulien Cornelisse gaat over een cavia die werkt op de afdeling communicatie. ‘Het kantoor is mijn experimentele setting waarin ik het proefdier heb geplaatst.’
 

Wat kan ik weten?

‘Ik heb bewust niets opgezocht over de cavia. Op de tekening voor het omslag heb ik een cavia met een klein staartje getekend. Het grappige is dat ik er door iemand op ben gewezen dat een cavia helemaal geen staart heeft. Het gaat mij meer om wat ik denk dat de levenshouding van een cavia is: zenuwachtig, ietwat passief en secundair reagerend. Mijn cavia kun je dus vertalen naar een menstype, zoals in fabels. Sommige lezers zagen in mijn Cavia de allochtoon. Als ik het zelf ergens mee zou moeten vergelijken, zou ik zeggen: iemand met een handicap. Men merkt het wel op, maar het is verder niet echt een issue. Ik vond een Cavia in ieder geval wel goed passen op een kantoor, beter dan een konijn. Vind je niet?


Ik was op zoek naar een omgeving waar mensen samen zijn die niet voor elkaar gekozen hebben. En nu we steeds minder leven in van die beklemmende dorpsverbanden, vind je dat vooral nog op het kantoor. Een kantoorroman is een beetje wat vroeger de familie- of de streekroman was. Het kantoor is dus mijn experimentele setting waarin ik het proefdier, de cavia, heb geplaatst. En dat levert allerlei, vaak wat ongemakkelijke, sociale situaties op die ik heb proberen te beschrijven.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Wat moet ik doen?

‘In mijn werk maak ik me niet boos over dingen. Daar ligt niet mijn kracht. Als ik ga schrijven over wat ik heel erg vind, dan wordt het bombastisch en vervelend. Ik moet met een soort luchtige distantie naar de dingen kunnen kijken. Juist dan lukt het me soms om een deur open te zetten naar een andere wereld. Een wereld waarin het belangrijk is om op kleine, pietepeuterige dingen te letten. Het gaat om een milde kijk op de wereld, om zachtaardigheid. Lach een beetje om die klungelige mensen. Wat zijn die mensen toch vreemde dieren.

Het is onmogelijk om met kracht zachtaardigheid te prediken. Je kunt moeilijk met een afgezaagde Kalasjnikov gaan roepen dat iedereen met elkaar moet praten.’
 

Wat mag ik hopen?

‘Als ik eerlijk ben, hoop ik vooral op een prettig leven voor de mensen die dichtbij mij staan, waar ik zelf uiteraard ook bij hoor. Als het om mijn werk gaat? Tja, dan hoop ik dingen te maken die ik zelf heel goed vind. Ik heb ooit bij Comedytrain gewerkt. Daar werd je steeds geëvalueerd en daardoor was ik erg bezig met de vraag of anderen het leuk vonden. Ik heb daar heel veel geleerd, maar ik werd er uiteindelijk ook ongelukkig van. Toen ben ik daar gestopt en heb me voorgenomen om voortaan alleen nog te maken wat ik zelf goed vind.’
 

Wat is de mens?

‘Het is wel duidelijk dat de mens veel kwalijke kanten heeft. Op het moment is de mens voor de aarde toch vooral een plaag. Hij verandert van alles aan zijn omgeving, met alle gevolgen van dien. 

Verder is de mens een talig wezen. Dat is duidelijk. Of we er veel mee opschieten is maar de vraag. Misschien ooit wel. Ik denk dat toen de mens begon met praten, hij nog vooral met benoemen bezig was: namen geven aan de dingen. Het ging dus ergens over. Maar hoe beter we leerden praten, hoe meer we gingen praten over het praten zelf. Veel van de woorden die we nu gebruiken zwakken vooral af wat we zeggen: ‘best wel’, ‘een beetje’, ‘zeg maar’, ‘ofzo’. Cavia werkt op de afdeling communicatie. Dat is het toppunt. Ze communiceren daar voornamelijk over communicatie en zeggen dingen als: ‘communication is getting a message from one person to another person.’

Toch is de mens ook best leuk. Ik vind kunst bijvoorbeeld wel iets goed van ons. En humor natuurlijk. Bij kinderen zie je goed hoe die evolueert. Mijn zoontje van een is dol op kiekeboegrappen. Misschien dat sommige dieren dat ook nog wel doen. Honden kunnen als ze samen spelen wegrennen en dan plotseling vanuit een andere kamer weer te voorschijn springen. Daar hebben ze dan duidelijk ontzettend veel lol in. In de pubertijd wordt de menselijke humor subtieler, krijgt hij meer te maken met een gevoel voor sociale verhoudingen. Ik was laatst op een feest van vrij vage, alternatieve mensen die erg met gezond eten bezig zijn. Maar er stonden ook gewone zoutjes op tafel. Toen zei een puberjongen tegen me, met zo’n heel ironische blik: “Ik hoop wel dat ze glutenvrij zijn.”’